tjes, die het bloed onophoudelijk inde longeellen aanhrengt, alwaar zij de zuurstof der lucht opzoeken , om ze in al de deelen des ligchaams te verspreiden , ten einde op verschillende graden de beginselen der dierlijke huishouding te verbranden. En welk eene toekomst opent zich voor de physiologische beschouwingen, wanneer wij deze zelfde celletjes der Mycodermen, in zieken toestand gebragt, door gemis aan voedsel of door andere omstandigheden, de verschijnselen der verbranding , waarvan zij de aanleidende oorzaak zijn, niet meer ten uitvoer brengen dan met eene vermindering van vermogen en onder vorming van nieuwe produkten. (l’lnstitut. 1862 no. 1467 p. 49.) Bruischmengsels; door Dr. H. Hager. Bruischmengsels die uit de hand in flessehen worden bereid, zijn mengsels in zulk eene verhouding uiteen biearbonaat en een zuur bestaande, dat het vrij gemaakte koolzuur inde geslotene flesch eene drukking van ongeveer 2y2—3 atmospheren uitoefent. Hoe kouder en meer bevrijd van dampkringslucht het water is , des te beter en vaster wordt door hetzelve het koolzuur opgenomen en terug gehouden. De beste en geschiktste bron voor het koolzuur in deze bruischmengsels is de bicarbonas natricus. Bruischmengsels vereischen of zoo veel zuur, dat een gering gedeelte van het bicarbonaat onontleed blijft, of dat het zuur in geringe overmaat aanwezig is. Moet er een overvloed van zuur in het mengsel zijn dan eigent zich het citroenzuur daartoe het best. Bicarbonas natricus , , 10 d. vordert aan Acidum citricum cryst. . 8 „ „ sulph. dil (1—5). 35 „ „ tartaric. cryst. . 9 „ Deze drie zuren zijnde gebruikelijkste voor bovengenoemd

139