M 18.

214

den Consulting Board. Bij alle in het kort door hem toegelichte ontwerpen deden zich voor de groote vraagstukken van de Chagres, een rivier van zoodanig vermogen dat zij niet in het kanaal-tracé kon worden opgenomen, als gevolg waarvan de aanleg noodig is van een meer tot berging van water in tijden van overvloed en tot voorziening in te kort in tijden van schaarschte, en dat van de doorgraving van de Culebra, den door het kanaal te kruisen bergrug van de Andes bergketen.

De commissie was in haar oordeel niet eenstemmig; een minderheid was voor een sluizenkanaal, dat 140 millioen dollars zal kosten, terwijl de meerderheid, tot wie de vijf Europeesche leden behoorden, al werkende tot de vaste overtuiging is gekomen, dat alleen een open kanaal voor Amerika's doeleinden past, waarvan de kosten worden geraamd op 247 millioen dollars en de duur van den aanleg op 12 a 13 jaar. Uitvoerig stelt spreker de voordeelen daarvan in het licht, vooral den nadruk leggende op de eischen, die aan de capaciteit van het kanaal zullen worden gesteld en waarvan men zich eigenlijk nog geen voorstelling vermag te maken.

In den loop der voordracht gaf spreker uiting aan zijn sympathie met de gevoelens van de Fransche ingenieurs in de commissie, die meermalen herinnerd werden aan wat Frankrijk hier heeft moeten verliezen in vergelijking met wat het had kunnen hebben: een wereldbeheerschende positie. Grooten lof en hulde brengt spreker den Franschen vakgenooten, uit wier rapporten en ter plaatse verrichten arbeid blijkt met hoe groote en degelijke kennis door hen is gewerkt, hetgeen ook aan Amerikaansche zijde gaarne en ten volle wordt erkend. Het oorspronkelijke Panama-tracé der Franschen is in hoofdzaak steeds behouden gebleven; alleen aan de beide uiteinden, bij Colon en bij Panama heeft de internationale commissie een afwijking voorgesteld, waarop echter met het oog op defensie-belangen nog niet is beslist voor zooveel de wijziging bij Panama en de plaats der getijsluis aan die zijde betreft.

De president betuigde spreker aller grooten dank voor de voordracht, daarbij een beroep doende op sprekers kennis van en belangstelling in de zaak, om bij haar verdere ontwikkeling het Instituut op de hoogte te houden.

Het eenig voorgedragen lid, de heer A. van Oven Jr. t., werd als zoodanig toegelaten.

Uit het Koloniaal Verslag van 1905.

NED. OOST-INDIË.

(Vervolg van bladz. 186) Boschwezen.

Uit. 1904 was het technisch personeel van het boschwezen : 1 hoofdinspecteur (chef van den dienst), 3 inspecteurs (van wie 2 belast met de controle op het beheer, terwijl de 3de als chef der inrichtingsbrigade werkzaam was), 29 houtvesters (van wie 5 met verschillende opdrachten en 24 met het beheer der boschdistricten op Java en Madoera belast), 1 adspirant-houtvester, 5 adjunct-houtvesters der '1ste klasse en 22 adjunct-houtvesters der 2de klasse.

Het opzieners- en opnemers personeel bestond uit 54 opzieners, 31 leerling-opzieners, 10 opnemers, 1 leerling-opnemer en 24 mantri'sopnemers.

De uitgestrektheid der djatibosschen op Java en Madoera bedroeg uit. 1904 643.830 H.A. (643 818 H.A. uit. 1903), met uitzondering van de niet op te geven uitgestrektheid in een deel van Soerakarta en in de res. Bantam, Djokjakarta en Madoera.

De uitgestrektheid, die gedurende het cultuurjaar 1903/1904 met djati werd beplant, bedroeg 6319 H.A. (gedurende 1902/1903 6007 H.A.)

Aan de cultuur van caoutchouc leverende boomen werd in het cultuurjaar . 1904/1905 groote uitbreiding gegeven, terwijl nog tal van andere wildhoutsoorten aangeplant werden, meestal met bevredigend resultaat.

De totale oppervlakte der in 1904 uitgedunde plantsoenen bedroeg 11.442 H.A.

De voortgang van de werkzaamheden aan de definitieve boschinrichting werd merkbaar belemmerd door gebrek aan geoefend en behoorlijk onderlegd ondergeschikt personeel, daar het onvermijdelijk was enkele adjunct-houtvesters der 2de klasse door andere titularissen, zonder technische opleiding, te vervangen.

De gezamenlijke lengte der meetlijnen in 1904, zonder bijrekening der hermetingen, was 9979 K.M. (6257 K.M. in 1903). De opgemeten uitgestrektheid bedroeg 30.452 H.A. blijvend boschareaal en 7775 H.A. buitenterreinen (resp. 40.798 en 7594 H.A. in 1903). Dat in 1904een geringere uitgestrektheid is gemeten is toe te schrijven aan de zeer onregelmatige grenzen der opgenomen bosschen en het groot aantal daarin gelegen enclaves en aan de omstandigheid, dat 3 meetploegen moesten overgaan naar nieuwe terreinen, waarvan de verkenning, zoo¬

mede de voorbereidende maatregelen, veel tijd en werk kostten. Voorts werd, ten behoeve van het beheer in 4 boschdistricten, een oppervlakte van ± 12.000 H.A. aan leegkap- en zuiveringsperceelen, zoomede een belangrijke uitgestrektheid aan culturen opgemeten. Naar schatting kan de tot uit. 1904 verrichte arbeid gelijk worden gesteld aan volledige opneming en kaarteering van ± 287.000 H.A. bosch, of ± 4/9 van de totale oppervlakte der djatibosschen op Java.

In de complexen Oost-Tegal, Zuid-Soelang en Grobogan — Oendahan zijn beschrijvingen opgemaakt van 347 vakken, verdeeld in 800 subvakken.

De proeven met natuurlijke verjonging in eenige proefperken in de boschdistricten Blora en Kedewan werden voortgezet, doch voerden tot dusver niet tot het gewenschte resultaat. Voor de taxatie van het uit de djatibosschen te verkrijgen hout wordt bij voortduring gebruik gemaakt van de door den inspecteur, chef der inrichtingsbrigade, samengestelde houttabellen, die over het algemeen bevredigende uitkomsten opleveren.

Hoewel, ten gevolge van de aan verschillende ondernemers gedane belangrijke concessiën, de geldelijke uitkomsten van den dienst beneden de raming bleven, waren zij toch aanmerkelijk gunstiger dan in 1903. Het batig slot bedroeg f 1,439.218 tegen f 993.858 over 1903.

UIT ONS PARLEMENT.

Overdracht van het Aar- en Amstelkanaal aan Noord- en Zuidholland.

Nadat de betrokken Provinciale Staten en het Heemraadschap van den Amstel en den Nieuwen Amstel daaraan reeds hunne goedkeuring gehecht hebben, is thans een wetsontwerp bij de Staten-Generaal ingediend tot bekrachtiging eener overeenkomst met genoemde lichamen tot afstand door den Staat van zijn eigendomsrechten op het Amstel-Aarkanaal en bijbehoorende werken ten behoeve van Noord- en Zuidholland.

In 1823 heeft het heemraadschap, ter voorziening in een goeden vaarweg van Amsterdam naar den Rijn, op zich genomen den Amstel, de Aar en de Drecht bevaarbaar te maken voor grootere schepen en vaartuigen, dan daarop tot dusver konden worden toegelaten. Ten einde het heemraadschap daartoe in staat te stellen werd het gemachtigd een leening van f 500.000 aan te gaan, terwijl het recht verleend werd tot heffing van tollen en gabellen, tot dekking der onderhoudskosten alsmede van de rente en aflossing van op te nemen gelden.

Aan deze regeling lag het voorbehoud ten grondslag, dat de onderneming na afloop der aangegane negotiatie aan het Rijk zou vervallen.

Indien de loop van zaken geweest ware, zooals men zich dien destijds schijnt te hebben voorgesteld, zou alzoo het Rijk, zonder daarvoor zelf uitgaven te doen, na zeker tijdsverloop een verbeterden en voor het grootere verkeer geschikten vaarweg van Amsterdam naar den Rijn hebben verkregen. Echter bleken de onderhoudskosten en de opbrengst van tollen en gabellen tegen te vallen, zoodat al zeer spoedig een Rijkssubsidie noodig was.

Een blijvende vermindering der tolgelden werd veroorzaakt dooide droogmaking der Haarlemmermeer. De ringvaart toch van den Haarlemmermeerpolder bood een veiligen weg voor de scheepvaart naar Amsterdam, welke het voordeel had buiten deze gemeente weinig of niet belast te zijn, ten gevolge waarvan de. scheepvaart op het Amstel—Aarkanaal sterk achteruitging. 'Verder kwam in 1892 het Merwedekanaal gereed, dat geheel tolvrij is, waardoor het heemraadschap in nog grootere financiëelo moeilijkheden kwam.

Na verschillende te vergeefsche pogingen om tot een oplossing' te geraken, en nadat het bestuur van het heemraadschap meermalen reeds verklaard had wegens het stijgend tekort op de jaarlijksche administratie, ondanks een niet dan schraal onderhoud der werken, niet langer tot vervulling zijner taak in staat te zijn, is thans de volgende regeling getroffen.

Het beheer en onderhoud der werken betreffende het Aar- en Amstelkanaal wordt van af 1 Januari 1906 van het heemraadschap overgenomen door Zuidholland en Noordholland, met dien verstande dat de Nieuwe Amstelsluis c. a. en alle ten noorden daarvan gelegen werken in beheer en onderhoud overgaan aan Noordholland en wat ten zuiden daarvan is gelegen aan Zuidholland.

Voor het gebruik van deze werken zullen nimmer tol-of sluisgelden worden geheven; mitsdien vervallen een aantal thans bestaande heffingen.

De Staat neemt over of doet tegen kwijting te niet: lo. de geldleening ten laste van het heemraadschap, per resto groot f147.500; 2o. eenige uit verschillenden hoofde verschuldigde uitkeeringen aan het Domein en aan Gouda tot een totaal van f 3500 per jaar.

Van af 1 Januari 1908 blijft het heemraadschap alleen nog belast met die verplichtingen, welke voortspruiten uit zijn oorspronkelijke instelling vóór 1823.

Jaarlijks keert de Staat aan Zuidholland en Noordholland uit f 38.750, te verdeelen in de reden van 212 voor Zuidholland tot 275 voor Noordholland. Dit bedrag is de vergoeding der bate, welke door de afschaffing van bovenbedoelde tolheffingen verloren gaat.