341
leemten in de geschiedenis der muziek-instrumenten zeer velen zeker welkom zal zijn.
3. Anna Stibbe. Liederen met klavierbegeleiding, a. Oud Liedeken, (gedicht van Helène Lapidoth-Swarth), b. Deux Chansons, pour voix grave, 1. Les Séparés,b. En Avril sous les branches. (1).
Reeds herhaaldelijk is in deze rubriek met groote ingenomenheid melding gemaakt van de uitgaven van den Heer Noske, die zich sedert eenige jaren beijvert om werken onzer talentvolste en voornaamste componisten uit te geven, in het bijzonder compositieën, die groote kosten vereischen, zoodat het anders moeilijk zou zijn — met het oog op het beperkt debiet — daarvoor een uitgever te vinden. Zulk een streven is ten hoogste artistiek en heeft den Heer Noske doen kennen als iemand, die veel voor onze kunst over heeft. Ook kleinere werken van jongere componisten, die in zijn fonds zijn opgenomen, verdienen zeer de aandacht.
Het spijt mij daarom niet met ingenomenheid van bovengenoemde liederen te kunnen spreken. Het Oud-Liedeken, op het bekende schoone, gedichtje gecomponeerd is — evenals de beide Fransche liederen — te rangschikken onder de rubriek: „niet onverdienstelijk leerlingen-werk", zonder hooge aspiraties of bijzondere belofte voor de toekomst. Het Hollandsche liedje geeft in de muziek alleen het uiterlijke van het gedicht weer, maar het diepere en schrijnende er van zal men er te vergeefsch in zoeken. De componiste heeft hoofdzakelijk gedacht aan de woorden: „Vogeltje zong" en zeer weinig aan het „gebroken harteke". In het gedichtje stijgt de belangstelling, bij de muziek daalt ze.
Van de beide Chansons is het eerste wel sober van uitdrukking en declamatie, maar die soberheid brengt geen stemming of diepte, en verloopt in nietszeggende eentonigheid; het lied is er meer op berekend eene mooie altstem voordeelig te laten uitkomen, dan het gedicht door de muziek vleugelen aan te binden. Ook no. 2 is te gewoon van opvatting en te zwak van uitdrukking. Aan deze zangen ontbreekt de eigenaardige charme, kleur en geur, waardoor een fransch componist „un petit rien" toch zoo aantrekkelijk weet te maken.
De componiste moge eens bedenken dat het beter is een gedicht ongecomponeerd te laten — tenzij het is voor eigen genoegen of tijdverdrijf — wanneer men niet in staat is door de muziek hooger uitdrukking aan de woorden te geven. Er moet voor den componist iets te doen overblijven, anders kan het gedicht omlaag worden getrokken, in plaats van omhoog geheven. Het ware m.i. beter geweest Mej. Stibbe de uitgave dezer proeven te ontraden.
v. M.
1) Uitgegeven bij A. A. Noske, Middelburg.
22