TEYLERS MUSEUM: BEROEMD OM ZIJN ONBEKENDHEID de grote, statige deur van Teylers Museum achter de bezoeker wordt gesloten, kan deze zich even niet voorstellen, dat hij zich kort tevoren nog alle moeite heeft moeten getroosten een parkeerplaatsje te vinden aan de boorden van het Haarlemse Spaarne. Het is niet moeilijk de her- aan dergelijke gevolgen van de technische ontwikkeling der maatschappij van zich af te BcWden en zich te koesteren in de rustgevende achttiende eeuwse sfeer van dit gebouw. ~ daarin moet men zich echter niet vergissen. Wat te denken bijvoorbeeld van de enorme apparatuur, j|le daar in een der eerste zalen al te zien is: twee zeer indrukwekkend uitziende glazen schijven — gelagen door een rijk bewerkt romantisch meubel — met veel koperen bollen en staven: de grote elektri■ eermachine van Martinus van Marum uit 1785, die meer dan 1.500.000 volt kon (kan) ontwikkelen. miljoen voltin 1785! En dan te bedenken dat onze vaders of in ieder geval onze grootvaders nun- avonden nog hebben doorgebracht bij het licht van een petroleum- of gaslamp. QVERIGENg 2yn er ln de 17e en ged lBe eeuw zeer ve»e uitvindingen l9eaan' die Pas aan het eind van de von?a de 20-ste praktische toepassing elÜst als kunstwerken, ""er. , Waa-raan de natuur miljoenen ja- Ph»«kte* -Cj JBnn ook unieke fossielen, zoals 6ev0nAV* de -.Homo DUuvii Testis", faarnj. nin 1725 in Oening en: het beleert misverstand van de Duitse get cri(j 6 Scheuzer. In het begin der achtraai 6 eeuw wist men nog niet goed ir.etl me,; de herkomst van fossielen, Voi~ ?)e*nd« dat hun ontstaan een gedacht s van de zondvloed. Scheuzer een »' dat het door Bevonden fossiel ken deelte was — rugwervels en bek"•aaniT Van een Primitief menselijk gehet™!!?' en presenteerde het als „das der,, te Beingerüst eines alten Sün- Veie't?° ln der Sindflut ertrunken". •«ireej, 'heologen kwamen toen in het ge»ltej ' t°t een Franse paleontoloog het ToenVVerder uit de steen vrijmaakte. Schiir,. amen er twee poten tevoorgrote "let was net skelet van een v°or ,Salamandersoort. Wat Scheuzer de kn hekken had aangezien bleek °P van het dier te zijn. Uiter staat er onder meer een Sai6 ul3*6 gaaf skelet van een kolosze jjj, o^enbeer, een dier, waarmee oneen3 ae"historische voorouders nogal gen jJ1.06 ehnch moeten hebben gele- Van rt.et als inzet het woningprobleem «e dagen. . Goed voor de religie k 10verzichtje, samengevat in enin (U e e woorden, van wat er verder zieri . Wetenschappelijke afdelingen te *.chittS: een veelzijdige en alleszins *i*tseifrende verzameling mineralen — kun,jj en edelstenen — allerlei natuur-1 6 e^e demonstratietoestellen uit de ""tootJ1 de 18e eeuw waaronder een «toom"]\.eactor-wagentje (!) waarbij de dus geen machinerie in werking stelde, maar gebruikt werd in dezelfde functie als nu de straalmotoren. En niet te vergeten: optische instrumenten, zoals de refractor-kijker — gemaakt door J. v. Deyl en Zoon — voor die tijd, begin 19e eeuw, een zeer kostbaar geval. Deze dure aankoop praatte Van Marum, de toenmalige directeur van het Physisch Kabinet goed, door zijn mede-directeuren erop te wijzen, dat het kijken in de oneindige ruimte de religieuze gevoelens in hoge mate ten goede zou komen... Er is nog meer: een bibliotheek, die ongeveer 100.000 delen omvat en, eigenlijk een totaal onverwacht aspect, het 31-toons-orgel dat prof. dr. A. D. Fokker in 1950 ontwierp. Het staat in de boyenhal en er worden regelmatig concerten op gegeven. paar belangrijke namen: Michel Angelo (25 bladen), Rafael > (15), Rembrandt, Van Ostade, Watteau. Van Claude Lorrain bezit het museum niet minder dan 70 tekeningen en van de beroemde Haarlemse kunstenaar Hendrik Goltzius meer dan 90. De schilderijen betreffen voornamelijk werken uit de Romantische en Haagse School. Uit deze collectie wordt steeds een groep tentoongesteld. Teylers Museum is dus in vele opzichten een byzonder museum. Het is ons oudste museum, het is enig ln zijn soort, het heeft een sfeer, die men. nergens anders aantreft. Het lijkt alsof de tijd er heeft stilgestaan. Maar ze verbergt zich er slechts; tussen de vergeelde folianten in de bibliotheek bevinden zich de nieuwste publicaties op het gebied der moderne physica. Teylers Museum heeft nog een andere faam. Het is onbekend. Het is zelfs — en dat is een uitspraak van adjunctconservator J. H. van Borssum Buisman, die ons welwillend rondleidde — beroemd om zijn onbekendheid. Vandaar dat iedereen, iedereen er heen stuurt! O. KRUIS. Koningin Christina EN tenslotte de beeldende kunst. We kunnen in dit verband slechts enkele getallen en namen noemen: vierduizend tekeningen, waarvan de kern bestaat uit (een deel van) de collectie van Koningin Christina van Zweden, die in 1790 kon worden verworven. Een • Hiernaast: De prachtige „Ovale Zaal" an Teylers Museum. De zaal bevindt zich Praettech nog in dezelfde staat als op dit schilderij van de toenmalige kasteleyn-schil*•* Wijbrand Hendriks. • Hieronder: Pieter Teyler van der Hulst, de 18e eeuwse „amateur", die zich na zijn werk als koopman — hij dreef een grote laken- en zijdehandel — terugtrok in zijn kunstkabinet en zich daar bezig hield met de prenten, tekeningen, munten, penningen en boeken die later de kern vormden voor Teylers Museum. (Pastel van de schilder Jelgersma). --- M. Tiemens op bondscongres: Schoenbranche houdt geloof in toekomst (Van onze sociale redacteur) UTRECHT — Ook te de schoen- en lederbranche geeft de economische situatie allerminst reden tot Juichen. Voorzitter M. Tiemens heeft op het woensdag in Utrecht gehouden congres van de christelijke bond van schoenmakerspatroons niet de ogen willen sluiten voor het structuurbeeld van zijn ambacht op dit moment. Ondanks alle reden tot pessimlsims blijft de vakorganisatie geloven in de toekomst. Ze zal elke Individuele ondernemer steunen, die dit geloof deelt en die de bereidheid weet op te brengen risico's te aanvaarden. De heer Tiemens zei het fabeltje uit de wereld te moeten helpen als zou het eenmansbedrijf ten dode gedoemd en alleen de grotere bedrijfsvormen levensvatbaar zijn. Hoewel het daarvan alle schijn heeft, als men let op het verdwijnen van veel bedrijven, meent de bondsvoorzitter, dat tal vaa grotere bedrijven het moeilijk te verduren krijgen. Voor deze groep geldt vooral de vraag of verdere rationalisatie verwezenlijkt kan worden. Hierbij kan het Ontwikkelings- en Saneringsfonds stellig van dienst zijn. De aandacht zal vooral gericht moeten zijn op die bedrijven die in aanmerking zouden komen voor ontwikkelingshulp. Méér overheidsgeld hiervoor is nodig, meent de heer Tiemens. Hö vroeg zich af, of dat deel van de schoenmakerij, dat vrijwillige beëindiging van het bedr*jf prefereert boven ontwikkelingshulp, niet voorrang dient te verkrijgen. Hij riep tenslotte de leden op, tezamen de nieuwe regering en het parlement te doordringen van het belang tot het onverkort handhaven van een gezond midden en kleinbedrijf. Dat zal de regering met alle mogelijke middelen dienen te bevorderen. --- Man ernstig gewond bij gasontploffing ROTTERDAM. — De 51 -jarige magazijnmeester A. Visser uit Rotterdam raakte woensdag ernstig gewond, toen op de tweede etage van een kantoormachinehandel aan de Goudse Rijweg in Rotterdam een reservoir voor methylalcohol ontplofte. De man wilde met behulp van een looplamp de stand van de vloeistof in het reservoir controleren. Waarschijnlijk omdat zich in het apparaat gas had gevormd, is het b.ij deze controle uit elkaar gespat. --- Onnodige singels en pleinen : een onsmakelijk probeersel Poging modieus te schrijven KOOS VAN ZOMEREN is twintig jaar. Hij heeft een ontwapenend jong gezicht en hij heeft eens de Reina Prinsen Geerligsprijs gewonnen. Hij heeft onder andere een roman geschreven, die „Terloops te water" heet. Dat was een benauwend boekje. Er gaat een niet erg sympathieke jongeman „terloops" dood. Die cynische jongeman wordt aanvankelijk door een oude man die in een hutje woont, opgenomen. De oude man gaat hulp halen, want de jongen is gewond geraakt bij een auto-ongeval. Tijdens de afwezigheid van de oude man loopt de gast dan te water. Enige tyd geleden Is z\jn tweede roman verschenen, die „De nodige singels en pleinen" heet. Ook in dit boek een onevenwichtige, nare jongeman die by een oude man terecht komt. Het boek is niet vanwege de kwaliteiten de moeite van het bespreken waard. Maar als symptoom is het dat wel. En daarenboven is het de moeite waard, te wijzen op het proza, dat de uitgever, ~De Arbeiderspers" achter op het boekje heeft laten drukken. De aspirant-koper wordt namelijk met dit proza op een vervelende manier misleid. Eerst maar de inhoud. Een heel jonge man is getrouwd met een achttienjarig meisje. Het kindvrouwtje is heel mooi en het is zwanger. H*j zegt veel van haar te houden en zij houdt veel van hem. Wat de jongeman in het burgerleven doet, wordt niet verteld. De jonge aanstaande vader sluipt het huis uit, neemt een beetje geld mee en verdwijnt naar een niet nader aangeduid stadje. Tevoren had hij een ruzietje op sadistische wijze gebruikt om het vrouwtje te krenken. Zonder enig berouw verdwijnt meneer, zoekt werk, komt bij een oude veerman terecht, die hem in kennis brengt met zijn zoon, een slampamper met homofiele neigingen. Die zoon heeft de beschikking over een groot huis. Hoe hij daar aan komt, mag Joost weten. Goed. • DE zoon geeft de hoofdfiguur, Cyprian, zogenaamd een baan. Hij, de slampamper is zoiets als opzichter van een industrie-terrein en Cyprian komt bij hem ln dienst, krijgt de helft van het huis tot zijn beschikking, krijgt veertig gulden zakgeld per week, maar hoeft daarvoor niets te doen. De veel oudere veermanszoon is een bruut, een schoft, die de meest nare dingen tegen zijn vader en zijn commensaal zegt. Nadat de winter voorbij is, gaat Cyprian weer naar huis, hij hoopt dat hij een dochtertje gekregen heeft. Dat wil hij wel eens zien. En hoe brengt het edel tweetal de tijd door gedurende al die maanden? Met naar de kroeg gaan, met thuis zich bezatten, met elkaar uitschelden, met elkaar beledigen met het bedrijven van wreedheden. Tot een homofiele relatie komt het niet, als men een enkele zoen over het hoofd wil zien. Wèl raakt Cyprian verliefd op een meisje, dat ook op hem verliefd wordt. Maar als puntje bij paaltje komt, maakt Cyprian op lage manier een einde aan de verhouding. Dat gebeurt ook als hij in het stadje een meisje meetroont. Het meisje blijkt de beschikking te hebben over het huis van haar afwezige ouders. Als de jongen het meisje zover gekregen heeft, dat ze hem sympathiek gaat vinden, slaat hy haar in het gezicht en verdwijnt. Het slot is, dat Cyprian naar huis gaat, lieve en mooie vrouw en een dochtertje in blakende welstand vindt, en na haar in haar gezicht gespuwd te hebben, het huis uit rent. Voorgoed gaat hij. • * DIT onsmakelijke verhaal vereist 't maken van enkele opmerkingen. De taal is vrij slecht. Ik schreef , dat onze Cyprian zijn vrouwtje in haar gezicht spuwt. Dat staat er niet. Er staat ~in het gelaat". Bij herhaling heeft het boekje zulke retorische woorden. „Des daags" bij voorbeeld voor „overdag". Maar dat zal Ik maar vergeten. Erger ia dat de personen volstrekt onmogelijk zijn. Maar veel erger is, dat de situaties onmogelijk zijn. Ds dronkemansscènes zowel als de tekening, van het café-milieu doen zó stoetellg aan, dat men zich verwonderd afvraagt hoe een te goeder naam en faam bekend «taande uitgeverij een dergelijk probeersel heeft kunnen uitgeven. • • • MAAR wat zegt de uitgever? Luistert u maar. „De hoofdfiguur, de jonge Cyprian, voelt dat mj het geluk met zijn vrouw Joosje moet onderwerpen aan de krachtproef van een lange wtnterreis". Nu, die krachtproef mislukt dan wel, tenzij de uitgever gedacht heeft, dat het een winter lang je vrouw met de ellende laten zitten en haar daarna ln het gezicht, pardon, gelaat te spuwen, een bevredigend resultaat is. Verder spreekt de uitgever van een subtiel spel tussen realiteit en absurdisme noch realisme te vinden. Wat er te vinden is, is jongensromantlek, kreupele psychologische doorschouwing, jongensfantasietjes over café's en dronkenschap en pueriel erotisch gedoe. Volgens de uitgever zou Van Zomeren met volgehouden trefkracht de harde waarheid van dit boek geschreven hebben. Lezers, gelooft het toch niet. Het boek is niet meer dan een jongensfantasie „opgesierd" met gekke situaties en wat schuttingwoorden. De erotische onmacht die Cyprian vertoont, doet, zelfs ernstig twijfel rijzen aan zijn vaderschap. Het boek Is ook een poging om modieus te schrijven. Gek en vies zijn in de mode. Als twintigjarigen zich nu eens hielden aan wat ze werkelijk doorleefd hadden. Dan zou er al veel gewonnen zijn. Het krijgen van een prijs heeft zo zijn gevaarlijke kanten, dat is wel duidelijk. Maar waarom was de uitgever niet wijzer. J. van Doorne. £ KOOS VAN ZOMEREN --- EEN WERELD ZONDER WOORDEN Filmkroniek, door dr H. S. Visscher FAHRENHEIT 451" Is een film met een Hltchcock-stempel. Ook voor degeen die geen weet heeft van de bewondering die Francois Truffaut ln geschrifte aan de .grootmeester van de spanning" heeft toegedragen, zal dat onmiddellijk duidelijk zijn met name door de wijze waarop zijn camera aan gewone, alledaagse dingen — een buitenwijk, een typisch Engelse cottage, een gang in een schoolgebouw —- een „bcspookt" aanzien weet te geven, zonder daarvoor in allerlei filmische trucs te vervallen: en dat geldt ook voor de wijze waarop h*j tussen zijn personages relaties weet te scheppen, die op een vreemde, onheilspellende manier geladen zijn — bijvoorbeed op het moment waarop de brandweerman Merntag luistert naar het gefluister van twee brandweerleerlingen die om een overtreding bij de commandant ontboden zijn. Maar hoe talrijk en nadirukkelijk de Hitchcock-citaten ook zijn — Truffaut heeft géén Hitchcock-film gemaakt. En het is karakteristiek dat men deze film door méér van deze negatieve definities kan benaderen. Ondanks het feit dat het verhaal zich in de toekomst afspeelt, en een science-fiction-achtig karakter draagt, is de film zelf beslist ook niet een science-fiction-film. Wat Truffaut ons van de toekomst toont, heeft nauwelijks iets te maken met de technische fantasieën waarin de beoefenaars van het genre zich zo graag laten gaan. Een mono-railspoorweg, een reusachtige wandtelevisie — dat zijn eigenlijk de enige uiterlijke aanduidingen van een science fiction. Nóg een andere ontkenning: hoewel de film een ~innerlijk" avontuur beschrijft, toont hij met een ijzeren konsekwentie alleen ~buitenkant" — en is dus géén „psychologische film". Al die negatieve bepalingen vinden hun oorsprong in het ascetische karakter van de film, die zich bewust en met een geweldige zelftucht ont-houdt van de procédés, de „mechanismen", de middelen waarmee de verschillende genres gewoonlijk werken. En die ascese is niet alleen de „stijl" van de film — het is ook het gegeven zélf. Want de toekomstmaatschappij die Truffaut hier schildert, uitgaande van het bekende gelijknamige boek van Bradbury, bedrijft één grote, ononderbroken ascese: nl. die van het geschreven woord — en daarmee ook van het literaire woord. Kortom, boeken zijn in deze maatschappij van de toekomst taboe. leder boekenbezit wordt letterlijk „te vuur" uitgebannen. De instantie die daarvoor zorgt, is de brandweer; hoewel de huizen onbrandbaar zijn geworden, heeft de brandweer een belangrijke taak, waarvoor de heirode brandweerauto dikwijls uit moet. rukken: zij dringt het huis van de — meestal door een verklikker aangebrachte — boekenbezitter binnen, gooit de boeken op een hoop, en steekt er met een vlammenwerper de brand in. De brandweerman Montag, een vriendelijk en plichtsgetrouw man, vervult zijn taak als een gewichtige en verantwoordelijke opriracht: maar een ontmoeting met een buurmeisje — dat als twee druppels water lijkt op zijn vrouw, behalve dat de laatste een droomachtig-afwezige schim en de eerste een intens levend wezentje is —p brengt hem tot het lezen van een boek. Van dat moment af is hij „verloren": hij blijft lezen, smokkelt steeds meer boeken mee naar huis. Hij leest — niet eens in verrukking, niet eens met literair genot, maar vanuit een onontkoombare „plicht", een innerlijke dwang om het leven terug te vertalen tct de dimensies van de angst, de pijn, de verwarring, de onzekerheid, die de „nieuwe maatschappij" zorgvuldig en min of meer zachtaardig naar de vergetelheid verwezen heeft. Want die nieuwe maatschappij is niet kwaadaardig tiranniek — al zijn er enkele momenten waarop zich achter dit slaappillen-paradijs toch een zeer kwaadaardig bestel openbaart —, zij is integendeel vriendelijk, welwillend, vrij van klassetegenstellingen, vrij van pijn, van zorg, van verwarrende emotie en twijfel — kortom van heel die dimensie die het leven tot leven maakt en die eerst in het woord, in .communicatie", vrijkomt. Vergeten — dat is het grote parool in deze nieuwe, slaperige wereld en het onzichtbare bestel van deze maatschappij zorgt daar uitvoerig voor, door de mensen tot een volkomen absorptie in hun al even vriendelijke, fantasieloze televisiewereld te brengen en door een ongelimiteerde verstrekking van tranquillizers en andere bedwelmingsmiddelen. Truffauts vriendelijk-keurige nieuwe wereld ligt echter onder een dodelijke dreiging: dat „het woord" — d.w.z. het woord dat méér is dan het twee-dimensionale, vlakke en fantasieloze gebruikswoord — voor altijd ln de vergetelheid zal ondergaan. Die dreiging wordt zichtbaar op de momenben van de boekverbrandingen: het is hartverscheurend om al die boeken, die namen en werelden vertegenwoordigen — niet voor niets verwijlt de camera een heel lange tijd bij een prachtig boekwerk, „The World of Salvador Dali", — in grote close-ups aangetast te zien worden door het vuur: de bladen krullen om, één voor één, dan trekken er brandblazen op en het blad wordt zwart — het „woord" is voorgoed verdwenen. Wie zal het voor de toekomst aan de vergetelheid ontrukken? Wie zal het „zich herinneren ?" Montag vlucht, als zijn vrouw hem heeft aangegeven en als hij met zijn vlammenwerper zijn commandant heeft gedood, naar de boekmensen: vluchtelingen die naar een uithoek van de staat zijn uitgeweken, en daar het boek van hun voorkeur geworden zijn door het uit hun hoofd te leren. Als daarna, om veiligheidsredenen, „hun" boek vernietigd wordt, zijn zij voor de toekomst de enige dragers van hun boek. En van een geweldige kracht zijn dan de opnamen, waarin een, op zijn sterfbed liggende grootvader aan zijn kleinzoontje zijn boek overdraagt; eerst horen we het jongetje moeizaam en aarzelend de voorgezegde zinnen nazeggen; later — het is dan winter geworden en het sneeuwt — kan hij het vlot uit zijn hoofd opzeggen; niettemin aarzelt hij even; de camera heeft ons dan al getoond dat de grootvader net gestorven is — en men voelt bijna lijfelijk, aan hoe 'n dunne draad de cultuur hangt: aan het breekbare geheugen. Maar het jongetje weet de draad weer te pakken en hij bereikt de slotzin vrn Stevensons boek: „En hij stierf, zoals hij had gedacht dat hij zou sterven — wanneer de eerste sneeuw zou vallen. . . ." Geniaal: want hier vallen woord, beeld en gebeuren in de laatste meters van de film samen en ontstaat de dimensie waar de hele voorafgaande film zich nadrukkelijk van onthouden heeft. Truffaut maakte zijn film èn fotografisch èn dramatisch èn psychologisch opzettelijk twee-dimensionaal: waar het woord is doodgebloed en geen wezenlijk communicatievermogen meer heeft, is er geen drama, is er «-een ziel, is er geen liefde bestaanbaar. Net zomin als er tussen Montag en zijn vrouw liefde bestaanbaar is, net zomin komt het tussen Montag en het meisje Clarisse tot liefde: de enige potentiële liefdesscène vindt plaats in een lift met steriele wanden van roestwij staal en ontspoort onmiddellijk door de misleidende dubbelzinnigheid van de vraag die het meisje stelt: „Hoe is het allemaal zo gekomen?" Die vraag gaat nl. helemaal niet over liefde en is het schoolvoorbeeld van een communicatiestoornis — zo niet bij Montag dan toch zeker bfl de toeschouwer. . . Truffaut maakte een grandioze film. Zijn doorzichtigheid is schijn: zij is het gevolg van deze meesterlijke ascese, die iedere „verdieping" en ieder literair middel verwerpt, omdat de film niet de behandeling van het gegeven van een woordloze wereld — een cultureel nulpunt — geeft, maar dat gegeven zelf is: een onschuld, een vóór-literaire onschuld, die alleen via esn geweldige artistieke zelftucht en onthouding te bereiken viel. En ook inderdaad bereikt werd. • Een scène uit „Fahrenheit 451" ---