gesmolten heeft, zoo bevat de vloeistof ook Joodoxyd-potaseh, en laat na verloop van eenigen tijd, zooals reeds Eremy gezegd heeft, eene meerdere of mindere hoeveelheid menie vallen. Tin, antimonium en platina worden geoxydeerd en lossen schielijk op. Goud schijnt niet aangetast te worden. Sommige der genoemde oplossingen laten het geabsorbeerde zuurstofgas bij bekoeling grootendeels weder varen, en spatten zichtbaar. Laat men bij voorbeeld in eene zilveren schaal 20 grammen potaseh bekoelen, die 10 grammen kalk houdt opgelost, zoo wordt een sterk spatten waargenomen, Doet men echter bij de vloeibare massa bij voorbeeld kopervijlsel, zoo heeft er geen spatten plaats, doch men bespeurt het dadelijk weder, als men de voldoende hoeveelheid zilveroxyd toevoegt. Dit verschijnsel schijnt te berusten op do vorming van kalium- of natriumsuperoxyd. Stelt men bij voorbeeld eene bekoelde oplossing van magnesia in alcali aan den invloed van vochtige lucht bloot, zoo vervloeit zij na verloop van eenige uren en geraakt in schuiming. Het ontwikkelde gas bezit al de eigenschappen der zuurstof, de massa verhoudt zich alzoo eveneens als eene die zeer veel kaliumsuperoxyd bevat. Kalkoplossing gedraagt zich evenzoo. Deze verschijnselen vertoonen zich minder bij oplossingen van niet aardachtige oxyden, en er schijnt eene zekere evenredigheid tusschen het voorhanden superoxyd en de oxyderende eigenschappen te heerschen. Gesmolten kaliumsuperoxyd (verkregen door inwerking van zuurstof op smeltende potaseh) verhoudt zich zeer overeenkomstig met deze oplossingen van aarden; zij lost zilver, koper, ijzer op, en oxydeert het loodoxyd zeer snel hooger, maar minder krachtig en slechts gedurende korten tijd. Dat de oplossingen der aardaohtige bases aanhoudender en krachtiger oxyderend werken, berust wellicht daar op, dat het ter oxydatie verbruikte superoxyd, onder den invloed der kalk enz. altijd weder op nieuw gevormd wordt. Het schuimen neemt men niet waar aan het kaliumsu-

292