VAN ElEN DICHTER. VRIJGEZEL;

1.

Cupido quam mij laatst verwijten,

Hoe dat ik leefde sonder min.

Hoe ik mijn tijt zoo con verslijten Sonder te kussen een vriendin.

Ik heb hem geantwoort op zijn reden :

Laat mij gerust, ik leeff in vreden,

Terwijl ik om geen minnen denck.

Is er dan niemand, is er dan niemand,

Is er dan niemand, die om t' minnen denckt ?

2.

Ick zoude mij wel tot min begeven,

Ten waer geen rede mijnen vrient. 't Is gerust sonder min te leven Voor een, die zig teregt versint.

Die hem wel van minne wagten,

Die leeft gerust bij dag en nagten.

Wat heeft men aan het minnen dan ?

Het nat van Bacchus, het nat van Bacchus, Het nat van Bachus ons genesen kan.

Q O

Als aldus andere loopen vrijen,

Van liefde dol en gantsch versot,

Om Venus en haar brant te vlijen,

Vier ik God Bacchus in de pot.

Als ik dan twee off drye glasen Tot aan de gront heb uytgeblasen,

Dan kust eenider zijn liefde's mont.

En ik leeg den rooiner, en ik leeg den roomer, En ik leeg den roomer tot aan den grondt.

Finis.

18de eeuwsch stuk, in het adm. oud-archief deigemeente Dinteloord en Prinsland.

Medegedeeld door Mr. J. P. W. A. Smit.