230

terwijl het omschrift, in een mengsel van nederlandsch en latijn te lezen geeft:

R P COLVMBANVS CAPVCIEN MISSIONAR

YS 30 IA(ER) TEN BOSCH OBIIT DEN 13 (?)

IANWAR 16

Deze kleine grafzerk is de belangstelling der Katholieke Bos-schenaars alleszins waardig.

Wie toch was Pater Columbanus, wiens nagedachtenis in herinnering wordt gehouden door dezen steen, gebeiteld in droeve dagen van geloofsvervolging?

Schutjes, in zijne Geschiedenis van het Bisdom, vermeldt hem niet; men vindt hem evenmin genoemd in de door Hezenmans1) aangehaalde lijst van geestelijken, die zich in 1653 aan de magistraat der stad hadden aangegeven, ofschoon pater Columbanus toch, zooals blijken zal, de eerste en voornaamste der CapucijnenMissionarissen hier ter stede geweest is.

Ik ontleen aan een artikel: „De Minderbroeders-Capucijnen te 's-Hertogenbosch" van f(rater) C(yrillus?) van S(chiedam ?), geplaatst in October- en Novembernummers 1898 van „de Noord-Brabanter", het volgende: „Na de verovering der stad in 1629 bleven 4 Capucijnen „in het geheim te 's-Hertogenbosch: de Paters B a s i 1 i u s, „eertijds kanunnik van St. Salvator te Brugge, Mar„cellianus, Tiburtiusen Columbanus. Zij openden „de luistervolle rij van Capucijnen-Missionarissen, die „meer dan eene eeuw binnen de stad hunne beste „krachten voor het bewaren en bloeien van geloof en „zeden zouden besteden. De drie eerstgenoemden verbleven te Yucht en waren als missionaris te 's-Her„togenbosch werkzaam in de vermomming van jagers. „Pater Columbanus echter verbleef, als werkman vergleed, voortdurend binnen de stad Door zijne mede-

„religieusen als afgevaardigde naar het Provinciaal kapiteel gezonden, keerde Pater Columbanus den 4d0n „September 1630 naar den Bosch terug en overhandigde ') Hezenmans ,,'s-Hertogenbosch van 1629 tot 1798", pag. 144,