M 18.

324

J. W. WELCKER.

Veertigjarige ambtsvervulling 1867—1907.

(Met portret.')

Op 1 Mei heeft de inspecteur-generaal van den Rijkswaterstaat Johan Wilhelm Welcker te 's-Gravenhage het feest van zijn 40-jarige ambtsvervulling in stilte gevierd. In bijna alle andere vakken van dienst maakt men van zulk een gebeurtenis veel ophef, in het vak van den heer Welcker is dit geen gewoonte, en bovendien zou het niet met het eenvoudige karakter van den jubilaris gestrookt hebben. Wij achten het desniettemin gewenscht, naar aanleiding van dit feest een kort levensbericht aan Welcker te wijden.

Hij werd 2 December 1845 te Arnhem geboren. Zijn vader, de heer R. Welcker, geboren te Neuwied in de Rijnprovincie, begon zijn loopbaan als employé bij de heeren Andres en

Naar de photo van Harbis Ewing te Washington D. C.

van Embden, een groote exportfirma te Arnhem, en werkte zich door bekwaamheid en ijver op tot lid dier firma. Het was voor hem wel eenigszins een teleurstelling, dat zijn eenige zoon niet in zijn firma, die omstreeks 1860 zeker gemakkelijker dan met een dergelijke zaak thans het geval zou zijn, uitgebreid had kunnen worden, wenschte opgenomen te worden, teneinde hem later op te volgen, maar dat hij zich meer tot de wetenschap aangetrokken voelde. Hij wilde de keuze van zijn zoon echter niet tegenwerken, en zoo werd Welcker op den bijzonder jeugdigen leeftijd van 15'/2 Jaar in 1861 student aan de Delftsche Akademie. Door de wijziging in het studieplan bij de vervorming van Akademie in Polytechnische School werd door allen, zoowel die voor Indisch ambtenaar als voor ingenieur studeerden, een vol jaar verloren. Men begrijpt welk een kwaad bloed dit zette, en daaraan is o. i. de mindere populariteit bij de studeerende jongelingschap van dien tijd van den nieuwen directeur Cohen Stuart, overigens een volijverig, bekwaam en gemoede¬

lijk man, toe te schrijven. Dientengevolge werd het eindexamen der Polytechnische School eerst in 1866 afgelegd. Daarna volgde in het laatst van 1866 het vergelijkend examen voor den Rijkswaterstaat, waarvan het gevolg was dat Welcker bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 11 Febr. 1867 met ingang van 1 Mei d. a. v. benoemd werd tot surnumenair van den Waterstaat. Met denzelfden datum werd hij toegevoegd aan den inspecteur in de 2e inspectie, terwijl hij met 1 Oct. d.a.v. werd toegevoegd aan den ingenieur van Opstall te Gorinchem en hem werd opgedragen de tot diens dienst behoorende vorming der Nieuwe Merwede. Dit werk was zeer omvangrijk; er waren onder zijn toezicht tal van bagger- en dijkwerken in uitvoering, en het is zeker voor een belangrijk deel aan zijn werkzaamheid gedurende 51/2 jaar te danken, dat met de vorming dezer rivier het doel, de verlaging der waterstanden in de Merweden en het benedengedeelte der Waal, vooral tijdens hoog opperwater en ijsgang, volkomen bereikt werd. Tot 1 Mei 1870 was zijn chef de ingenieur van Opstall, van laatstgenoemden datum tot April 1873 was dit de ingenieur van der Toorn.

Op laatstgenoemden datum werd Welcker naar 's-Gravenhage overgeplaatst bij den algemeenen dienst, waaraan tegelijk werd geplaatst de hoofdingenieur Rose, tot dien tijd te 's-Hertogenbosch. De bedoeling dezer plaatsingen was de voorbereiding der inrichting van een afzonderlijken tak van dienst, het rivierbeheer. Op 1 Jan. 1875 werd dit afzonderlijk beheer ingevoerd, met vijf arrondissementen, waarbij later een zesde is toegevoegd. Deze tijd was voor het huiselijk leven van Welcker een tijd van zware beproeving, daar zijn huwelijk met Mej. Coster van Voorhout na korten tijd door haar overlijden gevolgd werd. Gelukkig vond hij eenigejaren later in Mej. C. de Wit een levensgezellin, aan wie hij thans bijna 30 jaren verbonden is, en die hem vijf kinderen geschonken heeft. Een hunner is het medelid van het Kon. Instituut van Ingenieurs R. Welcker c. i., eerst in Perzië en in Egypte, thans in Noord-Amerika als ingenieur werkzaam; een ander, A. Welcker, student in de medicijnen te Leiden, heeft reeds de aandacbt op zich gevestigd door een werk over de opleiding der Zuid-Afrikaansche jongelingschap aan onze universiteiten.

De Haagsche tijd was buiten zijn drukke betrekking (daar de rivierdienst, die tot dien tijd op onlogische wijze over allerlei arrondissementen verdeeld geweest was, geheel georganiseerd en daarin eenheid gebracht moest worden) gewijd aan onderzoek van archieven op waterstaatsgebied. Toen Rose met 15 Aug. 1878 naar 's-Hertogenbosch verbannen was, en door van der Toorn werd opgevolgd, werd Welcker tegelijk geplaatst onder den inspecteur in alg. dienst Caland. Wij zullen niet nagaan of er verband bestond tusschen deze beschikking en het feit dat hij vroeger 3 jaar onder den heer van der Toorn gediend had. Als vrucht van de verandering van werkkring meenen wij te mogen signaleeren het klassieke werk, in 1880 uitgegeven: „De Noorder Lekdijk bovendams en de doorsteking van den Zuider Lekdijk bij Culemborg 1803—1813". Hierin wordt, behalve de geschiedenis van dit onbekookte plan van den grooten Blanken, een uitvoerig overzicht van den oorsprong van den Rijkswaterstaat gegeven, dat tot heden onovertroffen is, en worden rivierkundige beginselen ontwikkeld, die den toets der tijden hebben doorstaan.

In 1879 werd door hem met de heeren J. Kuijper, Bouman, Plantenga en de Bas de afdeeling Nederland van het Aardrijkskundig Genootschap opgericht; hij was de eerste secretaris. Van zijn hand is in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap een beschrijving der inpolderingen, in ons vaderland in de laatste tientallen jaren tot stand gebracht, met een kaart der gewonnen polders.

Met 1 April 1881 werd Welcker tot arrondissementsingenieur te Alkmaar benoemd. Wat zijn werkzaamheid aldaar betreft, kunnen wij verwijzen naar hetgeen de heer van Foreest in de Tweede Kamer zeide op 23 Dec. 1903. Deze heer zal zeker niet verdacht worden van groote neiging om iets vriendelijks over den Waterstaat te zeggen.

Tijdens zijn verblijf te Alkmaar werd aan Welcker in 1885 gedurende een half jaar verlof verleend om met den inspecteur P. Caland een reis te maken naar de Braziliaansche provincie Rio Grande do Sul, ten einde de mogelijkheid van een blijvende verdieping van de rivier van dien naam te onderzoeken. In de vergadering van het Kon. Instituut van Ingenieurs van 13 April 1886 heeft Caland hierover een mededeeling