21 o
M 18.
namens het bestuur het voorstel van den heer Hanegraaff I over, met machtiging om een commissie als wordt bedoeld I samen te stellen.
Een zeer uitvoerige discussie wordt ten slotte gevoerd over I de voordracht, gehouden door het lid R. P. van Roven in j de vergadering van het Instituut van 14 Nov. van het vorige j jaar: Waterbeweging in den bodem. De president zegt den { Raad van Bestuur en ook den heer R. P. van Royen zelf dank voor de toestemming om deze discussie over te brengen ! in de Vakafdeeling.
Nadat de heer R. P. van Royen in een voorafgaand woord ! de kwestie nog heelt geëxposeerd en daarbij het lid de j Beuyn in diens bezwaren, dadelijk geopperd in de ver- j gadering bovengenoemd, gedeeltelijk tegemoet treedt, nemen aan de discussie achtereenvolgens deel de president, gewezen ! lid der Staatscommissie, die de kwestie van de Water- j voorziening in de Stelling Amsterdam heeft voorbereid, de leden H. E. de Bruyn, j. M. K. Pennink, G. J. Hoogesteger en C. P. E. Ribbiüs, waarna de heer R. P. van Royen in een sluitwoord gaarne constateert, dat vrij wel de meening wordt gedeeld, dat de prise d'eau onder Sloten tot in lengte van dagen wel het water zal leveren, dat er van wordt verlangd. I
In dit voorloopig verslag van wat in de vergadering is \ geschied kan een resumeerend overzicht van een discussie als deze slechts weinig belang hebben, waar de aard van het onderwerp medebrengt, dat het gewicht van de gehouden betoogen ligt in de gedetailleerde beschouwing der zaak, waarom hiervoor wordt verwezen naar het uitvoerig verslag.
De president dankt allen, die over het zeer belangrijke vraagstuk van de ondergrondsche waterbeweging hun licht 1 hebben verspreid, en sluit daarop de vergadering.
Vergadering van het Koninklijk Instituut , van Ingenieurs,
De vergadering van 20 Maart 1906 was, ofschoon vervroegd, toch zeer goed bezocht.
Voor zoover het mogelijk is geweest de notulen der vorige vergadering af te drukken, daar de voordracht van het lid N. H. Nierstrasz nog niet in het bezit van den Raad van Bestuur was, werden deze goedgekeurd ; en daar geen mede- j deelingen en voorstellen van den Raad van Bestuur of mededeeling van ingekomen stukken waren te doen, bleven de punten van behandeling vóór de aangekondigde voordracht beperkt tot de mededeeling van het overlijden van drie leden, j
Aleidius Cornelts Broekman, overleed 14 Februari 1906 ' te Arnhem na den vorigen dag nog op de Instituutsvergadering te zijn geweest. Het lid L. j. Kesper zal een meer | uitvoerig levensbericht schrijven in De Ingenieur, waarom de president zich bepaalt tot een korte herinnering aan de werkzaamheid van Broekman in den dienst van den aanleg van Staatsspoorwegen en bij de Maatschappij tot Exploitatie van j Staatsspoorwegen en een opsomming van de geschriften, die j van de hand van Broekman in de werken van het Instituut i voorkomen. Ten slotte herdenkt spreker de belangrijke plaats j door den overledene ingenomen in de Vereeniging van j Burgerlijke, thans Delftsche Ingenieurs, waar hij als voor- I zitter destijds den stoot heeft gegeven aan de oprichting van j De Ingenieur.
Cornelis Johannes van Doorn vond het begin van zijn loopbaan in deelneming aan de voorbereiding van het spoorwegnet op Java. In Nederland teruggekeerd bewoog hij zich op waterbouwkundig gebied (werken van het Noordzeekanaal en bouw van den afsluitdijk en de schutsluizen met stoomgemaal te Schellingwoude) op welk gebied hij verder vooral in Japan zeer vruchtbaar werkzaam is geweest. Het lid N. J. Beversen zal een levensbericht schrijven voor De Ingenieur.
Willem Joan de Bordes is een tiental jaren werkzaam geweest in Indië, eerst als ingenieur bij de Ned.-Ind. Spoorwegmaatschappij en daarna als administrateur van de Ned.Ind. Tramwegmaatschappij te Batavia. De overledene zou weldra naar het vaderland teruggekeerd zijn.
Het lid J. W. Welcker vangt daarop de groote voordracht aan over den aanleg van het Panamakanaal door de Vereenigde Staten van Amerika, welke voordracht, alleen onderbroken door de gewone pauze, tot halfvier heeft geduurd.
Als Nederlandsch lid van de internationale commissie, welke President RoosEvelt in het vorige jaar heeft benoemd om aan de Amerikaansche Regeering een eindadvies te geven over de wijze, waarop het kanaal zou zijn aan te leggen om
het best aan het doel te beantwoorden, gewerd spreker na terugkeer de uitnoodiging van den Raad van Bestuur om een en ander over de werken in verband met de voltooiing van den aanleg van het Panamakanaal mede te deelen.
Gaarne daaraan voldoende, ontveinst spreker zich niet de moeilijkheden van die taak, vooral ook wegens haar omvang, die er als vanzelf toe noopt het onderwerp te verdeden in hoofdstukken. Zoo komen achtereenvolgens aan de beurt: Een kort overzicht van de lange voorgeschiedenis; een beschrijving van wat de Franschen aan dit werk hebben gedaan; een uiteenzetting van de wijze waarop de Amerikanen in deze zaak gekomen zijn en waarom; beschrijving van het Amerikaansche ontwerp; beteekenis van en eischen voor het kanaal in technisch, mercantiel, militair en politiek opzicht.
Spreker kan dat alles in den beschikbaren tijd slechts behandelen in groote trekken, hetgeen hij deed aan de hand van teekeningen en kaarten, waarvan enkele der eerste zeer groot en duidelijk. Wat in Amerika door de commissie was ontvangen was slechts bestemd voor klein comité en niet geschikt voor een voordracht in een groote vergadering.
Sedert de vierde reis van Colcmbus naar Amerika in 1502 is er al sprake geweest van een doorvaart van den Atlantischen naar den Grooten Oceaan, waarnaar men toen, nog niet gissende een „nieuwe wereld': te hebben gevonden, bepaaldelijk zocht, en reeds Kabel V gelastte in 1534 bij Keizerlijk besluit de opneming door deskundigen. Daarop volgt een lange periode van stilstand, totdat in de 18e eeuw het idee herleeft en in het begin der 19e eeuw de eerste bepaalde stoot daaraan wordt gegeven als gevolg van den opstand der Midden- en Zuid-Amerikaansche volkplantingen tegen Spanje; zoo werd o. a. reeds in 1830 tusschen de Republieken van Centraal-Amerika en een combinatie van Nederlanders een overeenkomst gesloten en door het Congres goedgekeurd, welk ontwerp echter strandde.
Spreker vraagt, wie iets naders omtrent die Nederlanders kan mededeelen.
Reeds van toen af dagteekent, dat de Vereenigde Staten gelijke rechten van doorvaart door een aan te leggen kanaal als andere volken reclameerden.
Voorgoed was de aandacht van de V. S. op dit belang gevestigd na den afloop van den Mexicaanschen oorlog (1846—1848), toen de V. S. de Stille Zuid-Zee bereikten. Verschillende tracé's werden ontworpen door onderscheidene commissies, totdat in 1876 de Interoceanic Canal Commission
rapporteerde ten gunste van een Nicaraguakanaal na een onderzoek van alle (19) tracé's. De aanleg van den Panama Rail-Road, die in 1855 gereed kwam, had dus de belangstelling voor de doorgraving van Centraal-Amerika niet gedoofd.
Middelerwijl had de Fransche luitenant ter zee Wyse, eveneens in 1876, van Columbia een concessie gekregen voor een Fransche Maatschappij voor een kanaal door de landengte van Panama op voorwaarde, dat de wijze van aanleg zou worden bepaald door een internationaal congres van deskundigen. Dit congres kwam in 1879 te Parijs bijeen en besliste ten gunste van de Panama-route en een open kanaal.
Van nu af volgen allerlei door spreker beknopt uiteengezette handelingen, zoowel van Amerikaansche als van Fransche zijde, elkaar afwisselend op, met dit onderscheid echter, dat waar de loop der gebeurtenissen de werkzaamheid van Fransche zijde steeds meer verlamde, het belang voor Amerika steeds grooter werd om de hand op de zaak te leggen, totdat de ervaring opgedaan in den oorlog met Spanje (1898)
den laatsten stoot gaf aan het streven daartoe. De na dien oorlog aanvaarde en te vervullen rol van groote mogendheid dwong de Unie steeds meer in die richting. Door het vooropzetten van het Nicaragua-plan door de IsthmianCommission van 1899—1901, werd de veeleischendheid aan Fransche zijde gedrukt, en nadat op dit punt overeenstemming was verkregen, hetgeen tevens beteekende frontverandering van de Isthmian-Commission, kwam de Panama-revolutie van 3 Nov. 1903 Amerika te hulp om de onhandelbaarheid van Columbia buiten geding te stellen. Op 4 Mei 1904 heeft ten slotte de overneming van de kanaalwerken door de regeering van de Vereenigde Staten plaats, hetgeen spoedig na de voltooiing van het werk een wereldgebeurtenis van de grootste beteekenis zal blijken te zijn.
Spreker komt nu meer in bijzonderheden bij de beschrijving van de kanaal-ontwerpen van de oude Compagnie, van de Compagnie Nouvelle en van de bovengenoemde Isthmian Canal Commission, om daarna te komen tot het oordeel van