wordt eene microscopische proef met sulphocyanetum kalicum opgegeven, die volgens den schrijver zeer gemakkelijk en zeer juist zou zijn. Volgens zijne opgave neemt men 1 onc gedestilleerd water, voegt hierbij 10 droppels verdund zwavelzuur (van de Britsche Pharm s/35) en voegt hierbij zooveel zwavelzure chinine als er in wil oplossen en filtreert door papier. Nu brengt men één droppel dezer oplossing op een glazen plaatje en voegt er één droppel bij eener oplossing van sulphocyanetum kalicum (180 grein in ll/2 onc water,) waardoor een precipitaat ontstaat dat men onder het microscoop beschouwt. De vorm nu der kristallen zou hier aantoonen of men te doen had met zuivere chinine, of wel met door chinidine en cinchonine verontreinigde. De gedaante dezer kristallen zijn in het genoemde tijdschrift afgebeeld. Bij het herhalen dezer proeven bleek het mij echter, dat het ónmogelijk is op deze wijze de onzuiverheid der chinine aan te toonen, daar men niet altoos dezelfde vormen verkrijgt en bij mengsels der alkaloïden de verschillende hoeveelheid van deze van grooten invloed op de gedaante der kristallen schijnt te wezen. Ik voor mij beschouw dus deze microscopische proef voor de pharmacie van geene waarde. Eene wijze van onderzoek, die uitstekend mag geheeten worden, die de schoonste resultaten geeft en die door hare eenvoudigheid onder het bereik van ieder met onderzoek eenigszins vertrouwden Apotheker ligt, en die door mij op de vergadering werd uitgevoerd , is aangegeven in het Zeitschrift für analytische chemie van Eresenius, eerste Jaargang bl. 150 „door Dr, G-. Kern er.” Zelfs een spoor van vreemde kina-alkaloiden wordt door deze proef inde zwavelzure chinine aangetoond. Kerner maakt gebruik van de eigenschap van de ammonia liquida om kina-alkaloiden uit chinine-oplossingen te precipiteren en door overvloed van ammonia wederom op te lossen. Chinine is in dit geval het gemakkelijkst oplosbaar in ammonia, chinidine en cinchonidine zeer moeielijk oplosbaar en cinchonine zoo goed als onoplosbaar. Nu staat de oplosbaarheid der kinaralka-

374