Maar de mesvechter wilde van niets hooren ; hij zou en moest vechten.

Hij deed den eersten uitval, die hem echter zeer slecht bekwam. De koopman, die bleek de schermkunst als oud-militair niet vergeten 'te zijn, sloeg den kerel het mes uit de hand en gaf hem tegelijk met de hak van zijn schoen zulk een harden slag tegen de linkerwang, dat de kerel als dood op den grond rolde en hem de tanden uit den mond vielen.

De vechtersbaas werd door zijn kameraden weêr bijgeholpen, door hem een paar emmers water over het hoofd te gieten en flink wat jenever toe te dienen.

De andere messenvechters stonden te vloeken en op de tanden te knarsen, maar hadden zooveel respect voor den schoenvechter gekregen, dat zij hem niet durfden naderen. Dat was maar goed ook, daar Wouters zijn stok met looden knop ter hand nam en elk dreigde de hersens in te slaan, die hem met een mes durfde naderen.

Hij vertrouwde echter zich niet langer te Oss, maar vertrok nog denzelfden dag met mijn grootvader in de richting van den Bosch.

Rotterdam, Ch. C. V. Verreyt.

EEN SLOTJE ONDER NISPEN

Jouffrou Barbare Sclercx weduwe wylen joncker Jans van Bloys sterf des Vrydaechs XXIIenin Augusti ao XXXIX (1539). *)

Deze aanteekening las ik in eene rekening der heerlijkheid Wouw, over het jaar 1552—53.

En uit de rekening van den tresorier-generaal in het markiezaat blijkt, dat zij was — en son vivant conchierge de la maison de monseigneur a Anvers.2)

1) Rijksarchief 's-Gravenhage : Commissie van Breda no 626.

2) A. p no 837 : 1539—40