stikstofhoudende stoffen putten, welke voor hunne ontwikkeling noodig zijn en eene zelfstandigheid achterlaten, welke door hare eigenschappen en zamenstelling de grootste overeenkomst bezit met de flminose. Behandelt men achtereen volgend een dood stuk lindenhout met eene alcalische oplossing van potasch, verdund zoutzuur en eindelijk kokend water , dan bekomt men als residu eene witte zelfstandigheid, welke aan de analyse onderworpen de zamenstelling

der cellulose en bovendien al de eigenschappen der fulminose bezit» Men zon echter op het eerste gezigt geneigd zijn deze twee zelfstandigheden niet voor identisch te houden. Behandelt men inderdaad het doode hout met ammoniak of zwavelzuur, zoo ziet men deze zelfstandigheid zwart worden, dat geen plaats heeft als men op fulminose werkt; maar dit verschil komt daar van , dat er in het doode hout verschillende zelfstandigheden zich bevinden die de cellulose vergezellen , zoo als onder anderen de sclérogène, waarop de mycodermische plant alleen zoodanig werkt, dat zij ze in zulk een’ staat van verdeeling brengt, dat het zwavelzuur en de ammoniak haar zeer gemakkelijk aantasten, onder vorming van zwart gekleurd produkt, dat eene flaauwe zure reactie bezit, en dat door verbinding met alcalien en bases zouten doet ontstaan, die alle zwart zijn en nu eens oplosbaar, dan weder onoplosbaar in water zijn. Wanneer men zich door op een volgende afwasschingen met water alcalisch gemaakt door potasch, vervolgens met zuur gemaakt water en eindelijk met alcohol, bevrijdt van al de zelfstandigheden die de cellulose zoowel als de draden der georganiseerde stof, die het hout in alle rigtingen doordringen vergezellen, verkrijgt men als dan eene zelfstandigheid die volkomen gelijkt op de fulminose en die niet meer door ammoniak en zwavelzuur zwart gekleurd wordt. De uiteengezette feiten geven ons ook eene verklaring zoo wel van de wijzigingen, die het hout ondergaat om in humus te veranderen en van de rol die deze laatste vervult inde nitrificatie. Van het plantaardig leven beroofd, wordt het weldra be.

382