De sprekende kerk

Wanneer wij de vraag stellen, hoe ons volk zich in de vijf oorlogsjaren gehouden heeft, is er, geloof ik, geen enkele reden voor enthousiasme, of zelfs maar voor tevredenheid. Heel wat rotte plekken zijn in deze jaren bloot komen te liggen en wij hebben aan ziel en lichaam ervaren, hoe ons volksleven door zelfzucht en eigenbaat, oppervlakkigheid en stuurloosheid verkankerd werd. Er is vrijwel geen mens gaaf door deze tijd heengekomen. Wij zijn allen geschonden en bleven allen ver beneden hetgeen men op grond van onze geloofsovertuiging en aan ons levensideaal van ons mocht verwachten.

Dit geldt niet het minst van de kerk. Het is de kerk in zekere zin meegevailen. Wanneer ik denk aan wat de kerk voor de oorlog in ons vaderland feitelijk betekende, sta ik nog altijd verbaasd over wat door de kerk tijdens de bezetting gesproken en gedaan werd.

Wanneer ik haar woorden en daden echter meet aan haar geloofsovertuiging en haar levensideaal, is er alleen maar reden om te zwijgen en mij te schamen. De kerk is ver en ver gebleven beneden, wat men van haar naar haar wezen, haar oorsprong en haar bestemming, mocht verwachten.

In een vergadering in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waar de verschillende gemeenten van de classis Amsterdam van de

Hervormde Kerk samen kwamen, zei Ds. Gravemeyer: „Indien wij gedaan hadden, wat wij hadden moeten doen, zouden wij hier geen van allen gezeten hebben.” Zo’n uitspraak kan een geestelijke zevenklapper en een al te vlotte schuldbelijdenis zijn, Dat was zij in de mond van den secretaris van de synode der Hervormde Kerk, die meer dan wie ook, weet, wat er in deze vijf jaar in de kerk omging, zeer zeker niet.

Gemeten aan de feitelijke situatie en gesteldheid van 10 Mei 1940, heeft de kerk meer gedaan dan wij ooit zouden hebben durven verwachten. Gemeten aan haar opdracht, heeft zij echter teleurgesteld en in menig opzicht gefaald.

Ik denk nu in het bijzonder aan de Hervormde Kerk. Wat konden wij van haar als kerk verwachten? Zij was voor 10 Mei 1940 geen belijdende kerk.

Er werd gepreekt, goed en slecht, reëel en irreëel, in het Hollands en in het Chinees, recht op den man af en volkomen tijdloos. Maar als kerk heeft de Hervormde Kerk voor. 10 Mei 1940 alleen maar bestaan. Dat was zo het geval vanaf 1816. Wat er onder ons volk en in de weteld ook gebeurde, de Hervormde Kerk sprak nooit, maar zweeg altijd. Dit zwijgen was geen goud, maar oud roest. De Hervormde Kerk heeft het volksleven en het wereldgebeuren slechts vergezeld met haar bestaan. Zij was op een hopeloze wijze verburger-

lijkt en gelijkgeschakeld. Haar Synode gaf nooit enige leiding, maar was uitsluitend een administratief orgaan.

Wat zouden wij van deze kerk hebben kunnen verwachten, toen de verschrikking van het Nationaal-Socialisme kwam?

Heel eerlijk gezegd: niets!

Het is vreselijk, dit te moeten uitspreken, maar het is de waarheid.

Daarom is het ondanks alles, zo bovenmatig merkwaardig, dat deze kerk, die van af 1816 nooit één enkel leiding gevend woord gesproken, maar langer dan een eeuw in alle talen gezwegen heeft, tot grote verwondering van allen, na 10 Mei 1940 haar mond open deed. en in een voor haar inderdaad gevaarlijke situatie woorden sprak, die aan ons volk richting, wezen en leiding gaven. Zij had zich van het gebeuren af kunnen maken met zakelijke stichtelijkheden. Zij had ook in haar zwijgen kunnen volharden. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft het Evangelie, het woord van God gepredikt, goed, reëel, recht op den man af en haar woord was niet tijdloos, maar zeer concreet betrokken op het concrete gebeuren van deze tijd.

Ik ontken niet, dat nationale motieven in dit alles een rol hebben gespeeld. Maar wie niet anders dan nationale motieven weet te onderscheiden, heeft toch het diepste motief, dat achter het spreken van de kerk werkte, niet onderscheiden.

Dit was onze voortdurende angst, dat de kerk alleen in deze uitzonderlijke tijd van oorlog en bezetting zou spreken, maar dat haar ontwaken tot het besef van haar opdracht bij de be vrij ding weer een einde zou vinden. Dan zou haar getuigenis wel enige betekenis voor ons volk in de oorlogstijd hebben gehad, maar het zou voor de kerk als kerk en ons volk als volk en voor de verhouding van beiden geen blijvende waarde hebben.

Het is mijn vaste overtuiging, dat velen, die het spreken van de kerk in de vijf jaren, die achter ons liggen, zeer hebben toegejuicht, nu het liefst zouden willen, dat zij maar weer zweeg.

Een sprekende, een getuigende, een belijdende kerk, die in haar spreken inderdaad de kerk van Jezus Christus is, in wier getuigen en belijden iets van de oude militia Chrlsti tot openbaring komt, is in de wereld, zoals wij die kennen, een lastig element.

Een zwijgende kerk is behoudend en reactionnair. Zij sanctionneert met of zonder vrome stichtelijkheden het bestaande. Niemand heeft last van haar.

Een sprekende kerk echter weet van haar opdracht en stelt al het bestaande onder de critiek van het Evangelie en het komende Godsrijk. Zij is de grote spelbreekster, omdat zij nooit tevreden kan zijn en mag zijn met het bestaande. Zij maakt ons allen onrustig en wekt ons op tot een heilige opstandigheid.

Een sprekende kerk is voor de machthebbers en voor allen, die het wereldieven zich willen laten ontwikkelen naar eigen weg en eigen wil, lastig en gevaarlijk.

Christelijk geloof is naar zijn wezen geen suikergoed en geen fondant, maar zout.

De sprekende, de getuigende, de belijdende kerk is het zout der aarde.

Zal de kerk in de komende jaren voor ons volk het zout zijn?

En wil ons volk en willen de leiders van ons volk, dat de kerk dat is?

Dat is de vraag, die voor de toekomst van kerk en volk beslissend is.

Dat is heel duidelijk gebleken, toen de kerk na de bevrijding haar woord sprak ten opzichte van het sociale leven.

J. J. BUSKES Jr.