38 loppeesum (Groningen). L. J, Bronsveld van Halten, pl, h. en vr, m. Groningen 7 Maart 1845 en 14 Sept. 1844. •T. F. Camphuis, m. et a. o. dr. Groningen 31 Mei 1843 en 17 Mei 1844. lossek (Overijsel). J. B. W. Kleinsehmit, pl. li. en vr. m, Leeuwarden 16 Nov. 1858 en 22 April 1862. L, J. Koek, m. et a. o. dr. Groningen 1 Juli 1851 en 26 Maart 1859. lünteeen (Gelderland). F, C, Van den Ham, m. et a. o. dr, Groningen 30 Juni 1849 en 9 November 1850. MAAESSEN (Utrecht). J. L. De Booij, pl. h. en vr. m. ’sGravenhage 1843 en 1839. J. B. Hoedemaker, pl. h. en vr. m. Utrecht 1843 en 1836. ST, MAARTEN (N.-Holland). J. Hanou, pl. h. en vr. m. Haarlem 12 Dec. 1846 en 20 Mei 1847. Maartensdijk (Utrecht). A. Goethart. maasbommel (Gelderland). J. Van Weezel, pl. h. en vr. m. ’s Hertogenbosch 13 Oct, 1830 en 9 Mei 1832. maasland (Z.-Holland). J. Vander Hoeven, arts. J. H. Kropff, pl. h. en vr. m. Arnhem 3 Nov. 1846 en 17 Juli 1847. MADE EN deimmelen (N.-Brabant). C. Gutteling, arts 5 Oct. 1869. makkinga (Ooststellingwerf) (Friesland). J. S. Terpstra, h. m. en arts Leeuwarden 19 April 1864, (als arts) 5 Juni 1866. MARKEN. J. C, Oostveen, pl. h. en vr, m, ’s Gravenhage 21 Nov. 1861 eu 15 Aug. 1862. maebum (Ferweradeel) (Friesland). S. D. Posthumus, pl. h. en vr. m. Leeuwarden 12 * April 1859 en 19 Juni 1860. maesum (Menaldumadeelj (Friesland). H. Reitama, pl. h. en vr. m. en arts Leeuwarden 20 Juni 1865, (als arts) 20 Sept. 1867. maeüm (Groningen). A. M. Geerling, pl. h. en vr. m. Dordrecht 5 April 1843 en 7 Aug. 1844. madeik (Gelderland). J. Borst, arts 17 Oct. 1873. MEDEMBLIK. W. Klots Schardan, pl. h. en vr. m. Haarlem 11 April 1838. meeden (Groningen). D. 3. Penon, m. et a. o. dr. Groningen 16 Dec. 1844 en 25 Juni 1845. meeekeek (Z.-Holland). B. H. van Nes, arts 6 Oct. 1874. meeen (de) (Utrecht). C. H. van Eichstorff, pl. h. eu vr. m. Utrecht 1857 en 1859. meeuwen (N.-Brabant). A. Boeser, pl. h. en vr. m. ’s Hertogenbosch) 14 Oct. 1835 en 25 Mei 1836. megen c. a. (N.-Brabant). H. C. Schoonbeek, m. et a. o. dr. Groningen 9 Dec. 1835 cn 14 Sept. 1836. melissant (Z.-Holland). A. Huineman, pl. h. en vr. m, Hcarlem 13 Maart 1837 en. 12 Nov. 1841,

ten. Zedelijk is hij dus verplicht zijn betrekking zoo spoedig mogelijk te verlaten, zoo hij gedwongen wordt tot afwijkingen in strijd met zijn eer en zijn plicht. Alle bevoegden, in welke betrekking zij ook staan tot eenige Nederlandsche apotheek, hetzij deze is ingericht voor bedeelden of buspatienten, voor armen of rijken, zonder eenige denkbare uitzondering, allen zijn schuldig, die de handen leenen aan welke afwijking ook bij het bereiden van eenig geneeskundig voorschrift. En meer dan dat. Hunne verantwoording strekt nog verder. Zij hebben ook toe te zien op den aard der geneesmiddelen, die zij gebruiken, of deze inderdaad beantwoorden aan de strenge eischen van onze Pharmacopoë. Zoo wordt hun werkkring een nuttige en dankbare, omdat hij boven vele anderen, kan doen deelen in het heerlijke voorrecht dat ieder eerlijk man zijn hoogste en beste goed noemt: de onwaardeerbare gemoedsrust uit ware plichtsvervulling geboren. En nu moge men spreken van ziekenbussen, die inde schrale belooning, die zij den apotheker uitreiken, de verzoeking tot allerlei afdwalingen in het leven roepen. Ik geloof er niet veel van. Het Amsterdamsche ziekenfonds is een model van inrichting, ik heb er vaak op gewezen, maar dat het zooveel meer betaalt dan ieder ander fonds, betwijfel ik zeer. De belanghebbenden trouwens zorgen daar wel voor en dat behoort ook zoo. Ziekenbussen zijn een zegen voor vele minder bedeelden en verdienen, in velerlei opzichten, onder alle philantropische inrichtingen van onzen tijd, waardeering en ondersteuning. Zij eischen bovenal goede harten en reine handen ter bereiking van het doel, dat beoogd wordt en ter vervulling van de opgelegde taak. De apotheker, die voor de vrijwillig aanvaarde ziekenbus, geneesmiddelen gebruikt van mindere hoedanigheid of zich afwijkingen veroorlooft bij de uitvoering der geneeskundige voorschriften voor die bus, verzaakt zijn plicht en bezoedelt zijn eer. De adsistent, die daartoe medewerkt, is even slecht als zijn patroon. Beiden zijn hun beroep onwaardig. De strijd, ik erken het, tusschen beurs en geweten moet zwaar zijn, maar ik acht bedelen minder onteerend dan lafhartigen diefstal, waar het de gezondheid van den medeburger betreft. Op ons terrein, ik hield het mijne jongelieden altijd voor oogen, moet niet geredeneerd worden over de meerdere of mindere noodzakelijkheid van hetgeen men vaak ineen geneeskundig voorschrift als volkomen overbodig of overdadig acht. De onverbiddelijke plicht van den apotheker, zoowel als van zijn adsistenten, eischt strenge uitvoering van de voorschriften des geneesheers, zoodra hij overtuigd is, dat én giften én vorm daar op naar eisch zijn in acht genomen. Dan houdt verder alle redeneering op en men dispenseert het beste naar plicht en geweten. Zoo opgevat is de levenstaak van den apotheker en zijn adsistenten inderdaad een nuttige werkkring, die het glimlachend schouderophalen van menig pessimist niet verdient. Zoo opgevat, eischt zij waardeering en achting en bovenal het onmisbare vertrouwen, dat geen apotheker kan ontberen. Amsterdam, 17 Sept. ’77. W. Stoedee. Ik kan den heer Stoeder stellig verzekeren, dat mijne berichten niet van adsistenten afkomstig zijn, want dan zou ik er geen acht op geslagen hebben, blijkens mijne correspondentie in het vorig nommer. Ik herhaal: de bron, die ze mij mededeelde, is zoo betrouwbaar, dat geen twijfel overblijft. En dan mag, m, i., geen consideratie ons terughouden om in ons speciaal orgaan onverbloemd de waarheid te zeggen, het eenige middel om het kwaad te stuiten, terwijl het door stilzwijgen het meeste gevaar loopt voort te woekeren. jieoft Naar aanleiding van het artikel //Apothekers van Ziekenbusben” voorkomende in het Pharmaceutisch Weekblad van 16 September 1.1. reken ik mij verplicht mijne collega’s iets onder het oog te brengen, waarmede ik mij reeds lang heb bezig gehouden, het vóór en tegen overwegende; ik bedoel n. m. de vereeniging //Bigen hulp en wel de daarin voorkomende zinsnede: //Aan allen wordt de gelegenheid verschaft aan zich zelven en //het gezin ziekengeld en begrafeniskosten, benevens geneeskun//dige hulp en medicijnen te verzekeren, en ook voor den iets //ruimer bezoldigden, doch thans van ziekenbussen uitgesloten

//geëmployeerde, zal fatsoenlijke gelegenheid geopend worden om //zich voor matige prijzen geneeskundige hulp te verschaffen.” Met groote ingenomenheid en belangstelling heb ik het stuk getiteld //Apothekers van ziekenbussen” gelezen en herlezen en ben het in alle opzichten met den geachten schrijver eens. Het zou mij geen moeite kosten om de daarin voorkomende feiten nog met een legio van meer of minder ernstigen aard te ver. meerderen of toestanden daarin geschetst aan te vullen enz., doch da», is de strekking niet van mijne beschouwing; ieder apotheker moet voor zich zelven maar weten of hij één of meelbussen bedienen wil en op welke wijze hij dat doet. Maar wel weet ik dat de ziekenbussen welig tieren en hoe langer hoe meer ontaarden en geheel iets anders geworden zijn dan wat men er oorspronkelijk mede bedoeld heeft; dat zij hoe langer hoe meer eene lucratieve betrekking worden voor directeuren ten koste van geneesheeren en apothekers. Meermalen heb ik apothekers hunne voorgangers hooren verwijten (om geen erger woord te bezigen), dat zij de behulpzame hand hadden geboden om die instellingen op te richten en te onderhouden, maar zelden heb ik collega’s aangetroffen, die trachten de bestaande toestanden tot hun oorspronkelijken vorm terug te breno-en ; veeleer gingen zij ijverig voort op den weg hun door hunne voorgangers aangewezen. Niet dat ik in principe tegen ziekenfondsen ben of een revolutionair, die de bestaande zou trachten omver te werpen, neen dat zij verre; er is wel degelijk een rubriek van menschen die daarin tehuis behooren, doch inde meeste zijn ook eene soort personen die daarin volstrekt niet behooren, en die indirect den directeur helpen bevoordeelen met datgene wat eigenlijk den geneeskundigen toekomt. Hier te ’s Hage is het een toestand, die aan het ongeloofelijke grenst. Naast verscheidene kleine fondsen heeft men hier de //Maatschappij tot Nut van ’t algemeen”, met eene eigen apotheek en de groote Maatschappij //Voorzorg,” waaraan enkele apothekers leveren, vervolgens de zoogenaamde //Heeren- en Mevrouwen-bos” genaamd: //Wij zorgen voor elkander,” een klein fondsje, doch het is geen zeldzaamheid dat de leden tevens lid zijn inde Witte of litteraire sociëteit en geabonneerd inde opera of comedie. Wanneer nu die leden iets bijzonders hebben, b. v. een ernstige patiënt of een nieuw geneesmiddel, dat uit de bus nog niet verstrekt wordt of een chemisch onderzoek, of eene Indische commissie, dan gebeurt het niet zelden dat daarmede een ander apotheker bevoordeeld wordt, dan hij die hunne recepten gereed maakt en meermalen is het mij voorgekomen, dat ik op die wijze de boter kreeg, die eigenlijk op de boterham van zulk een ongelukkigen confrater behoorde. ledere apotheker moet naar mijn bescheiden meening als het ware eene bus in zijn zaak hebben, namelijk men moet de patiënten rangschikken in oategoriën en de mindere man, dienstboden enz. moeten in particuliere apotheken even goed doch voor minder geld geholpen kunnen worden als een rijkaard, en dan is het opmerkelijk de dankbaarheid die men van den minderen man ontvangt, dat men hem zoo billijk geholpen heeft, eene dankbaarheid, die ik in apotheken, waaraan bussen verbonden zijn, nimmer heb waargenomen, want daar beschouwt men het, en feitelijk is het ook zoo, eene verplichting die de apotheker tegenover zijne leden heeft op zich genomen, terwijl in het door mij voorgesteld geval en patiënt en apotheker geheel vrij zijn. Na deze uitwijding zal ik zeer kort zijn. leder apotheker die dit leest zal begrijpen wat ik bedoel, namelijk dat ik hem toeroep : //wees voorzichtig met u te verbinden als apotheker aan eene nog op te richten maatschappij als de bovengenoemde.” Niet dat ik die maatschappij wil af keuren, of het nuttige en het goede dat er in is, wil verkleinen, geenszins; maar alleen dat gij voorzichtig zijt met het laatste wat gij nog bezit uit handen te geven, en indien gij het uit handen geeft, dat gij dan de bepalingen zoo voordeelig mogelijk voor uw stand maakt, ten einde niet naast de bestaande één in het leven te helpen roepen, die voor de tegenwoordige pharmaceuten allernadeeligst is en voor uwe opvolgers eene reden, om zich over hunne voorgangers te beklagen. den Haag, 17 Sept. '77. T. D. Yeijdag Zijnen Jk. (Zie vervolg in het Bijvoegsel).