BOEKEN NON-FICTIE NET UIT Mark Blaisse: Driemaal modaal en nog wanhopig. De Arbeiderspers, Amsterdam; 119 blz. ƒ 25. Achttien verhalen van een reizende bourgondiër, eerder gepubliceerd in o. a. NRC Handelsblad en Intermediair. Agnes Sommer: Retour Nairobi. Babyion De Geus, Adam; 238 blz. ƒ 32,50. Nederlandse doceert sociologie in Nairobi en trouwde met lid van Noordkeniaanse nomadenstam. Relaas van confrontaties, feesten en vriendschappen. Maarten Siffels: Elke dag een ijsje. Anthos, Baarn; 159 blz. ƒ 24,90. 'Verzameld vaderleed. Eerder in Trouw gepubliceerde columns. J. H. Petrie: Lodewijk XVII - Naundorff. Een mysterie ontrafeld. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam; geb., 320 blz. ƒ 49. „Hans Petrie ontmaskert nep-koning Lodewijk XVII" (interview. Trouw 20/6). Anne-Mie Devolder: Architectuur Rotterdam 1970-1995. UHg. 010, Rotterdam; ƒ 65. mmm m ■assssssssssssssssaassss* ■ afÉSk Cassette met 30 royaal geïllustreerde folders over 75 Rotterdamse bouwprojecten uit de periode 1970-1995. Andy McNab: Bravo two zero. Van Holkema & Warendorf, Houten; 317 blz. ƒ 34,90. Lid van de Special Air Service reconstrueert missie die voor het winnen van de Golfoorlog van cruciaal belang bleek. Enrique Vila-Matas: Dada uit de koffer. Vert. Doortje ter Horst. Nijgh ft Van Ditmar, Amsterdam; 124 bht. ƒ 29,90. Spanjaard beschrijft met ironie de artistieke avantgarde van de jaren twintig. Bert Kerkhof e. a. (red.): Kritiek als politieke stellingname. Damon, Best; 159 blz. ƒ 32.50. Bundel, voortgekomen uit Nijmeegse doctoraalcolleges sociale en politieke wijsbegeerte. Pieter Tops: Gemeenten en gezag. Atlas, Amsterdam; 44 blz. ƒ 16,50. Tilburgse oratie: hoe kunnen lokale politici tegenwoordig nog met gezag nee zeggen? E. P. de Booy ft G. M. W. Ruitenberg: Zorg voor het familiearchief. Fibula, Houten; 108 blz. ƒ 20. Tips voor bewaarders en beschrijvers van familiedocumenten. Bij dezelfde uitgever verscheen ook een handleiding van F. C. Hartman voor bedrijfs- en instellingsarchivarissen (51 blz. ƒ 20). J. D. Efting Dijkstra: Borstcorrecties. De Toorts, Haarlem; 144 blz. / 39,50. Vragen over borstcorrecties helder beantwoord door plastisch chirurg. Geïllustreerd. F. Koopmans en R. Schalken: Vraagbaak bij verslavingen. Groen. Leiden; 125 blz. ƒ 19,95. Koopmans is voorlichter van het evangelisch centrum 'De Hoop', Schalken exverslaafde. Trouw VRIJDAG 30 JUNI 1995 --- (Advertentie) HET GOED Na negen jaar heeft Van Straaten besloten voor- Jsf ï goed af scheid te nemen van zijn heldin Agnes. jKW ïanaf heden dus niet meer wekehjks ,n j ,and, maar we. ;" * --- Management in het onderwijs verarmt het docentschap Ron Ritzen: Deugt ons onderwijs? Over recht vaardigingen Oamon. Best; 156 bil.-ƒ28,50. Met een indrukwekkend aantal vragen begint Ron Ritzen zijn zoektocht naar een antwoord op de vraag 'Deugt ons onderwijs?' en met een indrukwekkende literatuurlijst sluit hij af. Daartussen trekt een stoet van argumentaties aan het lezersoog voorbij Die dienen als voorbeelden van antwoorden op vragen als: waarom moeten leerlingen de vakken die nu op school gegeven worden, eigenlijk leren; hoe tolerant moet als leerkracht zijn; krijgt een leerling het rapportcijfer dat hij verdient; is schoolmanagement zinvol of juist een listige manier van disciplinering? Ritzen heeft geen overzicht van ideeën willen geven, maar van standpunten die tegenover elkaar geplaatst worden, „zodat de lezer op basis van redenen zelf stelling kan nemen" Maar zo vrijblijvend als hij het formuleert, is zijn boek niet geworden De drie typen argumenten die hij presenteert - het absolute, het relativistische en het transcendentale argument - blijken niet gelijkwaardig. Ritzens voorkeur gaat duidelijk uit naar het derde Wat is er, volgens hem, mis met de andere twee? Het absolute argument rechtvaardigt een uitspraak met behulp van een onbetwistbaar fundament. Maar zijn die dan nog wel te vinden en waar berust dat fundament op? 'Het is nu eenmaal zo' lijkt een te mager antwoord. Het relativistische argument -elke rechtvaardiging is historisch of cultureel bepaald - heeft als onaantrekkelijke kant dat er geen enkel criterium lijkt te zijn om een opvatting te geloven of niet Met zijn poging tot versimpeling gaat Ritzen in de presentatie van beide argumenten voorbij aan de fundamentele discussies over (de fundering van) waarheid en wetenschap die al heel lang binnen de filosofie woeden: hef relativisme bestaat niet en Kuhn en Rorty zijn niet zo makkelijk in het kamp van 'de relativisten' te stoppen als hij suggereert. Ritzen veegt het absolute argument min of meer van tafel door onze tijd als postmodern te typeren, waarin universalistische (morele) principes niet meer vanzelfsprekend zouden zijn Nu lijkt me gebrek aan vanzelfsprekendheid niet echt een overtuigende bedenking, nog afgezien hiervan dat over het al dan niet 'postmodern' zijn van onze samenleving de strijd nog niet gestreden is. Ritzens favoriete transcendentale argument gaat als volgt. lemand stelt de vraag of een open samenleving te verkie- zen valt boven een gesloten samenleving. Deze vraag veronderstelt al een open samenleving; in een gesloten samenleving zou ze immers niet aan de orde komen. Aldus redenerend stelt Ritzen vast dat het brede ideaal van algemeen vormend onderwijs sekse-neutraal is. Kennelijk onder de aanname dat seksistisch onderwijs alleen in een gesloten samenleving voorkomt. Op een vergelijkbare wijze rechtvaardigt hij waardenpluralisme in het onderwijs. Daarmee worden, stelt hij, autonome mensen gevormd. De vraag stellen of de vorming tot een autonoom persoon een nastrevenswaardig doel is, is haar beantwoorden: zon vraag kan alleen door een autonoom persoon gesteld worden. Het transcendentale argument maakt (eventueel) duidelijk dat het nastreven van een bepaald doel geoorloofd is (algemene vorming, de noodzaak tot verantwoordelijkheid, een hoger stadium van intellectuele ontwikkeling), maar kennelijk pas na nogal wat - niet altijd vanzelfsprekende - gedachtensprongen. merking aan, dat een grotere vrijheid v het onderwijsteam alleen tot verbeten . van de kwaliteit leidt, als er verantw°° ding wordt afgelegd bij het public - lees: bij (toekomstige) ouders. Die v antwoording dient met goede re"e omkleed te zijn. Ritzen laat zien wat zou kunnen inhouden - al had het hier daar wel wat genuanceerder gemog Deugt het onderwijs nu? Ritzen trekt e paar conclusies: het Nederlands alg meen vormende onderwijs schiet in pedagogische opdracht te kort en is 4l kennisaanbod te eenzijdig Schools gement betekent een morele verarm' van het docentschap. Dit laatste hou een waarschuwing in voor de schoo ders van de autonome(re) school: la zij er vooral voor waken dat persone management niet verwordt tot pc neelsbeheer. Met Foucault als 9etu'je laat Ritzen zien dat de veelgeroem functioneringsgesprekken gebruik* nen worden - onder het mom van goedbedoelde poging inzicht te knj9 in de behoeften van de docenten - diezelfde docenten in het gareel te gen. Eén van de opdrachten aan het van het boek luidt: welke strategie teer je als één docent permanent we'9er. mee te werken aan een onderWJ . nieuwing? Het antwoord? De scho der die deugt, kan nu opstaan. jn Gerritjan va" Deze kritiek laat onverlet dat Ritzen een interessant en ambitieus boek geschreven heeft, waarin veel actuele thema's aan de orde komen en dat het denken over rechtvaardigingen stimuleert. En dat is nodig. De overheid zegt zich minder te willen bemoeien met het onderwijs. Ritzen verbindt daar terecht, de op- --- Over de echte etstoel raast de trein Assen-Stadskanaal Op het eerste gezicht is het een doorsnee zandkuil in het bos: een lichte glooiing in het terrein, op de rand wat eikestammetjes. Maar in werkelijkheid is deze kuil in de omgeving van het Drentse dorpje Balloo een mythische plek. In de middeleeuwen vergaderde hier de etstoel, het hoogste rechtscollege van Drente. De Balloerkuil is een van de 52 plaatsen in Nederland met middeleeuwse sporen, beschreven in 'Over kaken, broodbanken & etstoelen'. Andere zijn een Friese terp, de paardenmarkt in Voorschoten en een Alkmaars orgel. Elk spoor krijgt een bladzijde tekst - van de hand van verschillende historici - en een afbeelding. Het boek biedt zeker geen opsomming van curiositeiten De sporen zijn in groepen van vier bijeengeplaatst, steeds rond een thema: oorlog, religie, eten en drinken, handel, enzovoort. Elk viertal wordt voorafgegaan door een bron uit de tijd zelf (gedicht, oorkonde, grafschrift). De lezer maakt zo kennis met verschillende kanten van de middeleeuwen. De samenstellers willen laten zien dat Nederland ook buiten bekende plaatsen als archieven, bibliotheken en musea, nog resten Middeleeuwen heeft, ën op vaak onverwachte plekken. Het voorbeeld van de zuil die tegen de gevel van het voormalige stadhuis van Woerden staat, is geslaagd. Een argeloze voorbijganger weet niet dat misdadigers op/aan deze 'kaak' werden gezet, zodat het publiek hen kon beschimpen en met vuil bekogelen. Maar andere sporen zijn nauwelijks verrassend: De Ridderzaal in Den Haag, het Domplein in Utrecht, het gothische stadhuis van Middelburg. Ook de Balloerkuil blijkt geen goed voorbeeld, maar dat ligt niet aan de samenstellers. In de tekst valt te lezen dat de provincie Drente in het verleden waarschijnlijk de verkeerde plaats heeft aangekocht en die ook nog heeft laten uitdiepen om het op een kuil te laten lijken. De echte etstoel ligt mogelijk onder de spoorlijn Assen-Stadskanaal. Kijk, dat is nou een onverwachte plaats. Frank Kools Esther Koch, Erwin Mantigh e. a. (red): Over kaken, broodbanken & etstoelen - Sporen van middeleeuws Nederland. Matrijs, Utrecht; 148 blz. -ƒ29,95. --- Van Polen via Oeral, Samarkand en weer Polen naar Nederland „Gedreven door angst, maar in de hoop dat de oorlog binnen een paar weken afgelopen zou zijn, en dat we terug zouden keren, joegen we voort, dag en nacht." In 'Geen tijd voor afscheid' beschrijft Bronia Davidson hoe ze als meisje met haar joodse familie het Poolse Judlowa ontvlucht wanneer de oorlog uitbreekt. In een bonte karavaan trekken ze naar Rusland, van de bossen in de Oeral naar het aan de zijderoute uit China gelegen Samarkand. Ze zijn de enigen die Judlowa verlaten. De rest van de familie, andere vrienden en bekenden: ze zullen ze nooit meer terug zien. Bij terugkeer, het moment waar ze zes van droomden, blijken alle joden weggehaald. In dit Polen, besluit Bronia's moeder, is ook voor ons geen plaats meer. Ze emigreren naar Nederland Tegenwoordig is Bronia Davidson een gevestigd psychotherapeut en dat merk je. Door de kinderlijke herinneringen heen klinkt de kennis van menselijke drijfveren. Is de schrijfstijl soms slap, in de reflecterende uitstapjes schuilt de kracht van 'Geen tijd voor afscheid. De reactie van de geschoolde volwassene op de omgeving van het kind maakt de gevolgen van oorlog en ballingschap voor de belevingswereld van de mens wederom pijnlijk duidelijk Annemiek Leclaire Bronia Davidson: Geen tijd voor afscheid. De Beuk, Amsterdam; 119 blz. -/ 27,50 Jostein Gaarder De wereld van Sofie De Fontein, ƒ49,50 2 Ger Verrips: Dwars, duivels en dromend (geschiedenis van CPN) s, ƒ69.50 3 (3) Oliver Sacks Antropoloog op Mars ƒ 45 4 Ines Teitges Quiches, hartige taarten las. ƒ8,95 5 Gerald van Berkel, etc: Nederlandse plaatsnamen Spectrum, ƒ 27,50 6 Hope Edelman Zonder moeder De Boekerij, ƒ 39,90 Architectuur in Nederland, Jaarboek 1994-1995 t 75 8 Wouter van Dieren De natuur telt ook mee rum.' ƒ 39,90 9 Emile Ratelband Tsjakkaa 3 90 10 ' Mart Smeets Stukken beter ' 7,90 --- BOEKENTOP 10 NON-FICTIE --- Nederlandse regering speelt het spel in Brussel vaak bijzonder knullig M. P. C. M van Schendelen: Gelijkhebben of winnen? Amsterdam University Press, Amsterdam; 142 blz.-ƒ29.50. Terwijl grote ondernemingen en organisaties vaak met succes lobbyen in Brussel, krijgt de Nederlandse regering er nederlaag op nederlaag te slikken. Dat heeft Den Haag voor een groot deel aan zichzelf te danken, vindt de politicoloog M. P. C. M. van Schendelen. Deze hoogleraar mag inmiddels expert worden genoemd als het gaat om Nederlandse lobby's bij de Europese Unie. Hij verzorgde twee jaar geleden een bundel over het onderwerp, waarin betrokkenen verslag deden van hun ervaringen in Brussel. Nu publiceert hij zijn analyse van een hele reeks Nederlandse lobby's. Hij komt tot een vernietigende conclusie: ~Vanuit de invalshoek van professionele belangenbehartiging is er maar één groot probleem: onze regering blijkt niet goed te kunnen spelen. Zelfs van de verliesnood weet zij niet enigerlei deugd te maken. Wie een vechtarena zo onvoldoende voorbereid ingaat als de Haagse regering, is even lichtzinnig als wie op slippers de Himalaya wil beklimmen." De pogingen om de Oost-Europabank naar Amsterdam te halen of onder leiding van oud-minister van financiën Ruding te plaatsen, de ambitieuze Nederlandse voorstellen voor een politieke unie en Lubbers' strijd om het voorzitterschap van de Europese Commissie leverden even zoveel fiasco's op. Voor die fiasco's zijn verscheidene oorzaken aan te wijzen, zegt Van Schendelen. Den Haag weet niet wat het wil. Bij iedere kwestie zijn tal van ministeries, lagere overheden en diensten betrokken, allemaal met eigen wensen en doelen. En dan bemoeit ook het parlement zich er nog mee. De onvermijdelijke verdeeldheid voorkomt dat er duidelijke doelen en strategieën worden ontwikkeld. Bovendien lijdt Den Haag aan grootheidswaanzin. Wij hebben de beste vestigingsplaats, wij hebben de beste man, wij hebben gelijk, verder strekken de argumenten vaak niet, aldus Van Schendelen. Het gevolg is stijfkoppigheid; men vergeet dat er onderhandeld moet worden. En het huiswerk wordt verwaarloosd; keer op keer blijkt Den Haag de meningen en gevoelens van andere lidstaten verkeerd ingeschat of niet onderzocht te hebben. Tegenover het falen van de Nederlandse overheid stelt Van Schendelen de vaak succesvolle lobby's van grote ondernemingen als Philips, Hoogovens en Akzo. Zij bereiden zich goed voor, bewandelen in Brussel alle mogelijke paden en zoeken in een vroeg stadium bondgenoten in andere EU-lidstaten. De vergelijking is gevaarlijk. De onderneming die uit is op onderzoekssubsidie of op een wijziging van één specifiek punt in de Europese wetgeving, verkeert in een heel andere positie dan een regering die in een voortdurend gevecht verwikkeld is met veertien andere regeringen. Van Schendelen stapt wat gemakkelijk over die verschillen heen. Bovendien legt hij te weinig nadruk op recente veranderingen in de Nederlandse politiek ten aanzien van Europa. De Europese droom is ook in Den Haag langzamerhand gestorven. Het besef is gegroeid dat de Unie een samenspel is en zal blijven van staten die hun eigen belangen nastreven. Vandaar bijvoorbeeld dat Nederland nu zo mogelijk nog harder dan de andere lidstaten vecht voor regionale steun uit Brussel. Zo werden miljoenen binnengehaald voor Flevoland, een regio die alleen in de statistieken als arm kan worden aangemerkt. Merkwaardig genoeg schrijft Van Schendelen dit lobbysucces echter niet op het conto van Den Haag maar op dat van de lagere overheid in Flevoland. De algemene conclusie van de Rotterdamse politicoloog blijft echter overeind. Nederland speelt het Brusselse spel vaak bijzonder knullig. Van Schendelen behandelt nog maar een beperkte selectie van de soms verbijsterende blunders die Nederlandse bewindslieden in Brussel hebben begaan. En we vrezen met hem dat Den Haag daaruit onvoldoende lering heeft getrokken om nieuwe flaters te voorkomen. Willem Schoonen Haagse politici -o. w. Wolffensperger en De Gaay Fortman jr. - spelen op een Europese party het spel Eurocratie. FOTO AD NUIS --- Gedreven exacteling kijkt verder dan Griekenland Ulrich Libbrecht: Inleiding Comparatieve Filosofie - Opzet en ontwikkeling van een comparatief model. Van Gorcum, Assen; 548 blz. - ƒ 69.50. Er zijn drie beschavingen geweest waar, meer dan 2 500 jaar geleden, de wijsbegeerte tot ontwikkeling is gekomen: de Indische, de Chinese en de Griekse. De Griekse traditie heeft de meeste invloed verworven en volgens sommigen is die invloed fnuikend geweest. Deze critici beschouwen haar rationalisme als een hoofdoorzaak van veel problemen van de huidige beschaving, en trachten haar eenzijdigheid te verhelpen door terug te grijpen op de twee andere wijsgerige tradities. Een van hen is de Vlaamse oriëntalist Ulrich Libbrecht, verbonden aan de in 1989 opgerichte School voor Comparatieve Filosofie te Antwerpen. Hij heeft een lijvig handboek geschreven over deze vergelijkende wijsbegeerte. Het eerste deel is nu verschenen. Zijn leerlingen zullen er een flinke kluif aan hebben. Hoewel Libbrecht goed schrijft, wil hij geen literaire filosofie bedrijven, waarschuwt hij. Hij noemt zichzelf een exacteling', en men hoeft zijn boek maar door te bladeren om te zien wat dat betekent: het boek staat vol formules en grafieken, die er weliswaar soms zeer indrukwekkend uitzien maar die, op mij althans, vaak eerder een afschrikwekkende dan een verhelderende werking hebben. Zij dienen Libbrechts grote doel: ter onderlinge vergelijking van de drie tradities een 'paradigmavrij model' te ontwerpen, een model vrij van wereldbeschouwelijke vooronderstellingen. Zodoende wil hij de basis leggen voor een 'driedimensionale wijsgerige denkwijze', waarbinnen de drie wijsgerige richtingen tot een synthese zijn gebracht. Heel schematisch komt het erop neer dat het westerse rationalisme wordt aangevuld met Chinees naturalisme (met name het taoïsme) en met Indisch mysticisme. Alle pogingen tot exactheid nemen niet weg dat 'Inleiding Comparatieve Filosofie' een heel persoonlijk boek is geworden. Het draagt alle kenmerken in zich van een levenswerk; de auteur is er dertig jaar mee bezig geweest. Libbrecht ykan eh wil niet de onpartijdige toeschouwer langs de lijn blijven. Voor hem is filosofie niet alleen een kwestie van theorie maar ook, en vooral, van de praktijk. Dat verklaart de grote gedrevenheid van zijn boek. Hij houdt er uitgesproken ideeën op na. In zijn wereldbeeld draait alles om het proces dat hij de 'vergeestelijking van de wereld' noemt: de biologische evolutie gaat bij de mens, die over 'vrije energie' beschikt, over in een 'transcendente evolutie', waarin de beperkingen van het materiële bestaan worden overstegen. Maar dat proces, dat een kosmisch bewustzijn, dus een mystieke instelling vereist, wordt gefrustreerd in de huidige westerse samenleving, waarin ieder voornamelijk aan zichzelf denkt. Toekomstvisioen en maatschappijkritiek gaan bij Libbrecht hand in hand. Door zijn wereldbeschouwelijke opvattingen is het model dat Libbrecht voorstelt, allerminst 'paradigmavrij'. Zijn geestverwanten op de School voor Comparatieve Filosofie zullen er wel mee uit de voeten kunnen, maar wie nog meer? Ikzelf in ieder geval niet. Toch heb ik de vele bladzijden waarin het uiteindelijke model wordt voorbereid, met plezier gelezen. Libbrecht doet vaak rake of verrassende uitspraken over het westerse gedachtengoed (inclusief dat van het christendom), juist omdat hij het benadert als buitenstaander, vanuit een 'oosters standpunt. Zijn vermogen om uiteenlopende gedachtenwerelden met elkaar te verbinden of te contrasteren, dwingt bewondering af. Libbrecht geeft blijk van een enorme belezenheid, maar een omgevallen boekenkast is hij zeker niet. Hans Dijkhuis --- Wat die poolreizigers bezielt, gaat het verstand te boven Albert Beintema: In de voetsporen van Shackleton. Atlas, Amsterdam; geïll.. 269 blz. ƒ 39.90. Mike Stroud: Schaduwen op het ijs - 2160 kilometer te voet over de Zuidpool; BZZToH, Den Haag; geill.. 224 blz. - ƒ 34,50. In het kielzog van de toegenomen belangstelling voor Antarctica zijn twee boeken verschenen. Een ervan is afkomstig van de Nederlander Albert Beintema, ecoloog bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. Na zijn faam gevestigd te hebben als weidevogelonderzoeker, kreeg Beintema de kans om in de zomers van 1988-89 en 1990-91 deel te nemen aan expedities naar Antarctica. Het resultaat is een aardig boek, vlot geschreven en vol interessante gegevens over Beintema's onderzoek aan pinguïns, alsmede over zijn expeditiegenoten. De titel, 'In de voetsporen van Shackleton', is ronduit verkeerd gekozen en nogal pretentieus. Nergens namelijk maakt Beintema ook maar iets mee dat zelfs in de verte maar lijkt op de barre avonturen van de beroemde zuidpoolreiziger in het begin van deze eeuw. In het tweede hoofdstuk behandelt de schrijver wël even de verschillende tochten die Shackleton maakte. Dat is ook direct het meest opwindende deel van het boek. Beintema zelf heeft - en hij beseft dat - niet bepaald geleden tijdens zijn zomerse expedities. Koud heeft hij het pas als hij weer thuiskomt in Nederland, de min elf graden die hij daar aantreft heeft hij op Antarctica nooit meegemaakt. 'In de voetsporen van Shackleton' is een aardig reisverslag, niets meer, niets minder. Buitengewoon spannend daarentegen is 'Schaduwen op het ijs' van Mike Stroud. Sir Ranulph Fiennes en hij staken in 1993 als eersten tijdens een ruim drie maanden durende tocht te voet het Antarctische continent over. Stroud, arts en overlevingsdeskundige in dienst van het Britse ministerie van defensie, zet een prachtig verhaal neer over alle ontberingen die hij met Ran doorstond. De oplopende spanningen tussen hem en de voormalige kapitein van de SAS (Special Air Service) zijn intrigerend opgetekend, zoals het hele boek ijzingwekkend spannend is geschreven. Het was voor het eerst dat ik me kon voorstellen hoe die mensen er toch uitzien, die wel eens echt gebruik zouden moeten maken van een overlevingsgidsJe dat ik ooit cadeau kreeg, de 'SAS Survival Guide' (uitg. Collins) van John Wiseman- Wat deze poolreizigers bezielt steed weer op pad te gaan (eerder al gmgen Stroud en Fiennes samen richting noordpool: zij faalden), is voor gewone sterve lingen vrijwel niet te bevatten. Zonde hulp van machines of dieren een toe van 2 160 kilometer over Antarctica maken is een bovenmenselijke opgave, te • jammergenoeg gering, aantal kleurem to's laat zien wat daar allemaal bijhoor • De meest pijnlijke is wel een foto v< Mike die een opengesprongen, bevror vinger behandelt. Een heerlijk detail vond ik dat Stroud e" Fiennes zichzelf zo nu en dan op e Mars-reep trakteerden: human after Guus van 0*" Antarctische ezelspinguin met jongen. ---