Klokkenspel met goede timing VARA-matinee: muziek van Roussel en Ravel 0.1.v. Jean Fournet. Grote Zaal, Amsterdam (uitzending 2 april aanstaande). Bij de huidige staat van de opera in de lage landen hebben de concertuitvoeringen van de VARA des te meer zin en nut. Deze zaterdag kon men genieten van een pretentieloze uitvoering van L'heure espagnóler. Ravels sprankelende opera die in een scenische voorstelling nogal wat problemen oplevert door het duizelingwekkende tempo waarmee men in en uit klokken dient te kruipen. Het Feydeau-achtige verhaal van de vrouw die drie minaars plus echtgenoot in één klokkenwinkel voor elkaar probeert te verstoppen, heeft de componist geniaal op muziek gezet met de precisie die de ware uurwerkenfanaat kenmerkt. „Neemt u mij niet kwalijk, meneer, kunt u niet wat zachter praten? De klokken hebben oren," zingt de aanbedene op een gegeven moment. Niet geheel ten onrechte, maar men kan zich afvragen met wie Ravel zich het meest identificeerde: met de mensen of met het mechanisch speelgoed. Het ratelende tiktak van de zeer Spaans gestemde ene partij krijgt een opwindend ritmisch contrapunt in de rappe dialogen van de andere. Een ieder wiens hart niet tikt maar klopt, wordt onmiddellijk het mikpunt van spot. De opera verlangt behalve een perfect gevoel voor timing ook een briljant soort oppervlakkigheid, die het ensemble onder de genuanceerde leiding van Jean Fournet heel goed wist te treffen, ook al liet de technische afwerking soms nog iets te wensen over. Isabel Garcisanz is geknipt voor de hoofdrol door de soepele conversatiestijl waarmee zü haar minnaars zingzeggend alle klokken van het huis laat zien. Naast haar excelleerden Henk Smit (als de dikke bankier die bekneld raakt in de kast van een Catalaans uurwerk) en René Massis (als de potente ezeldrijver die hem er weer uit krijgt). Gerard Friedmann gaf met blatende uithalen en een laconieke voordracht een prachtige persiflage van een tenor. Slechts Zeger Vandersteene leek als de onnozele echtgenoot ook de buffostijl niet geheel te vatten. Voor de pauze klonk Roussels muziek bij het ballet Aenéas, een van zün laatste pogingen tot totaaltheater, voordat hy met Het testament van tante Caroline de bühne en het hele wereldtoneel vaarwel zei. De ietwat hitsige tekst die het leven in het oude Rome moet verheerlyken, maar my niettemin assciaties met het vocale oeuvre van Ramses Shaffy bezorgde („Zing! Dans! Bemin! Leef!"), leidt hier soms tot de onverwoestbare vitaliteit waar wel meer componisten voor de oorlog last van hadden. Maar afgezien van de stampende ritmen kon men zn hart ophalen aan Roussels karakteristieke instrumentatie en de hoogst eigenaardige exotisch getinte harmonieën. Groot Omroepkoor en Omroeporkest hielden een overtuigend pleidooi voor hun bestaanrecht. EDDIE VETTER --- In Donatoni's web C-serie: Concertgebouworkest 0.1.v. Zoltan Peskó; Dorothy Dorrow, sopraan. Werken van Schnebel, Donatoni, Dallapiccola en Maderna. Gehoord 26 februari in het Concertgebouw, Amsterdam. Radiouitzending: 4 april, AVRO. Het spannendste en vreemdste stuk gistermiddag was zonder twijfel Per Orchestra 7(1962) van Franco Donatoni, in een op het werk van Schnebel na Italiaans programma. De ongebruikelijke stijl van dirigeren die hier voorgeschreven is, verwekte in eerste instantie enige hilariteit bij het publiek. Het orkest speelt namelijk steeds korte flarden, fragmenten muziek, nerveus en snel, maar met een op zichzelf staande, per fragment gesloten structuur. De dirigent geeft aan hoe die fragmentjes verlopen: welke groep spelers begint, hoe snel er wordt gespeeld enzovoorts. Zoltan Peskó deed dat heel kwiek en precies, maar het orkest reageerde niet steeds even alert. Dat- dit werk toch niet helemaal overtuigt lag niet zozeer aan de uitvoering, maar meer aan de te grote eenvormigheid van het totale verloop. De details per fragment zijn als het ware in een zeer dicht web ondergebracht, terwijl de contrasten tussen die 'webben' juist zeer groot zijn. Dat was op den duur een te voorspelbaar gegeven. Met een zelfde soort büna ondoordringbaar web begon en eindigde Aura (1972) van Bruno Maderna. Die dichtheid werd hier veroorzaakt door de verdeling van de strijkers in zes groepen, in een stereo-achtige opstelling, zodat we nu eens contrabassen 'van links' konden horen komen. Maar het grote verschil met Donatoni zit in het tempo. Bij Maderna is dat vrijwel steeds laag. Het is een muziek, waarbij men rustig van moment naar moment wordt gevoerd, heel ontspannen. Zo ebt het werk ook weg in stilte, een solofluit speelt nog enkele noten. In het kader van dit concert maakte Dallapiccola's cantate An Mathüde op tekst van Heine, met Dorothy Dorrow als soliste, een bijna klassieke indruk. Net als in de Goehte-Lieder, die Dorothy Dorrow vorige week zong, is hier vóór alles Weberns invloed hoorbaar, met name van diens cantates! Maar deze cantate heeft wereldlijke teksten, die Dallapiccola ondanks die Webem-invloed een overeenstemmende, dramatische zetting geeft. Het concert begon met de Schubert-Phantasie uit 1977-"78 van Dieter Schnebel, één van de tot nu toe vijf bewerkingen van meesters uit het verleden, waarmee Schnebel naar eigen zeggen het innerlijk leven van de bewerkte muziek wü openleggen. Voor Schnebel is dat bij Schubert in de eerste plaats diens spelen met de tijd door onregelmatige periodes, 'klankruimten' noemt Schnebel ze. Mij lijkt Schnebel in zijn opzet geslaagd: 'schuiven' met de tijd in het kwadraat, omdat hier met Schuberts al verschoven tijd nóg eens wordt geschoven. Bovendien was er ondanks de laat-romantische bezetting een lichte en milde, kortom Schubertiaanse orkestklank. PAUL VAN EMMERIK --- Niet alleen Varèse Residentieorkest: ASKO Ensemble; Slagwerkgroep Den Haag; ad hoc Mannenkoor; Lucia Meeuwsen, mezzosopraan; René Eckhardt, piano; Peter Eótvös, dirigent. Werken van Varèse, Webern, Busoni en Schönberg. Het tweede, tevens laatste concert van het Varèse-project van het ASKO Ensemble was niet uitsluitend aan Varèse gewijd. De muziek van zün tijdgenoten Schönberg en Webern die hier klonk, heeft op zichzelf weinig met die van Varèse te maken. Waarom die op dit programma zon groot aandeel had, was mü niet duidelijk. Bovendien werden aan het eind van dit lange concert de orkeststukken van Schönberg zó ongeconcentreerd en slordig uitgevoerd, dat die wat mü betreft ongespeeld hadden kunnen blyven. In veel mindere mate gold dat voor de curieuze Nocturne Symphonique van Busoni, de enige 'leraar* van Varèse met wie lüj geen ruzie kreeg. Maar wè kwamen voor Varèse zelf, van wie ter opening Un grand sommeü noir uit 1906 klonk, naar het schijnt het enige niet verloren gegane jeugdwerk. Lucia Meeuwsen en René Eckhardt gaven dit lied op tekst van Verlaine een perfecte vertolking. Wat mü in dit werk het meest frappeerde was de aan Satie herinnerende, blokjesachtige stijl van de pianobegeleiding. De büna antieke sfeer die hier wordt opgeroepen üjkt wel een voorspel voor Satie's Socrate, dat echter van 1919 dateert! Door deze bü nüjn weten Nederlandse première hoorden wü op dit concert alle werken van Varèsse waaraan de stem te pas komt En grand someil noir mag dan een première zün geweest, ook de overige vocaal-instrumentale stukken waren hier alweer jaren geleden voor het laatst te horen. In dat opzicht was het jammer dat de hernieuwde kennismaking niet steeds even aangenaam verliep. In de revisie van 1961 van Equatorial uit 1934 verving Varèse de solo-basstem door een mannenkoor. Hier koos men voor de koorversie, die twijfel doet rijzen over de geschikste oplossing. Een solostem wordt door het orkest overstemd. Hier had men zelfs het koor versterkt, maar liet men de heren zittend zingen, een merkwaardig effect bü de ruige expressiviteit van de Spaanse tekst. Meer te spreken was ik over de uitvoering van Nocturnal voor sopraan, mannenkoor en orkest, dat door Varèse's leerling Chou Wen- Chung werd voltooid. Dat maakt het moeilijk met zekerheid te spreken over Varèse's bedoelingen. Wel valt op dat het werk voor Varèse's doen een kale, uitgedunde indruk maakt, zonder daarbij aan zeggingskracht in te boeten. In Offrandes voor sopraan en klein orkest, dat voor büna de helft uit slagwerk bestaat, vond ik de musici het best op dreef. De precieze en toch heel vloeiende stijl van dirigeren van Peter Eötvös zal hieraan veel hebben bijgedragen. Hü was de hele avond een uitmuntende coach. PAUL VAN EMMERIK --- Zaterdag Vanmorgen staat een bezoek aan de Compendium Bookstore Camden op het programma. Eerst ga ik naar The Dickens House Museum, dat op steenworp afstand van het zeer luxueuze hotel Ugt, waar de deelnemers aan de tour zün ondergebracht. Marmeren entree, kroonluchters, pluche. Dickens woonde tweeënhalf jaar op Doughty Street 48. Hü schreef er de Pickwick Papers en Oliver Twist. Als ik er arriveer is het museum nog dicht. Ik slenter een blokje om en stuit op de achter het huis gelegen Gray Inn's Road op de nieuwbouw van de Times en de Sunday Times. Tegenover deze krantenburchten de pub de Blue Lion met een Fleet bar en een Dickens bar. In de Times van die dag staat een interview met de schrijver Samuel Beckett, die op doorreis is naar Australië. Een onbekende Amerikaan verstoort met zün camera de sfeer in The Dickens House Museum. Hü fotografeert alles. Stoelen, kasten, vitrines, bustes, handschriften, deurknoppen. Binnen een kwartier gaat er een verse film in het apparaat. Thuis zal bUjken wat lüj niet heeft gezien. De Compendium Bookstore is een linkse boekwinkel, die de fakkel van de underground (niet de metro, maar die andere) brandend houdt. Op een kast zün kranteberichten van een paar maanden geleden geprikt. Volgens de knipsels wil de regering de distributeurs van drugverheerlükende boeken aanpakken. Boeken zoals de Electric Kool-Aid Acid Test van Ken Kesey en de strip The fabulous furry freak brothers van Gilbert Sheldon. De Engelse dichter Torn Peckard, die enkele keren in Amsterdam optrad, vraagt in de boekwinkel aandacht voor zyn collega's uit Holland. Peckard zal zichzelf later betitelen als 77ie cream of the scum, dat zo gelukkig was om in Amsterdam te mogen optreden. Het lezen in de winkel jaagt de verkoopdjfers van de meegebrachte bundels niet spectaculair omhoog. Dat hoeft ook niet. ledere oprecht in de Nederlandse poëzie geïnteresseerde is meegenomen. Deze tournee is de eerste voorzichtige stap om op Engelse bodem een beetje vaste voet onder de grond te krijgen. Geen mens die ook maar het flauwste idee had dat Londen zat te wachten op poëzie uit Holland. Tussen het verbluf in de boekwinkel en het optreden in de River Side Studios is nog enige tüd over. We duiken aan de overkant van de boekwinkel een Oxford Arms in. Cabaret upstairs. 's Avonds zal hier onder andere Randolph the Remarkable optreden. Camden is aanzienlyk aangenamer dan het centrum van Londen. Minder lawaai, minder stank. Een buurt die een soort kruising is tussen, de Albert Cuyp en de Kinkerstraat. Met één versclül: armoede. In het Verenigd Koninkrijk kük je de crisis op straat in de ogen. Sfeervolle, maar armoedige en verveloze buurten. Veel afgedragen, shabby kleding. De prijzen in de winkels zün hoog en in het centrum büna onbetaalbaar. Met de underground naar Hammersmith, waar de River Side Studios liggen. Het zün voormalige BBC-studios, die omgetoverd zün in een prachtig theatercentrum. Vorig jaar was het acht maanden gesloten. Cultuur kan je wel aan Maggie Thatcher overlaten. In Hammersmith staat het befaamde Odeon, waar alle popgroepen gespeeld hebben en nog spelen. Schuin tegenover het Odeon een mooie, maar groezelige Saint Pauls Church. De twee tempels worden gescheiden door een op hoge poten neergezette snelweg. Uit de kerk komt een bruidsstoet. De zwarte bruid is in het wit. In het Odeon gaat over een paar uur de hardrockgroep Saxon over tot de aanval. De Nederlandse delegatie in River Side is enigszins opgewonden. Samuel Beckett zit hier zomaar aan een tafeltje. Vinkenoog drukt hem de hand, zoals Vinkenoog dat met iedereen doet die zün pad kruist Beckett werkt mee aan een workshop van een theatergroep die een paar schoolvoorstellingen geeft en die niet voor het gewone publiek toegankelijk zün, zo meldt het toonaangevende uitgaansblad City Limits tandenknarsend. Eat your heart out, Beckett fans, aldus City Limits. Beckett wacht niet op het optreden van de Nederlandse dichters. Voor de optredens in River Side is de groep gesplitst. Zaterdag Harry ter Balkt, Lela Zeckoviè, Peter Nümeüer met de Engelsen Christopher Logue en Torn Peckard. Er is meer publiek dan in de October Gallery, maar toch niet vergehjkbaar met een poëzieavond in de Melkweg. Het lezen gaat goed, het applaus is gul. Malcolm Williams, die de tour in Engeland begeleidt, legt uit dat Amsterdam en Londen qua belangstelling voor poëzie niet vergelijkbaar zün. Hü weet waar hij het over heeft, want hü heeft een paar jaar in Amsterdam gewoond en meegewerkt aan de organisatie van het One World Poetry Festival in de Melkweg. De belangstelling valt hem niet tegen. Engelse giganten als John Cooper Clarke en een Linton Kwesi Johnson (LKJ) trekken in Nederland meer publiek dan in Engeland. Om nog maar te zwijgen over het feit, aldus Williams, dat het onmogelijk is de zwarte LKJ en de blanke Cooper Clarke in Londen op één podium te krijgen. Dat wordt domweg niet gepikt door het publiek. Na River Side strijken we in Hammersmith neer in een India's restaurant. Aan het slot van de geanimeerde maaltijd ontstaan rondom de rekening taferelen, die uitermate' veel beloven als dit gezelschap, of een deel van dit gezelschap, ooit nog eens wat te zeggen krijgt over de verdeling van subsidiegelden. Al moet gezegd, dat de Indiase restauranteigenaar de rekening naar alle waarschijnlijkheid verhoogd heeft met een in zyn ogen ongetwyfeld rechtvaardige ontwikkelingshulptoeslag. --- Brits applaus(je) voor Nederlandse dichters door FRANS KOTTERER LONDEN - De October Gallery is vrüwel leeg. Twee man publiek, nog geen Nederlandse dichter in zicht. Vrijdagavond acht uur, het tijdstip Waarop volgens de Londense uitgaansmagazines het optreden van de Dutch poets moet aanvangen. Aan de witte muren abstracte kunst, een blank gelakte houten vloer. Klapstoeltjes vormen een halve maan. De sfeer is een tikkeltje jaren zestig met een vleugje mystiek. Op een oude schouw staat watch and pray. Achter uit het zaaltje loop ik een dame in de armen. Roos in het opgestoken haar, schelpen hangen aan haar oren, donkerrode kledy, glanzende disco-pants, hoge laarzen. Een sleutelbos rinkelt op haar buik. Ze legt een hand op m'n heup en zegt: „Wie gehts?". Een wereldstad, Londen. Nog , maar net gearriveerd of nu al oog in ! oog met een Duitse dame. De entree van de Hollandse poë. ten lost de situatie gladjes op. En als er dan toch nog wat publiek binnen-3 druppelt, waaronder enkele landgenoten, kan het spel onder leiding g van Simon Vinkenoog op de wagen. . Harry ter Balkt (voorheen de Balker) merkt enigszins cynisch op, dat \ de opkomst voor poëzie, zoals altijd, -Weer groot is. „Het is net modern ; toneel," zegt hü monter. De dichters zetten zich op klap-1 stoeltjes. Vinkenoog introduceert, idaarbü breeduit waaierend over de - Planken. Bernlef begint. Hy wil in elk geval voor de pauze. Zometeen begint in de Pizza Express het concert van de Amerikaanse jazzmuzikant Al Cohn. En aangezien jazzj fanaat nog een milde betiteling is voor Bernlef, is het duideüjk dat hü zich deze buitenkans niet zal laten «ontgaan. ' De dichters lezen hun werk zowel Jn het Engels als in het Nederlands. *Wat opvalt, is dat net ritme in de ,'meeste vertalingen wat stokt. Voorhal als daarna meteen de originele wordt voorgelezen, is het ver- SchU overduideüjk. En dan heb ik **et nog niet over het zelf vertreur Een groep Nederlandse dichters trok de afgelopen dagen onder auspiciën van de Amsterdamse stichting One World Poetry door Londen en omgeving. H. H. ter Balkt, J. Bernlef, Jules A. Deelder, Peter Nijmeijer, Leo van de Zalm, Bert Schierbeek, Simon Vinkenoog en de oorspronkelijk uit Joegoslavië afkomstige, maar al twintig jaar in Nederland wonende dichteres Lela Zeckovic. Woensdag en donderdag waren de dichters te gast op onderwijsinstellingen. Vanaf vrijdag trad de groep op in diverse zalen in Londen, zoals de beroemde River Side Studios.Het Parool maakte een deel van de toernee mee. wen. Het maakt nogal wat uit of je je werk in je eigen taal voorleest of ir een vreemde taal zelfs als is dit vreemde taal de Engelse taal. Peter Nümeüer gaat daar hoorbaar het minste onder gebukt. Zün uitspraak is büna vlekkeloos te noemen. Maar lüj heeft dan ook enkele jaren in Engeland en lerland gewoond. Hy noemt Vinkenoog zelfs Saimon waarop deze luid Siemon! roept. Jules Deelder heeft in de October Gallery de topvorm nog niet te pakken. Het publiek mist een aantal clous. Deelder tydens zün act: „I hope it is English. I did translate it myself." Ondanks de toch wat tegenvallende opkomst is het eigenlijk een heel leuke avond. Het publiek blyft na afloop plakken. De culturele attaché van de Nederlandse ambassade in Londen, de heer Simons, voelt zich in zn element. Hü heeft het personeel van de ambassade opgepord om de volgende dagen in elk geval naar de River Side Studios te gaan. Een oud heertje, rond brilletje en kalende schedel met sierlüke witte krulletjes, wil dolgraag van alle dichters weten hoe de originele poëmen er op. papier uit zien. Welke verstechniek er is gebruikt, welke typografie, welk lettertype enzovoorts. Beckett Vinkenoog Bernlef Deelder --- Zondag Zondag is voor de dichters de laatste dag. Jules Deelder, Simon Vinkenoog, Bert Schierbeek en Leo van de Zalm moeten nog lezen in de River Side. Ze worden bygestaan door Kevin Coiny en Adrian Mitchell. Er is meer publiek dan zaterdag. Vooral Mitchell maakt grote indruk met' het gedicht Beach at Cambridge waarin een dichter zün eerste indrukken moet inspreken op een band op het moment dat hü de wereld na het vallen van de bom voor het eerst ziet. Deelder is beter op dreef dan in de October Gallery. Zün Python Place deel 4711 ratelt in het Nederlands zonder papier de zaal in. De Engelse versie gaat weliswaar in een iets minder hoge versnelling, maar is nog steeds respectabel. Verder is de Engelse zondag een dag om snel te vergeten. Dat gedoe met de sluitingstijden van de pubs is op zondag extra belachelyk. --- kunst 'Een harde film maar het leven is dat ook' door MAARTEN VAN ROOIJEN ..Als woorden uit het hart komen, uit het bloed, dan hebben ze een onvoorstelbare kracht Tijdens de oorlog heb ik woorden gehoord, waarmee mensen de dood in werden gedreven. Maar er waren ook woorden die het leven van mensen gered hebben. Een woord kan een mensenleven helemaal veranderen. Bij mijn lezers heb ik gezien, hoe mijn woorden in staat bleken om hen een nieuw leven te laten beginnen." Aan het woord is Mietek Grayews- K beter bekend als Martin Gray. Hü is de schrijver van de bestseller Uit naam van al de mijnen. Er werden negentien vertalingen van gemaakt. Het boek is inmiddels verfilmd onder de titel For Those I loved en er werd een televisieserie van zeven uur uit gemaakt. „Het succes van mijn boeken meet ik niet af aan het aantal verkochte exemplaren, maar aan wat ze voor mijn lezers betekenen. Van Uit naam van al de mijnen zijn nu dertien miljoen exemplaren verkocht en het aantal stijgt steeds sneller. Ik zie dat als een bewijs, dat nüjn boodschap overkomt. Ik wil vooral, dat mijn boek door jongeren wordt gelezen. Het geeft antwoorden op vragen, die een mens zich in het leven stelt. In mijn boek vertel ik mijn levensverhaal. Waarom ik in leven i blijf en hoe het mogelijk is, dat ie{ mand die zo veel heeft moeten door-1 maken in staat is om steeds weer ' opnieuw moed, hoop en geluk te zoeken. Martin Gray werd op 27 april 1925 in Warschau geboren uit een joodse familie. Hij was dertien toen de Duitsers binnenvielen. Gedurende twee jaar verblijft hij met zijn familie in het getto. Telkens weet lüj door de streng bewaakte omheining te komen, om beladen met voedsel bij zijn familie terug te keren. Daarna volgt het concentratiekamp Treblinka. Hij moet er helpen met het begraven van de lij ken uit de gaskamers. Martin weet uit het kamp te ontsnappen. Hij keert terug naar het getto, waar lüj deelneemt aan het gewapende verzet, dat vier weken duurt. Zyn familie is inmiddels omgekomen. Martin Gray foto teo dukkers Vader Gray (Michael Vork) en moeder Gray (Macha Méril) in het getto van Warschau --- Kode Leger Opnieuw weet hy' te ontsnappen ®n wordt partizaan naast de tegenwoordige generaal Moczar. „Toen ik bij de Pools-Russische ondergrondse zat, schreef ik om de tüd te doden gedichten." Als kapitein in het Rode Leger trekt lüj Berlijn binnen en maakt jacht op hoge nazi's. „Ik geloofde dat de Russen Europa zouden kunnen bevrijden van het nazisme, het fascisme, het kolonialisme en alle andere -ismen. Pas later reaUseerde ik me, dat ik gewoon in een ander kamp van slachters terecht gekomen was. In 1949 werd ik gedemobiliseerd en ik vertrok naar Amerika, paar woonde myn grootmoeder en ik vertelde op het consulaat dat ze me nodig had. Uiteraard verzweeg ik dat ik in het Russische leger had gediend." Na twaalf ambachten en dertien ongelukken komt Martin in de antiekhandel terecht. Hij mag echter niet naar Europa, omdat lüj eerst met het Amerikaanse leger naar Korea moet. „Ik wilde naar Europa om daar antiek te gaan inkopen. Daarvoor moest ik eerst een bewijs hebben dat ik niet in dienst hoefde, want ik had daar de leeftijd voor. Ik had helemaal geen zin om nog eens te gaan vechten. Korea zei me niets. Ik dacht dat ik nüjn portie wel had gehad. Ik vertelde dat ik nüjn familie in Europa moest opzoeken en ik kreeg tenslotte toestemming." De antiekhandel bloeide en Martin leert in New Vork Dina kennen, een Nederlands meisje afkomstig uit Bussurn. „Ik heb haar familie een paar keer bezocht. Dina was getrouwd geweest met een vluchteling uit Wenen, die tijdens de oorlog in Nederland terecht was gekomen. Zij was protestant en lüj jood. Hun huwelijk strandde, maar lüj wilde niet bij haar weg. Negen jaar lang moest ze praten voor een echtscheiding. Martin besluit op te houden met zijn antiekhandel als hij vijfendertig is. Samen met Dina gaat hij in Zuid-Frankrijk wonen, waar lüj in de bergen boven Cannes een droomhuis heeft gevonden. Er worden vier kinderen geboren. Het geluk kan niet op. --- Fatale bosbrand Plotseling breekt in het gebied een enorme bosbrand uit en Dina en de kinderen vinden de dood in de vlammen. Martin overleeft, omdat hij probeert eerst de buren te waarschuwen. „Voor de tragedie schreef ik wel eens wat, als ik de slaap niet kon vatten. Dina tikte dat dan uit. Na de tragedie ben ik pas echt gaan schrijven. Kennelijk was er een dubbele ramp voor nodig om gehoord te worden. De holocaust alleen bleek niet genoeg. Om echt indruk te kunnen maken moest er nog een persoonlijke tragedie aan worden toegevoegd. Pas dan kunnen de mensen zich ermee identificeren. Daaruit is het succes van het boek te verklaren. Ik ontvang zon 600.000 brieven per jaar van lezers. „In al mijn boeken staat, dat de opbrengst ervan naar de Stichting Dina Gray gaat. Die wordt gecontroleerd door de Franse overheid, de belastingdienst. Ze zien nauwlettend toe hoe het geld wordt uitgegeven. Die Stichting heb ik opgericht, omdat ik niet wüde dat mijn vrouw en kinderen voor niets zouden zijn omgekomen. Door die Stichting willen we de Franse kinderen leren, hoe ze bosbranden kunnen voorkomen. We hebben acht miljoen boekjes, posters en folders verspreid. We hebben een campagne gestart die heette Een kind, een boom. Elk kind moest een boom planten. Door dat te doen zullen ze als volwassenen niet meer zo gemakkelijk een boom kapot maken en voorzichtiger worden met vuur in de bossen. „De film en de televisieserie zijn ook niet gemaakt om er geld mee te verdienen. Er zyn heel wat Amerikaanse filmmaatschappijen geweest, die me miljoenen hebben geboden voor de filmrechten van mijn boek. Ik was echter bang, dat ze er een melodrama van zouden maken met een soort onoverwinnelijke cowboy. Een Europeaan zou de geest van het boek beter begrijpen, ik weet dat, want ik heb lang genoeg in Amerika gewoond en ik ben zelfs sinds 1952 genationaliseerd Amerikaan." „Het is niet eenvoudig om je eigen leven zo op een bioscoopscherm voorbij te zien trekken. Op sommige momenten kon ik mijn woede over wat er gebeurde bijna niet meer onderdrukken. Ik wilde de zaal uitlopen en om me heen slaan. Bij sommige gedeelten heb ik mijn ogen gesloten, omdat ik het niet meer aan kon zien. Het is een harde film, maar het leven is ook hard. Ik wilde dat lüj gemaakt zou worden opdat iedereen zou kunnen weten wat er gebeurd is. Misschien zullen miljoenen er kracht uit putten. Ik zie dit als een monument, niet alleen voor de joden, maar voor alle mensen. „Ook de opbrengsten van de film gaan naar de Stichting Dina Gray. Ik loop er over te denken, om de naam daarvan te veranderen in De mens van morgen, naar nüjn laatste boek. Het zou dan een internationale instelling moeten worden, waarin de filmopbrengsten van ieder land terecht komen. In dat boek leg ik uit wat de hedendaagse problemen zijn en geef ik oplossingen voor de toekomst. Het zijn geen revolutionaire ideeën hoor. De film is ook bedoeld om de herinnering aan de oorlog levend te houden voor de nieuwe generaties. Dat is zeker in deze tijd hard nodig. Na de tragische dood van zijn gezin in 1970 is Martin Gray zes jaar later opnieuw getrouwd met de Belgische Virginia Chantal Eraerts. „Toen ik haar ontmoette zat ze nog op school. Ik was in België voor een congres van oorlogsslachtoffers. Ik sprak daar over nüjn boeken en mijn stichting. Chantal kwam daar met haar schoolklas. We keken elkaar aan en het was gebeurd. Chan-, tal kwam naar Zuid-Frankrijk. We zochten samen naar een nieuw huis, want in het huis van de tragedie wilde ik niet meer wonen." Martin en Chantal hebben nu drie kinderen: twee dochters en een zoon. „Ik ben weer een gelukkig mens," zegt hij. „Weetje dat het verlies van mijn eerste vrouw en de vier kinderen veel erger was, dan het verhezen van mijn hele familie tydens de oorlog? Dat was een politiek feit, waarmee je had te leven. De latere tragedie kostte me dagen en nachten om te beseffen dat het allemaal werkelijkheid was. Toen wilde ik een eind maken aan nüjn leven. Dag na dag heb ik myn leven gerekt en ik heb het overleefd." De filmeditie van 'Uit naam van al de mijnen' verschijnt deze maand bij Bruna. (420 bladzijden: ƒ29,90). Martin Gray zal op 5 maart te gast zijn in het televisieprogramma 'Coup ter Weijden' van de AVRO. ---