— 156
XVI. — PAUL GEIGER : « Volkabmdliche Bibliographie für die Jahre 1929 u. 1930». Berlin, Walter D'e Gruyter & C\ 1935. Prijs : 20 R. M'.
Het tiende deel van de bibliographie omvat de jaren 1929 en 1930, XXXVI en 578 bladzijden. Met elk jaar neemt dit verzamelwerk een grootere uitbreiding, dank zij het aantal medewerkers, dat voortdurend aangroeit. Ditmaal kon ook beschikt over het materiaal betreffende het Duitsche volkslied in bzit van het « Deutsche Volksliederarchiv » van Freiburg. Alle Vlaamsche uitgaven vinden wij er vermeld. Een onmisbaar boek in de werkplaatsen van onze Vlaamsche beoefenaars van df Folklore.
XVII. — D- EiUGEN FEHRLE : « Tacitus' G ermania ». Munchen, J. F. Lehmanns Verslag. Prijs : 3.60 R. M. ingenaaid, en 4.80 R. M. gebonden.
Vertaler merkt op dat dit werk van Tacitus meer en meer onontbeerlijk wordt voor de studie van het leven en de zeden der Germanen. De herkomst en de plaatselijke toestanden onzer voorouders, zooals zij door den Romeinschen historiograaf beschreven werden, krijgen met eiken dag een grootere beteekenis, naarmate de studie van het oud Germanendom vorderingen maakt. De menigvuldige opgravingen, welke te allen kant zijn gedaan geweest en welke kostelijke schatten te voorschijn brachten, hebben daartoe merkelijk bijgedragen.
De goed-verzorgde vertaling is afgedrukt naast den latijnschen tekst en de gebruikelijke titels van de kapittels werden door den vertaler voorzien van meer uitleggevende ondertitels. Uitgebreide opklaringen van den tekst volgen, alsmede 67 afbeeldingen van oud-Germaansche dokumenten, kunstwerken, sieraden, kleedijen, enz.
XVIII. — ALBERT HERRMANN : « Unsere A hnen und A Üantis », Nordische Seeherrschaft von Skandinavien bis nach Nordafrika Berlin, Klinkhardt & Biermann, 1934.
XIX. — ALBERT HERRMANN : « Neue Stimmen zur Ura f inda-Chronik- » Sonderabzug aus der Nordischen Welt, 1935.
Een boeiend geschreven werk over het reeds zoo dikwijls behandelde Atlantis-vraagstuk. Schrijver onderzoekt nogmaals het veel besproken handschrift (Ura Linda-Chronik), dat, rond de jaren 1860, door Cornelis Over de Linden van den Helder aan Eelco Verwijs werd ter hand gesteld en waarvan, nu enkele jaren geleden, een Duitsche vertaling verscheen. De Berlijnsche professor Herrmann is ook van meening dat dit vreemdsoortig historisch en mythölologisch handschrift op meerdere plaatsen vervalscht is geworden, maar toch tracht hij te bewijzen dat een groot gedeelte er van echt is gebleven. Het is ook mogelijk, zegt