1-1-1937

De Ingenieur no. 1. Algemeen gedeelte 1.

A. 7

Bekend zal zijn, dat uit de opbrengst van het bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber in Nederlandsch-Indie worden betaald o.m. kosten, verbonden aan maatregelen tot bijzonderen steun ten behoeve van de bevolking in de rubberproduceerende

streken, in welk verband DeiangnjKe uijui^.i voor het uitvoeren van werken, als aanleg van wegen, irrigaties, enz. Onder de genomen maatregelen of nog te nemen maatregelen zijn er bovendien verschillende, welke regelmatig wederkeerende uitgaven ten gevolge zullen hebben. Het Rondere uitvoerrecht zal met ingang van 1 Januari 1937 verdween.

Daarom wordt het wenschelijk geoordeeld de voor bovenvermeld doel bestemde gelden voortaan afzonderlijk, afgescheiden van de algemeene Lands geldmiddelen, te beheeren, waartoe is ingediend (19 Dec.) een ontwerp van wet tot Instelling van een rubberfonds (bijlage 288), in welk fonds gestort zullen worden gelden, afkomstig uit het bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber (thans geaccumuleerd en gereserveerd) tot zoodanige bedragen, als bij de begrooting van Nederlandsch-Indië zal worden vastgesteld.

Ingediend is (21 Dec.) een ontwerp van wet tot Wijziging Motorrijtuigenbelastingwet en wet .van den 6den Ocïober 1934 (Staatsblad No. 534) tot ^stelling van een Verkeersfonds, inzonderheid met het o-og op het belang der tertiaire wegen (bijlage 290), met hetwelk beoogd wordt een (voorloopige) oplossing te geven aan het urgent geachte vraagstuk der financiering van de verbetering en het onderhoud van tertiaire wegen, waaronder verstaan worden wegen met een eenigszins belangrijk motorverkeer en niet voorkomende op het Rijks- of een provinciaal wegenplan. De volgende grondslagen zullen daarbij in acht worden genomen: a Van de opbrengst der motorrijtuigen- en rijwielbelasting, na aftrek van de in 1935 ingevoerde verhooging van eerstgenoemde belasting ,wordt 10 % beschikbaar gesteld ten behoeve van de tertiaire wegen, waarvan de helft komt in mindering van het Rijksaandeel en de helft in mindering van het aandeel van de provinciën gezamenlijk.

b Het ten behoeve van de tertiaire wegen beschikbaar komende bedrag wordt tusschen de provinciën onderling verdeeld naar evenredigheid van de opbrengst der motorrijtuigen- en rijwielbelasting in elk der provinciën.

e \an de provinciale besturen wordt vrijheid gelaten ten'aanzien van de wijze, waarop zij de gelden ten behoeve van de tertiaire wegen wenschen te besteden.

Hoewel het wetsontwerp in de eerste plaats beoogt voorzieningen te treffen in het belang van de tertiaire wegen zijn daarin met het oog op eenige gebleken leemten enkele bepalingen opgenomen in afwachting van een algemeene herziening ter geraking tot een gewijzigde verdeeling der beschikbare gelden over de Rijks- en de Provinciale wegenplannen.

generaal-majoor der Genie van het Koninklijk Nederlandsch Indische leger; ir. W. W. E. von Hemert, ingenieur van den Rijkswaterstaat in bijzonderen dienst en ir. G. L). ANDRé de la Porte, ingenieur van den Rijkswaterstaat.

PERSONALIA.

Ir H van Heust, is met ingang van 15 December 1936 benoemd tot mede-directeur der N.V. Inkoop-centrale te

Amersfoort. . ,

Ir D Braggaar, voorheen ingenieur bij de Koninklijke Fabriek F. W. Braat N.V. te Delft is met ingang van 1 Januari 1937 benoemd tot bedrijfsleider bij Diepenbrock en Reigers N.V. te Ulft.

Ir P J. den Haan, is met ingang van 1 Januari 1937 benoemd tot ingenieur bij de N.V. Philips Gloeilampenfabrieken te Eindhoven.

Per „Jan Pieterszoon Coen" (23 December 1936 van Amsterdam) zijn volgens de passagierslijst naar ISed.-lndre vertrokken: ir.' P. L. Faüel, directeur der N.V Unie van Ijsfabrieken; ir. A. van Hoek, sectie-chef der Banka-tinwinning- ir. J. W. le Nobel, ingenieur bij de Bataalscne Petroleum Maatschappij; ir. K. J. H. Stigter, ingemeur bü de Alg. Ned. Ind. Electriciteit Mij.

Per „Christiaan Huygens" (2 December 1936 van Batavia vertrokken) zijn volgens de.passagiers lijst m Europa aangekomen: ir. H. C. Duijster, ingenieur bij de Hollandsche Beton Maatschappij: ir. E. Keijthe ™ë™^h^™ Dienst der Staatsspoorwegen; ir. P. F A. von Wolzogen Kühr, hoofdingenieur, hoofd van Tractie en Mat. en Werkpl. der Staatsspoorwegen, buitengewoon lector aan de Technische Hoogeschool te Bandoeng.

OFFICIEELE BERICHTEN.

Bij Kon. besluit zijn benoemd:

tot reserve-eerste-luitenant bij de infanterie irs. B. G. Van Delden en A. G. Lutgerhorst;

tot reserve-eerste-luitenant bij de artillerie ir. W. Maas

t»eesteranus; . ... ,

tot reserve-eerste-luitenant voor speciale diensten bij de Genie irs. H. de Lange Dzn en J. C. D. M. Oelmeijer, resp. ingenieur en tijdelijk ingenieur bij de Genie;

tot reserve-tweede-luitenant bij de Genie irs. N. J. G. Ïeuken, D. A. de Groot, J. Stenger, J. P. A. Berben, •I. Zuurdeeg, T. Ferwerda, J. H. Driessen, E. J. Hoekstra, H. J. van Bethlehem, J- A. Beekman en C. Leger.

Bij Kon. besluit is ingesteld een Commissie van Voorbereiding van het in 1938 in Nederland te houden achtste internationale Wegencongres en zijn in die Commissie benoemd tot lid, tevens voorzitter, ir. W. G. C. Gelinck inspecteur-generaal titulair van den Rijkswaterstaat, lid Voor Nederland van de Permanente Internationale Vereeniging voor Wegencongressen; tot lid, tevens plaatsVervangend voorzitter, dr. ir. L. R. Wentholt, hoofd'ngenieur-directeur van den Rijkswaterstaat, hd voor Nederland van de Permanente Internationale Vereemging voor Wegencongressen en tot leden jhr. C. J. A. ReigersMan, hoofdingenieur-directeur van den provincialen waterstaat in Noord-Holland; L. C. van de Kasteele, gep.-

K^NJ^KLIJK~ INSTITUUT VAN INGENIEURS.

VGmyenh^g^Prin^e^

De Conrad's Premie uitgereikt aan prof. dr. G. Holst.

In de Instituutsvergadering van 22 December1) is de Conrad's Premie in den vorm van de gouden medaille met oorkonde, uitgereikt aan prof. dr. G_ Holst in tegenwoordigheid van zijn Echtgenoote, van de Commissie van Advies; voor de toekenning van de Conrad's Premie en van de bezitters van de Premie van 1921 en 1926, respectievelijk J. van Oldenborgii, en dr. ir. J. A. Ringers.

De President, prof. L. A. van Roven, gaf een bijzonder reliëf aan dit voor het Instituut gewichtige mo¬

ment, door de woorden, waarmede hij de uitreiking deed vergezeld gaan en welke luidden:

„De Conrad's premie werd bij uiterste wilsbeschikking van een der meest bekende oprichters van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, F. W. Conrad, ingesteld ter uitreiking iedere 5 jaar aan het gewoon of buitengewoon lid van het Instituut, dat gedurende dat tijdsverloop de beste verhandeling, memorie of ander geschrift in de werken van het Instituut zal hebben geleverd of de nuttigste vinding in het vak van den Ingenieur zal hebben medegedeeld.

In 1876 werd de Conrad's premie voor de eerste maal toeoekend en sedert dat tijdstip regelmatig tot een totaal van 12-maal uitgereikt; van de begiftigden zijn nog een drietal in leven. Het is mij een voorrecht hier twee leden van het Instituut te mogen begroeten aan wie de premie werd

i) De notulen van deze samenkomst zullen in een deivol gende nummers opgenomen worden.

Prof. dr. G. Holst.