Uit deze proeven besloot Calv er t, dat het ligchaam , dat men onder den naam van acidum phénicum enz. aanduidt, geen zuur, maar een neutraal ligchaam is, dat men als een alkohol beschouwen moet.

Quesneville heeft reeds laug geleden even als Ca 1- v er t de vooronderstelde phénates van potasch en soda als eene eenvoudige oplossing van acidum phénicum ineen alkalisch water en niet als eigenlijk gezegde zouten beschouwd , want even als het acidum phénicum in azijnzuur en in alkohol oplost, lost het ook op ineen alkalisch water en niets anders; er heeft hier geenerlei scheikundige verbinding plaats. Hij heeft eenige proeven genomen , welke bewezen hebben dat het alzoo geschiedt. Hij nam 30 grammen bijtende potasch en loste deze op in 80 grammen water. De oplossing teekende 17 graden op den zoutweger. In dit alkalische vocht bragt hij 60 grammen gekristalliseerd acidum phénicum, waarin het zuur oogenblikkelijk oploste. De zoutweger teekende toen 14 graden. Op nieuw werden 80 grammen acidum phénicum bijgedaan, welke eveneens er in oplosten, terwijl de zoutweger toen slechts 13 graden aantoonde, vervolgens met eene nieuwe hoeveelheid van 50 grammen, llVjj graden, en hij twijfelde er niet aan of eene nieuwe hoeveelheid acidum phénicum zou eveneens nog met behulp der in het vocht vervatte potasch hebben kunnen oplossen. Een roodgemaakt lakmoespapiertje in het vocht gedompeld, werd telkens als er eene nieuwe hoeveelheid acidum phénicum bijgedaan werd , op dezelfde wijze blaauw gekleurd. In deze 100 grammen potaschoplossing van 17 graden waren alzoo 190 grammen gekristalliseerd acidum phénicum in volkomen opgelosten toestand. Hierbij werden 900 grm. water gevoegd , en oogenblikkelijk werd het vocht troebel, waarbij eene oliachtige laag van acidum phénicum praecipiteerde. Deze laag werd afgezonderd en woog 105 grammen, terwijl de waterige oplossing 3 graden op den zoutweger teekende. Deze oplossing ineen afgewogen porceleinen schaal uitge-

381