genover de verticale spleet, waardoor het verstrooid daglicht inde kamer viel en gebruikte tot bepaling der lijnen van de alcoholvlam de door deze behandeling doorgevoerde Prauenhofer’sche lijnen van het zonnelicht. De schrijver voegde er tevens afbeeldingen der spectra bij, waaronder die van het koper, acidum boricum, nitras strontieus, chloretum calcicum en chloretum barycum bijzonder gekleurd waren. Dit nu was de eerste plaat, welke voor de spectraalanalytische beelden openbaar gemaakt is. De schrijver beschreef bovendien vele andere spectraal-beelden, zoo als die van chloretum natricum, chloretum manganicum en hydrargyricum en een groot aantal van metalen. Uit deze verhandeling van den schijrijver kan men dé volgende plaats als bijzonder opmerkelijk onder de aandacht brengen. „Het is van belang, in verbindipg met de beschouwingen over de absorberende eigenschap van den zondampkring op te merken, dat, wanneer zonlicht door eene vlam gaat, die duidelijke zwarte lijnen heeft, deze lijnen in het zamengestelde spectrum weder verschijnen, onder voorwaarde, dat het zonlicht niet te intensief is in betrekking tot de gekleurde vlam. Zulks neemt men goed waar inde door nitras strontieus rood gekleurde vlam en niet zoo volkomen inde groene vlam van chloretum cupricum. Het schijnt daarnaar, dat er lichtende dampkringen bestaan, waarin niet alleen zekere stralen ontbreken, maar die ook een positief absorberend vermogen voor andere stralen bezitten.” (De verhandeling van W. A. Miller is overgezet te vinden in Poggend. Annal. Bd. LXIX S. 404, 1846. Men vindt op de daartoe betrekkelijke koperplaat 12 verschillende spectra vandoor metaalzouten gekleurde vlammen in kleuren afgebeeld. Miller heeft, als men zijne spectra beschouwdt, niet geheel zuivere zelfstandigheden gebruikt. Zoo heeft hij onder anderen bij keukenzout, behalve de gele natriumlijn D nog eene indigo-blaauwe geteekend, welke in betrekking tot de door hem onmiddelhjk naast het keukenzout-spectrum afgebeelde strontium-spectrum zoo ver verwijderd staat van de blaauwe strontiaanlyn, dat men gelooven moet, dat Miller

217