dat de tonelisten daar niet veel voor voelden. Ongetwijfeld zijn er veel, de goeden niet te na gesproken, die het vers plegen te mis* handelen, te veel naar de betekenis zeggen en te weinig notitie nemen van maat en rijm. Van hun standpunt niet onbegrijpelijk. Maar het lijkt nu toch wel, alsof de verwaarlozing van het toneelstuk in verzen niet te wijten is aan een tegenzin van de acteurs zelf, en ik vermoed, dat ze eerder vrezen, dat het publiek er niet aan wil. Zeker is het, dat het dramatisch gedicht van Wilde, indertijd vertaald door Boutens! goed gezegd zowel als goed gespeeld werd door den verdienstelijken Palmers, door Loekie Broedelet en Leo den Hartog. Maar ook de keuze van het andere stuk was opmerkelijk. Het is een gruwelstuk van de aard dergene, die het Theater Grand Guignol te Parijs pleegt op te voeren, waar men heen gaat om eens te griezelen. We hebben bier meer proefjes van deze sensatie gehad: een krankzinnigengesticht waar de dokter zelf gek is, een man die door een dolle hond gebeten is en langzaam de dolheid voelt opkomen, opgesloten met zijn vader in een vuurtoren. Hier is een man geguillotineerd. De openbare aan* klager, die hem heeft doen veroordelen, is nadien gaan twijfelen aan zijn schuld: de man bleef zo hardnekkig ontkennen. Een professor beweert met electrische stroom de organen van een pasgestorvene nog weer te kunnen doen werken. Hij experimenteert nu op het afgesneden hoofd. Wij zien dat hoofd op een tafel voor ons. Het is een echt hoofd en behoort aan den acteur Tony van Otterloo. Zoals de lezer reeds heeft geraden is het niet echt afgesneden, de rest van den acteur zit er nog aan vast, is alleen niet zichtbaar. Van de oude kermis herinner ik me: Het levend, sprekend mensenhoofd. Er is niets nieuws onder de zon. Welnu, het griezelige van dit schijnbaar eenzame hoofd, dat allengs zijn starheid verliest en begint te leven en te spreken (het herhaalt tot ontsteltenis van den officier van justitie zijn betuiging van onschuld) speelt uitstekend. Het was inderdaad „eng". Tony van Otterloo had trouwens, daar straks, toen hij nog compleet was, zeer goed de vreemde gemoedstoestand, de zenuwachtigheid en hèt af* wezige van den ter dood veroordeelde gegeven, die nog maar enkele minuten te leven heeft, en de wijze, waarop hij een sigaret — zijn laatste — rookt.

Maar het is curieus dat acteurs, als ze nu eens spelen kunnen wat ze willen, zoiets kiezen, en men vraagt zich af: waarom? Is het mis* schien het verlangen naar de techniek van het spelen, het zuiver lichamelijke spelen, de mimiek, zonder dialoog en zonder geestelijke achtergrond? Hierdoor zou ook te verklaren zijn het dansen, dat men tegenwoordig zoveel ziet en dat eigenlijk vooral pantomime*spelen is, acteren zonder woorden. Dit dansen heeft niet alleen vele beoefenaars, het schijnt ook zeer graag gezien te worden. Is het een reactie op een te gewichtig doen met de middelen van het toneel, op expressionis* tische experimenten, enz.? Of zoekt de mimiek zonder woorden een terrein, nu de film is gaan spreken?

Het Hofstad*Toneel heeft intussen nog twee premières gegeven. De gevaarlijke Bocht van den Engelsen schrijver J. B. Priestley is een

418