139

Toonladders, die op de intervallen van het Grieksche viersnaren-systeem gegrond zijn, waren er in de Grieksche muzyk drie: de diatonische, de chromatische en de enharmonische. Bij de diatonische, de eenvoudigste, 't meest met de natuur overeenkomende en vandaar ook de meest gebruikte, waren de intervallen op het viersnarig instrument twee en een halve toon. Bij de chromatische, die ook zeer oud was, maar veel minder gebruikt werd, was een interval van anderhalven toon met twee halve tonen verbonden, van welke laatste de eene meer, de andere minder dan een halve toon was. De enharmonische toonladder, de jongste en als zeer opgewekt en krachtig geroemd, had een interval van t wee geheele en twee quart tonen.

De opvolging der intervallen was in de verschillende toonsoorten onderscheiden. Zoo waren b. v. de intervallen der diatonische toonladder in de Dorische toonladder: V2 > li 1; in de Phrygische 1, Va >15 in de Lydische 1, 1, 1/2-

Dorisch Phrygisch LydisclI

E. f. g. A. D. e. f. G. C. d. e. F.

%YY Y% Y YY \

Dr. C. VAN OsENBRTJGGrEN.

[Wordt vervolgd.)

WILLEM DE HAAN. 1

De nederlandsche toonkunstenaar, wiens naam boven dit opstel te lezen is en van wien wij eenige composities ter beoordeeling ontvingen, is den 24n Sept. 1849 te Botterdam geboren en toonde reeds in zijn prille jeugd veel muzikalen aanleg te bezitten, zoodat kort na de eerste lessen die aan de muziek gewijd werden spoedig eenige kinderlijke pogingen in de compositie ontstonden, die, zoo als dat meer het geval is, zich op een gebied bewogen dat ver buiten het bereik der krachten van den knaap lag, daar die pogingen in eenige opera's uitliepen, welke hij in zijn elfde jaar zonder studiën in harmonie of contrapunt gemaakt te hebben, opschreef. Zonder daaraan veel waarde te hechten, wekte het den vader van De Haan op den raad van eenige muzikale vrienden, waaraan deze „gewrochten getoond werden, in te winnen en het gevolg was hem in de gelegenheid te stellen zijn krachten te ontwikkelen en te beproeven. Toen de schooljaren bijna ten einde liepen begonnen de eerste studiën in de harmonieleer onder leiding van den heer W. F. G. Nicolaï, die destijds met het onderwijs in de theorie der muziek aan de muziekschool der Maatschappij t. b. d. t. (even als met de directie van de Zangvereeniging) afdeeling Botterdam , was belast en van wiens voortdurende belangstelling van toen af tot op zijn later streven hij steeds met buitengewone ingenomenheid en hartelijkheid spreekt. De studies werden later, onder Nicolaï's opvolger, den heer Bargiel voortgezet. Doch daar de muziek altijd nog door den vader beschouwd werd als een kunst, die slechts als uitspanning en stichting den zoon op zijn levensweg ter zijde zou staan, betrad hij in zijn 16e jaar de koopmans loopbaan. Al spoedig bleek het echter dat hij daarvoor niet geschikt was, en de muziek werd hoe langer hoe meer zijn lievelingsstudie. Geen vrij oogen-

1 De redactie ontving op liaar verzoek, van zeer bevoegde zijde, de biographische schets, welke vooraf gaat aan de beoordeeling van De Haan's werken.

blik op zijn kantoor werd verzuimd om kleine schetsen op muziekpapier te maken, dat hij daartoe altijd in zijn lessenaar verborgen hield. Een gesprek met den heer Nicolaï en met zijn meester op de piano, den heer S. De Lange Jr., gaf eindelijk aanleiding tot het besluit hem geheel en al de gelegenheid te geven zich aan de toonkunst te wijden. Tot 1870 bleef hij op de muziekschool, waar ieder jaar op de examens het een en ander van hem werd ten gehoore gebracht; daarna begaf hij zich naar het buitenland. Te Leipzig werd een winter door hem doorgebracht. Hij hoorde er veel en deed er veel ervaring op, maar hij kwam ook tot de overtuiging dat het onderwijs aan het Conservatorium de vergelijking met de voortreflijke muziekscholen van Nederland niet kon doorstaan zonder in de schaduw gesteld te worden. Hier ontstond de Vioolsonate (op. 3) en zijn Ouverture Die kleine Seejungfrau (geschreven naar aanleiding van Andersen's sprookje van dien naam). Beide werken werden op de openlijke examens van het Conservatorium te Leipzig opgevoerd. Daarna verliet hij die stad om den volgenden winter een bezoek aan Berlijn en Weenen te brengen, waar hij in den omgang met mannen als Joachim, Bubinstein, Brahms en vele anderen de heerlijkste gelegenheid had zijn kunst meer en meer te leeren liefhebben en zichzelf te bekwamen. Een bezoek te Keulen, waar hij door de kunstenaars op de hartelijkste wijze werd ontvangen, gaf aanleiding dat hij , ingevolge den raad van dr. Hiller, de leiding van het Caeciliën-verein te Bingen op zich nam. Hier had hij gelegenheid zijn talent als dirigent (dat hij reeds te Kralingen als directeur der zangvereeniging „Andante" geoefend had) te toonen en met een klein maar dapper koor gelukte het hem, ondersteund door de orkesten der naburige steden, menige uitvoering te geven, waarvan toevallig aanwezige kunstenaars steeds met lof gewag maakten. Met lust werd gecomponeerd en zoowel daar als in de naburige duitsche steden werd menig muziekstuk van zijn hand opgevoerd, maar vooral ook werden zijn studiën op de piano en op het orgel voortgezet en na drie jaren vruchtbaar streven vertrok hij m het begin van dit jaar (1876) naar Darmstadt, waar hem de leiding van het „Mozart-verein" werd opgedragen en waar hij zich tot nu toe in een bijzonder aangenamen werkkring beweegt. Voortdurend hield hij zich met de compositie bezig en er ontstonden liederen, duetten en allerlei instrumentale stukken. Bij voorkeur wijdt hij echter zijn krachten aan werken die zich op dramatisch gebied bewegen zooals cantates, ensembles en losse scènes. Als het ideaal van zijn streven zweeft hem evenwel de compositie eener opera of liever van een „muzikaal drama" voor den geest. Hieruit is de gevolgtrekking gemaklijk te maken, dat hij tot de Wagnerianen behoort, al wist men niet dat hij (in de „Mannen van beteekenis in onze dagen" uitgave van Kruseman &Tjeenk Willink te Haarlem, onder leiding van N. C. Balsem) een zeer belangrijke bijdrage geleverd heeft tot de kennis en waardeering van dien grooten meester.

Wat nu de composities van De Haan betreft, er is „stijl" in. Hij zegt wat hij denkt te moeten zeggen op eigenaardige manier, en zijn thema's hebben iets aantreklijks door hun beslistheid; men zou ze wellicht tevens populair kunnen noemen.

Dat is al dadelijk het geval met de „Drei Albumblatter fürPianoforte, zonder ópus-nommer uitgegeven, bevattende: I. Marsch; II. Menuetto galante en III. Marchen. Het zijn allerliefste stukken, die verdienen door ieder onderwijzer aan zijn leerlingen ter beoefening te worden voorgelegd. Zwaar zijn ze volstrekt niet, maar