JE KOMT VANZELF BIJ SHELL. Q --- Oude wijn in nieuwe zak met kikkers en Schwarzenegger In een moedige poging onwillige studenten achter de schrijftafel te krijgen, laat Heinze Oost, medewerker aan de Universiteit van Utrecht, de gulden regels van het Werkstukken maken nogmaals de revue Passeren. In 'Hoe schrijf ik een betere scriptie' suggereert Oost een 'nieuwe methode voor het schrijven van scripties en andere teksten. De studenten met wie Oost in zijn carrière heeft kennis gemaakt, moeten wel erg ongeïnteresseerde dwarsliggers zijn geweest, want de adviseur laat geen lokmiddel onbenut om de aandacht van zijn toehoorders vast te houden. 'Dicht bij huis bl|jven met die voorbeelden', moet hij gedacht hebben. Daardoor hebben de hoofdstukken titels gekregen als 'De kooktijd van witlof' (een probleemstelling formuleren), 'Een kruiwagen vol kikkers' (onderwerp afbakenen), 'Rijden in de mist' (een werkplan ontbreekt) en 'Hé, Schwarzenegger!' (opladen voor het schrijfproces). Wie uitgelachen is, zal moeten vaststellen at er niets nieuw is aan de 'nieuwe methode' van Oost. Achter de huis-, tuin- en collegezaalgrappen loeren dezelfde oeroude deelschema's van deeldeelschema's, gekoppeld aan tot op de minuut doorberekende deel-deel-deeltijdschema's. Goed bedoeld, maar juist de in meligheid verpakte minutieusheid van Oost, doet je de lust tot werken vergaan. Annemiek Leclaire Heinze Oost: Hoe schrijf ik een betere scriptie. Contact, Amsterdam, 141 blz. ƒ 24.90. --- Guwy biedt mooi overzicht voor wie Voltaire nog niet kent Voltaire had veel op met Nederland. De beroemde Franse schrijver en denker kwam er graag, in totaal vijf keer, en liet een belangrijk deel van zijn werk hier drukken. De relatief grote vrijheid van meningsuiting die hier toen al heerste, fungeerde, naast het democratische klimaat in Engeland, als model voor zijn eigen liberale opvattingen omtrent mens en maatschappij. Dit inzicht vormt de kern van een studie die France Guwy aan leven en werk van dit deefs nog altijd actuele baken van de Verlichting heeft gewijd. Guwy - naar haar(?) antecedenten moet je als lezer raden - heeft zich overigens niet, zoals de ondertitel suggereert, beperkt tot Voltaire's Nederlandse periode. Die maakt nog geen tien procent van het boek uit. Ze heeft een beknopte biografie geschreven die op zich weinig nieuws bevat, maar een goed overzicht biedt voor wie Voltaire niet kent Ook de analyse aan het slot over het actuele van zijn denken is interessant, hoewel soms niet vrij van vooringenomenheid. Een kenmerkend voorbeeld is een alinea waarin wordt gesproken over 'typisch katholieke' hypocrisie. Een ander is de omschrijving van Mohammed als een symbolische figuur, „die staat voor het bedrog, de ijdelheid en het fanatisme dat de meeste leiders van een grotere godsdienst eigen is". Ronduit dom doet een andere passage aan, waarin zonder een spoor van ironie Boswell, de markante 18e-eeuwse Schotse schrijver en biograaf van Samuel Johnson, als 'een zekere James Boswell' wordt getypeerd. Vlekjes op een overigens schoon blazoen. Ton Crijnen France Guwy. Voltaire, Help! - De Hollandse ervaringen van Voltaire en de invloed op zijn denken. Balans, Amsterdam; 183 blz. ƒ32,50. --- BOEKEN Eindredactie: Jaap de Berg Peter Henk Steenhuis Chantal Keijsper (red.): K. ter Laan's Multatuli Encyclopedie. Sdu. Den Haag; geb., 575 blz. ƒ 60,90. Naslagwerk over Multatuli en zijn oeuvre, waarvoor de sociaal-democraat, folklorist en woordenboekenmaker K. ter Laan bij zijn dood in 1963 de gegevens in een ladenkastje achterliet. Eelco Runia: De pathologie van de veldslag. Meulenhoff; 260 blz. / 39.90. Essays over en naar aanleiding van geschiedenis en geschiedschrijving in Tolstoj's 'Oorlog en vrede. Wim Noordegraaf: Suriname. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam; 231 blz. ƒ 29,90. Herziene editie van een onderhoudend portret van de Surinaamse samenleving. ■ Hans Werkman: Spitten en (niet) moe worden. Woord werk 13/50. Pb 62, Nieuw-Lekkerland (01848-1377), 176 blz. Leven en werk van de protestantse romancier Bé Nijenhuis (1914-1972). H. Hoelen: Beschouwingen over de economische orde. Van Gorcum, Assen; 484 blz. ƒ 49,50. Magnum opus van vrijemarkteconoom, die in 1989 'De Hollandse Ziekte' publiceerde. Bram Kernpers (red.): Openbaring en bedrog. Amsterdam University Press; geïll., 203 blz. ƒ 39,50. Verschijnt 4 juli. Wat voegen beelden toe aan historische teksten? (Ex-)hoogleraren over de afbeelding als bron van openbaring en bedrog. M. C. M. Dalmeijer (red.): Geld en nog veel meer. Sdu, Den Haag; geb., 321 blz. ƒ 39,90. Beschouwingen en interviews met gevarieerde groep deskundigen (onder wie prins Claus, Pronk, Zijlstra en Ruding) over investeren in ontwikkelingslanden. Jubileumboek van 25-jarige ontwikkelingsbank FMO (zie Trouw van 22/6). Nico Markus (red.): Waarom schrijf je nooit meer? MSG, Amsterdam; geb.. 606 blz. ƒ75. Mooi uitgegeven overzicht van 25 jaar correspondentie tussen de 'gesjochte marxisten' Henriette Roland Holst en Henk Sneevliet. Inleiding en annotaties verhelderen perikelen rond het beginnend Nederlands en Aziatisch communisme Sarah Hart: Plantenvinder voor de Lage Landen. Terra. Warnsveld; 457 blz. ƒ 19,50. Tweede editie van gelegids-voor-tuiniers; somt meer dan 38 000 planten op en ruim 120 Nederlandse en Vlaamse kwekerijen waar ze te krijgen zijn. Evert van der Zweerde (red.): Russische filosofie na de Perestrojka. Parrèsia/Krisis/De Balie, Adam; 152 blz. ƒ 29,50. Zeven essays van Russische filosofen in vertaling. Centraal staat de zoektocht naar een eigen Russische (uit)weg uit de hedendaagse crisis. Trouw VRIJDAG 30 JUNI 1995 --- Fasseur verheldert Nederlands koloniale verleden Cees Fasseur: De weg naar het paradijs. Bart Bakker, Amsterdam; 313 blz. ƒ45. In 'De weg naar het paradijs' maakt de Leidse hoogleraar Cees Fasseur een rondgang door drie eeuwen koloniale Indische geschiedenis. Hij belicht een aantal 'bekende' gebeurtenissen, mensen en processen. Bekend, dat wel, maar vaak om allerlei redenen sterk versluierd tot ons gekomen. Het boek bevat losse historische artikelen uit de afgelopen vijftien jaar, die Fasseur, in navolging van zijn Leidse collega Wesseling, heeft gebundeld, vaak na een ingrijpende bewerking. Een greep uit de onderwerpen: Multatuli, de rol van de Indische bestuursambtenaar, de bloedige acties op het eiland Lombok, de rassenpolitiek, de befaamde 7-december-rede van koningin Wilhelmina, het opkomend Indonesisch nationalisme en de smadelijke aftocht' van Nederland uit de voormalige koloniën. De laatste twee hoofdstukken gaan in op het verschijnsel dat Nederland tot op de dag van vandaag met koloniale trauma's heeft af te rekenen. Het bijzondere van de bundel is dat het Fasseur steeds weer lukt, schijnbaar bekende en mogelijk wat 'versleten' zaken in een nieuw licht te plaatsen Neem de 7-december-rede waarin koningin Wilhelmina in 1942 waarin ten aanzien van Indië ingrijpende staatsrechtelijke hervormingen aankondigde. Er is al vaak op gewezen dat dit gebeurde onder druk van de bondgenoten Amerika en Engeland en dat ook de visie van de 'progressieve' minister van koloniën Van Mook er debat aan was. Fasseur weet - mede dank zij zijn grote bronnenkennis - de zaak haarfijn uit de doeken te doen. Hij geeft precies aan, hoe groot de druk van de VS is geweest en in hoeverre Van Mook zijn stempel op de rede heeft gedrukt. Het lijkt erop of hij een reeks vergeelde portretten uit onze koloniale geschiedenis opnieuw voor de camera zet en door een andere diafragmering en scherpstelling een nieuw portret schept, scherp van 'nul tot oneindig' Fasseur schrijft helder; met groot gemak worden allerlei ingewikkelde gebeurtenissen voor de leek verklaard en toegelicht. Hij laat ook zien dat tal van Indische onderwerpen niet - zoals wel wordt beweerd - bewust onbeschreven' worden gelaten door de historici, maar dat je ze alleen te lijf kunt gaan met een grote dosis kennis van de bronnen. Joop van den Berg --- Leve het Wilhelmus, alle vijftien strofen B. W. Duijier-van Dijk en D. Duijzer: 'in der gerechtigheid' - het Nederlandse volkslied als Had van de bevrijding. Callenbach. Nijkerk; 240 blz. - ƒ 34.90. ~Slechts godsdienstig gevoel en ware hartelijkheid, maar niet één fraai beeld, niet ééne verhevene gedachte, vindt men in het Wilhelmus." Zo citeren de schrijvers van het nieuwste boek over ons volkslied een citaat van de in zijn tijd beroemde predikant en literator G. J. D. Schotel uit 1824, dat ze aantroffen in het proefschrift van Ad den Besten van twaalf jaar geleden. Wat kan men met een goede verzameling citaten toch een aardig resultaat bereiken! Alles wat er maar te vinden is over het eerwaarde lied hebben de Duijzers samengebracht en geordend in een helder en leerzaam overzicht. Wat een grote variëteit van meningen is er ten beste gegeven in de loop der eeuwen, wat is en blijft het Wilhelmus een omstreden lied: wat de tekst betreft, die te moeilijk is of te christelijk, te nationalistisch of conservatief of revolutionair en zo maar voort; wat de wijs aangaat, die oorspronkelijk niet zo bedoeld was, niet zo vol met meiismen stond en die alleen omdat keizer Wilhelm hem zo mooi vond, gangbaar werd in ons land; wie de dichter was, ten slotte, want zelfs het genoemde proefschrift heeft slechts waarschijnlijkheid maar geen zekerheid gebracht over het auteurschap van Marnix van St. Aldegonde Alles is hier verzameld, het oordeel van musici als Jan van Biezen en Ignace de Sutter, van geleerden als Gerard Brom, F. K. H. Kossmann en N. Japikse, van journalisten als Martin van Amerongen en Willem Breedveld ('Trouw' wordt trouwens vaak geciteerd), van theologen als Miskotte en Ter Schegget, van specialisten als P Leendertz en Ad den Besten. Zelfs parodieën worden behandeld: de ellebogen door de mouwen zouden bijvoorbeeld duiden op de armoede die dePrins vrijwillig gekozen had door al zijn bezit op te offeren aan de dure legers die hem ten slotte zo weinig baat opleverden. Het boek behandelt alle aspecten van het lied: geschiedenis, taal, vertalingen, functie, betekenis. Wat dat laatste betreft: de voorgewende trouw aan de koning van Hispanje zou niet op Philips II slaan maar op een estaminet in Brussel dat 'In den Koninck van Hispaengien' heette en de prins als stamgast had. lets serieuzer: de laatste regel van strofe 14 - „'t zal hier haast zijn gedaan" - zou niet bedoelen dat alle aardse streven vergankelijk is, maar, zoals Heeroma al te vernuftig beweerde, dat het leven als vrome christenen weldra, als de zege behaald was, werkelijkheid zou worden Uiteraard wordt veel aandacht gegeven aan de penibele kwestie of het lied wel in de kerk thuishoort, en dan nota bene ook nog met een andere annotatie van de wijs. Het voetbalveld schijnt in elk geval een passender plaats te zijn en Shell gaf zelfs voor het WK voetbal in 1994 een speciale oranje-kaart uit met de twee bekende strofen. De schrijvers verzamelden niet alleen, ze hebben het boek nadrukkelijk geschreven om het Wilhelmus aan te bevelen, alle vijftien strofen Wie de oorlog nog heeft meegemaakt, zal dat allicht beamen Het boek is trouwens, zoals de titel al aangeeft, verschenen ter gelegenheid van de herdenking van de bevrijding. Het bevreemdt mij daarom dat het aardigste essay dat er over het lied bestaat, de bespreking die Nijhoff in 1925 wijdde aan het boek van P. Leendertz, de schrijvers ontgaan is. Daaruit hadden ze niet alleen kunnen leren dat de grote historicus Robert Fruin het lied al net zo waardeloos vond als Schotel, maar ze hadden ook ongetwijfeld met veel instemming de boutade kunnen lezen waarmee Nijhoff Kossman te lijf ging, die het gewaagd had te schrijven dat het Wilhelmus „zich in geen enkel opzicht door bijzondere schoonheid van andere liederen uit denzelfden tijd onderscheidt". Dat was volgens Nijhoff een onvergeeflijke bêtise: „God zij K genadig, ik kan het niet!" J. W Schulte Nordholt --- Afscheid en halve eeuw, van 1917 tot 1967, graasden e Nederlanders gehoorzaam in de wei van hun eigen bevolkingsgroep, terwijl hun herders over de schotjes heen de belangrijke za*en bekonkelefoesden. Een vreedzaam, stabiel land. at is het beeld dat beschreven en geprezen werd door Arend Lijphart in 'Verzuiling, paci'catie en kentering in de Nederlandse polic' In 1968, toen de Nederlandse pacifica'epohtiek °P 2Ün einde liep, verscheen het boek voor het eerst. En sindsdien is het er altijd geweest. Het was dé inleiding in de materie. In elke studie over de verzuiling duikt het op. De Weede en de derde druk, uit 1976 en 1979, berden beide grondig herzien. 'Jn glorietijd beleefde het boek merkwaardigerwijze in de jaren tachtig, toen het eigenlijk a begon te verouderen. Vanaf 1982 veren er elke twee jaar een nieuwe druk. De Wijzigingen beperkten zich tot tien krampach'ge bladzijden in hoofdstuk 1, dat vooral niet anger mocht worden. Het register werd sinds iet meer aangepast zodat men de allang dTkkraPte M' P' C M Van Schendelen' vele rukken lang vergeefs kon zoeken op pagina Na de zesde druk deed uitgever J. H de ussy (Mokum)het boek over aan H. J. W. °echt in (toen) Haarlem. ok dit boek is nu gesneefd. Dezer dagen is ~et 'ICOB in de ramsj beland. Het verzui- fljnr^onderi;oek is ondertussen zodanig vertw ' r9t 'n Jan Van Mierts studie 0 994) over (18?6 steden terloops een A. Lijphart I 8281890), rechter en raadslid te Winschoten, opduikt. Lijphart is nu in alle opzichten geschiedenis. Jan Dirk Snel --- Voor Willem van Toorn blijft dichten verzet tegen het groot verdwijnen Willem van Toorn: Dooltuin. Querido, Amsterdam. 50 blz. - ƒ 35. In zijn nieuwe gedichtenbundel Dooltuin' heeft Willem van Toorn veel bij het oude gelaten. Zijn verzen ogen, met hun regelmatige strofenbouw en licht verdoezelde eindrijmen, als vanouds modem-traditioneel. Het taalgebruik is zoals we dat van deze dichter gewend zijn: sober maar op een onnadrukkelijke wijze toch heel welluidend. Ook naar de strekking bevat deze bundel weinig nieuws. Vrijwel alle gedichten raken in de kern aan Van Toorns inmiddels overbekende thematiek: de verbondenheid tussen mens en landschap in het licht van het verstrijken van de tijd. De enige nieuwigheid in 'Dooltuin' is het uiterlijk, in de met vijftien fraaie litho's van Willem den Ouden verluchte afdeling 'De Waal', van een aantal prozagedichten. Ze doen enigszins denken aan de lyrische natuurcolumns van de eveneens aan het rivierenlandschap verslinger- de Koos van Zomeren. Dergelijke gedichten had Van Toorn nog niet eerder gepubliceerd. Qua sfeer sluiten ze overigens naadloos op de 'gewone' gedichten aan. Geen verrassende bundel dus, maar wel een goede, en op dat laatste komt het uiteraard aan. Van Toorn handhaaft naar het schijnt moeiteloos het constant hoge niveau van zijn vroegere werk. Ook blijft hij trouw aan het idee dat dichten een activiteit is „tegen het groot verdwijnen in", zoals het in het gedicht 'Tekens' heet. Stond er in de bundel 'Gulliver' uit 1985 al niet een gelijknamig gedicht dat zich te weer stelde tegen „dat radeloze verdwijnen"? Vandaar ook dat herinnering en geheugen, de natuurlijke tegenstanders van de teloorgang, in zijn werk zon prominente plaats innemen. Ook in deze bundel weer, bijvoorbeeld in het prozagedicht 'Hoog water', dat begint met de zin: „In het geheugen bestaat het landschap zoals de uiterwaard bij hoog water: onzichtbaar geworden maar aanwezig". Om die onzichtbare aanwezigheid, dat (quasi) voortbestaan van wat voorbij is, is het Van Toorn vaak te doen. Zo wordt in 'Afgebroken dijkhuis' de leegte die het verdwenen huis heeft achtergelaten door de beschouwer weer gevuld met de herinnerde werkelijkheid van weleer: kamers vol levens, het rieten dak, het zolderraam „waarachter het kind een hand-/ breed dijk zag". Aldus verovert dit fantoomhuis zich opnieuw een plekje in de werkelijkheid van nu: 'Millimeters breekt het licht anders/ nog, waar het heeft bestaan. Het subtiele overvloeien - het is inderdaad vaak millimeterwerk - van tijd en ruimte, mens en landschap, etcetera is een van de sterkste eigenschappen van deze poëzie. Van Toorn dicht onmiskenbaar in de trant van wat we een decennium geleden, in een poëtisch nog sterk verzuilde tijd, 'Revisor-poëzie' plachten te noemen. Een sterk cognitief gestuurd dichten dus, alle uiterlijkheid en lyrische natuurtaferelen ten spijt. Niet voor niets heet een van de gedichten 'In zijn hoofd. Het dolen, waarop de titel van deze bundel doelt, is voornamelijk een dolen in de eigen hersenspinsels. Het hoofd - en in het verlengde daarvan het gedicht - is de enige plaats waar het soort overvloeiers kan bestaan waarvan zijn poëzie het hebben moet. Heel mooi komt dit tot uiting in 'Voorjaar', dat bij alle doordachtheid zon ontspannen en bijna terloopse indruk maakt. Het begint zo: Dit is gemakkelijk het intiemste landschap dat er bestaat: tussen mijn gezicht en jouw haar zijn plotseling de rivieren van jaren en jaren samengestroomd in het minieme dal van de herinnering. Dan volgt een concrete invulling van dit landschap, waaraan de geliefden zulke dierbare herinneringen bewaren. De uiterlijke details ervan blijven echter sporen met het innerlijk concept: ze liggen 'simultaan opgeslagen / in onze verbaasde cellen. Het gedicht eindigt met een staaltje grensoverschrijdend poëtisch verkeer dat er zijn mag: Is nu de ontroering dezelfde ' aan weerszijden van de grens tussen jouw hoofd en het mijne? Zeker ruikt de steen die hier ligt precies midden op het haarfijne pad tussen mijn gezicht en jouw haar naar dezelfde lente. Vrijwel alle gedichten in deze bundel ademen diezelfde solide sfeer van nuchtere bevlogenheid als in 'Voorjaar. Van Toorn is geen man van het spektakelstuk. Hij stelt zijn idealen wel hoog, maar verabsoluteert ze niet: 'Dit ideaal houdt het alleen van ver/ of op papier. Er is niet alleen kunde, maar ook durf voor nodig om op zon eenvoudige en toegankelijke manier contemplatief te zijn als hij. De gedichten uit de eerste afdeling, 'Tuinen', zijn een slag gekunstelder dan die in het wat ruigere en weidsere 'De Waal. De bundel opent heel mooi en dubbelzinnig met het gedicht 'Tabula rasa', waarin nog helemaal geen sprake is van een tuin, maar van „onland" en „woeste grond", die als het ware in het gedicht uitwaaiert als „een blad onbeschreven". Voorts bevat 'Tuinen' onder meer een subtiel erotiserende jongensfantasie ('Grotto'), een prachtige herinnering aan een grootvader die zijn kleinzoon via de omweg van een lesje plantkunde een wereld voorhoudt die „heel moet zijn", en het gedicht 'Moeder', dat begint met „Dit is haar laatste tuin" en eindigt met een blik op haar zoon „die taal zoekt waar zij nog in blijven kan. De prozagedichten in 'De Waal' zijn hoofdzakelijk van beschrijvende en Verhalende aard. Ze bevatten fragmenten van jeugdherinneringen aan gebeurtenissen en personages die zijn „weggeschoven uit de geschiedenis". Van Toorn weet het schijnbaar futiele zo te intensiveren dat het een ontroerende meerwaarde krijgt En dat geldt niet alleen voor deze prozagedichten, maar voor de hele bundel. Peter de Boer LITHO WILLEM DEN OUDEN ---