UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE RIVIER DE AA.

II

Het Onderhoud en de Reparatie van de pleytvaart.

De heer van Rixtel, die volgens contract verplicht was kennis te geven aan de regering van Helmond, wanneer er noodzakelijke herstellingen aan sluis en bruggen nodig mochten zijn, bleek in 't vragen niet erg lastig te zijn. Of de heren van de magistraat hem daarvoor — achteraf gezien — erg dankbaar konden zijn, valt te betwijfelen.

Van een verzoek tot reparatie van de sluis, etc. vinden we voor 'teerst melding gemaakt in Augustus 1650. Toen was echter de toestand al zo onhoudbaar geworden, dat reparatie gebiedend noodzakelijk, maar tevens schier onmogelijk geworden was. In een „remonstrantie ende designatie van noodige reparatie aen de sluyse, liggende voor het huis tot Rixtel, waardoor de pleyten (coomende van den Bosch op Helmont) moeten passeren", lezen wij o. m., dat de beide vleugelen aan de sluis verrot en gebroken zijn en dat de balken en planken daaraf gevallen waren, zodat het water van de Aa geregeld tussen de zijden van de planken en de dijk doorstroomde. Hierdoor spoelden de omliggende dijken steeds meer weg, zodat de passage voor mensen, paarden en vee met de dag gevaarlijker werd. Het leek er zelfs op, dat een der dijken zou wegspoelen, waardoor een nieuwe kolk of wiel zou ontstaan.

Aan het „sasken ofte verlaet" waren ook de beide vleugelen verrot en vervallen ; van de open- en dichtgaande deuren waren veel planken afgevallen, zodat het onmogelijk was hiermede bij het passeren van de pleyten en schuiten het water tegen te houden. Daarbij waren ook de russen en het zand aan weerszijden van de vleugelen ingevallen en weggespoeld tot de grondslag toe.