Het Tapijt

G. TIMMENGA, U.V.S.V. praeses 1945. Mr J. W. TH. VAN MANSVELT VAN HELLENBERG HUBAR. U.V.S.V. Praeses 1945—1946.

Er was eens een tapijt, een prachtige Pers. Niet maar zo’n gewoon kleed neen, dit had heel bijzonder magische eigenschappen. Want, hoewel de grootte ervan door de jaren heen langzaamaan bepaald geworden was, veranderde het dessin voortdurend en konden aan de oude, dikwijls traditionele figuren en patronen steeds nieuwe, frisse motieven worden toegevoegd ieder jaar opnieuw, al naar gelang degenen, die het kleed in eigendom hadden, want ook dezen wisselden voortdurend. En dan was er nog iets opvallend merkwaardigs aan dit Perzische tapijt ik zei u reeds, dat het een zeer bijzonder kleed was het aantal stralende kleuren, dat het in zich droeg, zoals daar waren: verzadigd turkoois, groen doorzichtig smaragd, fonkelend topaas, het vlammend bordeau van een karaf oude, zeer oude wijn deze harmoniërende, doch zo sterk genuanceerde tinten konden eveneens worden aangezien voor saai grijs, grasgroen, dof geel of vaal rood. Dit hing slechts af van de wijze, waarop men dit tapijt beschouwde en was dus in het bijzonder afhankelijk van de ogen van zijn immer variërende eigenaren slechts de kleuren, die zij erin zagen, werden door de Pers weerkaatst.

Het vreemde bleet, dat ook al verstreken ae jaren, die de ouderdom van het tapijt verhoogden, de kleurengamma's immer de mogelijkheid in zich droegen te gaan gloeien en tintelendoch zoals ik u reeds zeide, alleen in de ogen van diegenen, die ze erin zagen.

In de geschiedenis van het wondertapijt was eens een tijd geweest, dat het kleed weggeborgen moest worden, onvindbaar, diep in een donkere schuilhoek, waarvan slechts ingewijden de plaats wisten. En men vreesde voor het leven van de Pers, omdat het in de duistere kelder leek, alsof het grauw en somber, slap terneer hing en alsof men niet meer bij machte zou zijn, het ooit weer te laten schitteren in al zijn schoonheid Doch er braken betere tijden aan, veiliger tijden; het tapijt werd uit zijn donkere spelonk gehaald en in triomf naar het, hem waardige, oude vertrouwde en beminde oord gedragen, waar degenen, die de Pers in eigendom kregen en wier ogen, in de zwarte tijden door het duister gescherpt, zich de stralende mogelijkheden van het kleed bewust werden, het lieten tintelen en fonkelen in pracht van kleuren: zoals daar waren: het verzadigde turkoois, het doorzichtig groene smaragd, het fonkelende topaas en het vlammende bordeau van oude wijn, die men bedachtzaam en zorgvuldig in het kristal schenkt

^Óeste siïnH Qatrien, Reina en J'rieda, Terwijl ik vanmiddag de spruitjes schoonmaakte, gingen mijn gedachten uit naar het komende Lustrum. Ik verheug mij er zo op jullie allemaal weer te zien en over de lang vervlogen tijden ^Herinner je je nog het plezier dat wij in '46 met zijn vijven tijdens het Lustrum van de Universiteit en het U.S.C. hebben gehad; de nachtelijke wagenrennen door de Nobelstraat; de kamelen waar de sheik op troonde, die ons het programma der feestelijkheden aan kwam bieden en die wij, volgens de traditie van zijn land, ontvingen op kussens, met koffie, een pijp en gesluierde vrouwen De kamelen genoten gastvrijheid in de hal, wij van hetgeen vóór-viel”, de drijvers die het op moesten ruimen, nog meer. Ue riierij zal voor ons nu wel afgelopen zijn, jammer hè Fneda, dat je de Utrechtse burgerij geen plaats meer in t witte koetsje aan U Ik on^ nog bij de Senaatsreceptie op P.H.R.M. waar wij temidden van drommen reünisten trachtten met ernstige gezichte onze weg te vinden. Gelukkig dat die behulpzame honorair Senator zich over ons ontfermde, zodat wij vóór alle anderen snel ons doe konden bereiken. Het waren anders mooie opmerkingen die wij te horen kregen, zoals „Nu moeten wij beleefd zijn, onze eigen dochters zijn er tegenwoordig ook bij. ' En wat was het niet een vreugde Prinses Juliana na de promotie van Prins Bernhard oP de Club te mogen ontvangen. Maar naast deze „vrolijkheid, vrijheid en vreugd kenden wij toch ook andere momenten. Wat hebben wij niet een eindeloze debatten en conferenties gehad voordat het College van Yerte|“' woordiging in zijn huidige vorm, en de Stichting Utrechtse denten Faculteiten tot stand kwamen. De Statuten en het Huis ou ] Reglement van de Club hebben ons ook veel hoofdbreke:ns en nachtrust gekost. Een uitkomst was het Reina, dat jij de s e van de H.C.-kast had waardoor wij tenminste op de been werden gehouden, zelfs zó stevig dat dikwijls de rechtervleugel tot de orde moest worden geroepen. nP 'Weet je wat ik bij mijn verhuizing weer in handen kreeg. D oorkonde ons aangeboden door de toenmalige eerstejaars naar aanleiding van onze prestaties op een „test avond. Blijkbaar waren wij een zéér intelligent bestuur!

Met de besturen van de zusterverenigingen hadden wij een hee prettig contact dat door onderlinge lunches en vooral door het Lustrum in Delft nog werd verstevigd. Tot onze grote verbazing kende Leiden haar plaats niet hetgeen bleek bij het formeren van de cortège. Een blik op de achterzijde van onze bestuurspenning lichtte de V.V.S.L. in omtrent de oprichtingsdatum der LLV.ö.v. Maar het allerbeste herinner ik mij toch die middag toen ik door jullie met een zacht lijntje de bestuurskamer werd uitgestuurd. Teruggekomen vond ik de deur op slot, na enig kloppen werd ik goedgunstig binnengelaten. Welk een metamorphose! Voor mij geen plaats meer achter de bestuurstafel! Daar zaten 4 ernstig figuren met lint en al; Reina op mijn plaats maar met haar hamer Mij werd verzocht vóór de tafel te gaan, waarop de Vice-Praeses mij toesprak en wees op de verantwoordelijkheid die op mij kwam te rusten nu ik als lid tot de U.V.S.V. jou worden toegelat n. (Uit Leiden gekomen was ik n.1. nog steeds met als UV.S.V.-li geïnstalleerd). Jullie deed het allemaal heel plechtig. De installatie met hamerslag volgde, gelukwensen werden in ontvangst genomen en het UV.S.V.-lied werd gezongen, dit tot grote verbazing van de „inhoud” van de theekamer. De borrel - die ik nu weer op mijn eigen plaats mocht genieten - ontbrak niet Het zal wel de enige en laatste keer zijn dat een Praeses der U.V.S.V. door de Vice-Praeses werd geïnstalleerd. Wat hebben wij een goed en gezellig jaar gehad, en dan t bedenken dat we elkaar zelfs van gezicht nauwelijks kenden. Het bekende feit: hoe meer je aan de Club geeft des te meer je van haar ontvangt, hebben wij allen wel sterk ervaren. Maar hebben jullie dat gevoel ook dat je er toch weer snel uitgroeit? Wanneer ik nu een enkele keer de theekamer binnenkom waar mij zoveel onbekende gezichten aankijken en ik voel dat ik als „stokoud” wordt betiteld, vlucht ik maar vlug naar Catnentje s kamer en denk „o quae mutatio rerum . . Nu besten, tot ziens maar weer, in ieder geval op het Lustrum, t a t. 9?an>.