meer Europeanen ten grave sleepte dan het getal dergenen bedraagt, die in al de bloedige oorlogen der Hollanders in deze landen door liet zwaard zijn omgekomen.

Toch maakt Bleeker, een van de verdienstelijkste beschrijvers van de geneeskundige topografie van Batavia, zich aan overdrijving schuldig, wanneer hij de stelling neerschrijft, dat „van af de tijden van derzelver stichting, „deze stad altijd beschouwd geworden is als eene der „ongezondste der wereld." ')

Deze bewering is evenmin juist als die, volgens welke Batavia volgens den zelfden schrijver „tegenwoordig" (dat was: in 1844) voor de gezondheid niet noodlottiger zou zijn dan zoo vele andere nabij de zee liggende steden in de keerkringsgewesten. Het vervolg mijner verhandeling zal den lezer stellig doen opmerken, dat Batavia zich in de latere jaren, en tot op den huidigen dag, met andere plaatsen vergeleken, door een ongunstigen gezondheidstoestand heeft onderscheiden.

Maar, zooals gezegd: het oude Jacatra heeft tijden gekend, toen hierover gansch anders werd geoordeeld.

De Gouverneur-Generaal De Carpentier rapporteerde in 1623, dat zoowel de Nederlandsche vrouwen als de mannen het te Batavia goed maakten. De kinderen, die de Hollanders bij Inlandsche vrouwen procreëerden, waren „coornhardt" en aardden even goed als dë naturellen van het land zelf, wat zij dan ook ten halve waren.

Het beleg van Batavia door den vorst van Mataram in 1628 bracht een omwoelen van den bodem op groote schaal mede. Door de belegeringstroepen werden loopgraven gemaakt, verschansingen opgeworpen. Toen de regenmoesson inviel, was de omgeving der stad grootendeels spoedig in een moeras herschapen. Runderpest brak uit. Goed drink-

') „Bijdragen tot de geneeskundige topographie van Batavia." Natuur- en Geneeskundig Archief voor Nederlandsch-Indië, jg. I. 1844; blz. 1.