CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

193

van den artist: dat waaraan hij doende is, dat wat hij aan 't scheppen is. Eens af, glijdt het werk in het voorbije. Een jaar is genoeg soms om, wanneer men een werk weer ter hand neemt, te doen voelen dat het reeds oud is, niet meer zooals de artiest nu voelt in zijn ziel.

Ernest Hello zegde: „L'homme médiocre est toujours content de son oeuvre, l'homme de génie jamais," en „Le procédé du succes est de marcher avec les autres, le procédé de la gloire est de marcher contre les autres." Dat was mijn evangelie toen ik heel jong was.

Nu vind ik de beste formuleering in het volgende van Jean Cocteau: „II faut être un homme vivant et un artiste posthume."

Niet waar ? Zulke uitingen zijn kenschetsend voor de typeering van een scheppend kunstenaar; toetsen wij daarop naar deze ideeën zijn werken, dan staat zoo meteen de artist te voeten uit voor ons geteekend.

Arthur Meulemans was de eerste impressionist in Vlaanderen, de eerste die de artistieke stroomingen van buiten de grenzen van zijn vaderland als algemeen menschelijk en als verschijnsel van den tijd aanvoelde, en volgens zijn temperament en eigendommelijkheid verwerkte. Desniettemin is hij steeds sterk rasbewust gebleven, door en door Vlaming.

Ziehier hoe hij zich uitsprak in een rede te Antwerpen:

„Veel is er sedert Benoit bij ons veranderd in de verhoudingen en in de opvattingen, omdat wij een volk zijn dat weer gaan leven is en dat, ééns op de baan der ontwikkeling en der kuituur, ééns bewust van eigen levenskracht en levensmogelijkheid, instinctief een snelpas moest

aannemen op die baan Sterker dan

ooit staat daar de kwestie der taal gesteld; sterker dan ooit, in dezen tijd van internationalisme, is alles om de taal gaan bewegen, bij ons zoowel als in de andere

landen

De taal is het grootste bestanddeel in het standhouden van eigen geest en eigen

karakter in de muziek 't is door de

taal dat de kunstenaar in contact blijft met zijn volk, en moge zijn kunst nu vooral sinfonisch of instrumentaal, zelfs uitsluitend die beide geworden zijn, 't is door middel van zijn taal dat hij in de gemeenschap en dat de geest van zijn kunst afhankelijk van die gemeenschap blijft;

dat hij zelfs, indien hij boven zijn tijd staat of op zijn tijd jaren vooruit, toch de uiting blijft van de onbewuste, latente vitaliteit van de ziel van zijn ras.

.... De beteekenis van al onze Vlaamsche kunstenaars hangt aan onzen taalstrijd, en dat beteekent dat onze kuituur steeds in haar opgang ten achter gebleven is tegenover die der andere landen, daar eerst moest heropleven en heropbloeien de draagster der kuituur die is: de nationale taal. Eerst dan kon onze kuituur haar gang hernemen."

Arthur Meulemans was dan ook een dergenen die het gevaar inzagen der Benoit-nabootsing, zoolang getypeerd als „De Vlaamsche School". Hij voelde dat het genie-figuur van Benoit eenig was, op zich zelf staand, en daarom in zich een gevaar besloot voor zijn school, zijn leerlingen en zijn tijd en dat zijn sterke afstraling de evolutie in den weg stond.

„En i— zoo sprak Meulemans zich uit — daar is maar één middel tot redding mogelijk, doch dit vraagt zoo groot een krachtinspanning en zoo sterk een wil dat men het zelden ziet aangewend, en dat is : als leerling van een groot meester zich dadelijk bij het zich-zelf-worden gansch van hem afscheuren; werken uit alle kracht ter opbouwing van eigen principes, ter verheldering van eigen visie, ter verwerving van de eigene techniek, en dan: zijn eigen weg gaan."

Dit middel heeft Meulemans dan ook op zichzelf toegepast. Geboren te Aarschot op 19 Mei 1884, kwam hij als jongeling in de leer op de Kerkelijke Muziekschool van Mechelen, onder leiding van Tinei, „de neo-klassiek, de wroeter, de contrapuntist, die elke punt op de i wou... die werkte, afwerkte in een drang naar afgelijnde vormen en architectorale proportiën, die aanknoopen wilde met de groote klassieken, niets overliet aan de fantasie; groot man met groote kennissen... Tinei, die met zijne leerlingen op zoek ging naar opeenvolgende kwinten en octaven en dergelijke fouten tegen het heilig klassicisme". Deze typeering is van Meulemans zelf.

Doch ondanks dit rigorisme, en juist misschien als reactie daartegen, drong ook de klank van de universeele muziekstroomingen in de Mechelsche school door; Meulemans bv. leende met welgevallen het oor naar