Daar werd iets groots miskend door JOHN JANSEN VAN GALEN Als in augustus wordt herdacht dat Indonesië zich vijftig jaar geleden losmaakte van Holland, zal veel aandacht zich richten op de militaire acties en excessen. Maar die waren mosterd na de maaltijd: toen Soekarno en Hatta, ontvoerd door radicale jongeren, in augustus *945 de onafhankelijkheid van hun land Proclameerden, was het lot van Nederlandsch*ndië bezegeld en hsd het Indonesisch nationalisme gezegevierd. WAAR KWAM het vandaan? Nederland was geschokt en verbijsterd: de grote meerderheid had zich nooit gerealiseerd dat, afgezien van een paar raddraaiers, in Indië een nationalistische beweging bestond die breed gedragen werd. Van Gandhi had de Hollandse burger in de jaren dertig Vernomen, maar Soekarno werd niet serieus genomen. De opstand van 1945 kon men niet anders verklaren dan uit de Japanse bezetting: de Jap moest de gedweeë inlander tegen ons hebben opgestookt. Zo gauw wij de orde daar hadden hersteld, zouden we de opvoeding van de inheemse bevolking tot uiteindelijke zelfstandigheid weer ter hand nemen. Het is zondagochtend. Vier mensen uit Indonesië en twee Nederlanders zijn bijeengekomen in het stille hart van de hoofdstad. De eersten hebben een groot deel van hun leven gewijd aan de onafhankelijkheid van' hun land, de laatsten aan de studie van Nederlandsch-Indië. De eersten zijn al oud, ze hebben de apartheid onder het Hollandse bewind nog meegemaakt en sloten zich aan bij degenen die er een eind aan wilden maken. "Ik was als kind zogenaamd 'gelijkge steld' met de Europeanen," vertelt Francisca Fanggidaej. "Mijn vader was een lieve man, maar ik vraag mij af welke identiteit hij ons heeft meegegeven. Hij was formeel gelijkgesteld met de overheersers en daardoor kregen wij een bevoorrechte positie. Hij mocht als enige inlander in de sociëteit komen, wij konden naar de Europese lagere school. Dat betekende een vervreemding van je eigen cultuur, waardoor je geen besef meer had van je nationale identiteit. Je voelde je Nederlands, je dacht en droomde zelfs in het Nederlands." Enkele weken nadat hij de onafhankelijkheid heeft geproclameerd, wordt Soekarno toegejuicht door de bevolking van Soerabaja. foto ap Soekarno (links) en Hatta bij het uitroepen van de onafhankelijke republiek Indonesië, twee dagen na de Japanse capitulatie, i FOTO SPAARNESTAD ARCHIEF --- Loyaal Pas als een nicht van haar naar Indië terugkeert na een studie in Nederland, waar ze ideeën over onafhankelijkheid heeft opgedaan, hoort Francisca Fanggidaej voor het eerst het woord Indonesië' uitspreken. "Het werd bij ons thuis nooit genoemd, want mijn vader was een heel loyale ambtenaar, dus over politiek mocht nooit worden ge sproken. Maar die nicht was zich bewust geworden van haar nationale identiteit en zei: 'Ik spuw op zwarte mensen die wit denken, zoals jullie: zwarte Nederlanders." "De term 'Indonesië' dateert als politiek begrip pas uit de jaren twintig," zegt de historicus Harry Poeze. "Daarvoor had je al een vloedgolf van organisaties waarin de bewustwording van een eigen identiteit tot uiting komt, maar die heetten Jong Batak, Jong Suniatra, Jong Minahasa, Ambons Verbond. Het besef dat er een Indonesië is en dat men zich op die basis moet organiseren, js omstreeks de Eerste Wereld- Oorlog nog afwezig." Wel leven er al gevoelens van verzet te gen het Europese imperialisme. "Mijn oom werd geboren in 1909," vertelt Aky Djoehana, "en door mijn grootvader, een overigens heel brave bestuursambtenaar, Togo gedoopt: naar de Japanse admiraal die de Russische vloot had verslagen. Dat werd altijd in de familie verteld. Die eerste grote nederlaag van een blanke tegen een Aziatische mogendheid heeft op ons geweldige indruk geniaakt die niet los kan worden gezien van de latere Japanse invloed." Dat de nationalisten het koloniale rijk onder een nieuwe naam voor zich opeisen en dit als mobiliserende factor gebruiken, is een algemeen verschijnsel. Het is volgens historicus Basil Davidson zelfs de tragiek van de dekolonisatie dat overal de nationalisten de koloniale staatsvormen hebben overgenomen, zonder te putten uit het eigen verle den. Indonesië is een vinding van Ne derlandse makelij en Soekarno claimde dit erfgoed met alles erop en eraan. Een voor de hand liggende vereniging als die van de Papoea's op voormalig Nederlands Nieuw-Guinea met die op Australisch Nieuw-Guinea was daardoor ondenkbaar: de nationale revolutie is onvoltooid zolang niet de hele koloniale erfenis is veroverd. Gondo Pratorrfo herinnert zich de eedaflegging van de jongeren in 1928: wij zijn allemaal Indonesiërs, wij kennen een taal, een volk, een natie. Als hbs'er in Indië kreeg hij eens te horen dat er gereduceerde kaartjes beschikbaar waren voor het zwembad; maar toen hij er met zijn vrienden aankwam, mocht hij niet naar binnen omdat hij inlander' was. Zijn nationalisme zou zich vormen toen hij zijn studie in Nederland voortzette, en zich aansloot bij de Perhimpoenan Indonesia. Ook dat is een algemeen patroon: jongeren uit gekoloniseerde landen die zich van de politieke toestand bewust worden wanneer ze in het koloniale moederland komen. "Er heerste hier een vrijheid die wij niet kenden," zegt Pratomo. Op een straathoek in Den Haag zag hij een man staan die het Volksdagblad verkocht, met de kop: Indonesië los van Holland!' "Dat was voor mij niet zomaar te verwerken; er waren dus Nederlanders die voor onze vrijheid waren!" De volgende schok werd veroorzaakt door zijn contacten met Spanje-strijders: "Mensen die in een vreemd land strijd gingen voeren voor democratie en vrijheid!" Het waren waarden waarvan hij ging beseffen dat ze door Ne derland in zijn geboorteland werden genegeerd. Hij nam deel aan het verzet tegen de Duitsers en, terug in Indonesië, tegen de Hollanders. Het Nederlands bewind over Indië stond sinds het begin van de eeuw in het teken van de 'ethische politiek. "Je kunt je niets paternalistischer voorstellen: de Nederlanders deelden uit de hoogte van hun grootheid de westerse beschaving aan de inlanders mee," typeert de historicus Pieter Droogleever. "En in eerste instantie reageren veel Indonesiërs in de daarbij behorende stemming. De brieven van Kartini zijn uitgegeven onder de prachtige titel Van duisternis naar licht. Java had tot dan toe in het duister rondgewenteld en komt dankzij de zon van de westerse beschaving naar het licht." Juist de confrontatie met dit westerse beschavingsoffensief geeft een schok, die leidt tot bewustwording van de eigen cultuur. Voor de Eerste Wereldoorlog al ontstaan emancipatieverenigingen' als Boedi Oetomo en Sarekat Islam, waarvan de laatste spoedig een paar miljoen leden achter zich heeft. "Het opvallende," zegt Harry Poeze, "is dat men aanvankelijk nog niet in het minst de koloniale overheersing ter discussie stelt; men loopt keurig in de pas met het koloniale bewind." "Maar nog geen decennium na het begin van de ethische politiek verdwijnt die sfeer van nederigheid en dankbaarheid," vult Droogleever aan, "en komt er een zeker zelfbewustzijn en een gevoel van recht." De ethische politiek komt tot uiting in welzijnsbeleid, medische zorg, landbouwvoorlichting, maar ook in onderwijs - zij het dat volgens Droogleever 'ook in de meest optimistische schattingen niet meer dan veertig procent van de kinderen een paar jaar naar school ging. "Doordringen tot in de toppen van het onderwijs lukte veel minder. Niettemin kreeg je een smalle zuil van gestudeerde Indonesiërs." En daardoor ontstaat een kleine elite, waaruit de nationalistische beweging haar kader kan recruteren. "Mijn vader was Indisch arts, dat wil zeggen: niet volwaardig, maar omdat hij genoeg talent had, werd hij in de gelegenheid ge steld in Nederland zijn studie te voltooien," vertelt Aky Djoehana. "Het bestuur in Batavia had weinig geld, maar dan heb je vaak de neiging om nog meer geld te voorspellen: hij .voer, met vrouw en kinderen, eerste klas naar Holland, met ook nog als bediende een neef die mij, hoe jong ik ook was, tijdens die reis ideeën heeft bijgebracht over Indonesië." --- Elite "Er was ontwikkeling in de scholing, maar het wezen van de onderdrukking werd niet aangeroerd," meent Gondo Pratomo. "Het gold maar voor een klein groepje. En waarvoor? Volgetis mij om een elite de gelegenheid te geven de bestaande onrechtvaardigheid, dus het voordeel voor Nederland, voort te zetten." "Ondanks het feit dat naast een beleefd vragende nu ook een eisende Indonesiër op het toneel kwam," zegt Droogleever, neemt de koloniale overheid tegenover de eerste vormen van nationale bewustwording aanvankelijk een voorzichtig-welwillende houding aan. Er komt een Volksraad, aan de verkiezing waarvan hooguit vijftien procent van de Indonesische bevolking mag deelnemen. "Daarin werden direet opgewekte verwachtingen uitgesproken over snelle democratisering en verzelfstandiging van de staat. En me teen zie je bij de Europeanen in Indië een stad- en landgeschrei ontstaan: wij kunnen niet democratiseren, want we zitten hier met een paar honderdduizend blanken tegenover zestig miljoen Indonesiërs, dus als je de koppen gaat tellen zijn we zo weg." Deze halsstarrige houding wordt aanzienlijk versterkt door een radicalise ring aan Indonesische zijde, die halverwege de jaren twintig met name tot uiting komt in krachtig neergeslagen communistische opstanden. "Onze be diende legde in die dagen drie vissen op een bord naast elkaar gereed voor de maaltijd," vertelt Aky Djoehana. "Mijn vader kwam thuis, zag ze en moest overgeven. Hij had net drie lijken zo zien liggen, geëxecuteerd door de Hollanders." Voor de jeugd worden deze communistische opstanden een mythe: "Als je op de hbs wou laten merken dat je fel nationalist was, zei je: ik ben communist. Je beschouwde het als een radicale vorm van verzet tegen de overheerser." "De hele Europese maatschappij daar raakte in opschudding en eiste dat zo hard mogelijk tegen de communisten werd- opgetreden," zegt Harry Poeze. "En communist was dan iedereen die ook maar iets tegen het Nederlandse bewind inbracht. De maatregelen resulteerden in een reeks doodstraffen; van degenen tegen wie' strafrechtelijk niets kon worden ingebracht zijn duizenden zonder vorm van proces gedeporteerd en voor onbepaalde tijd diep in de binnenlanden van Nieuw-Guinea geïnterneerd." De muiterij op de Zeven Provinciën zal in 1933 de vastberadenheid tegenover elk verzet verder aanwakkeren. Bij alle repressie is des te verbazingwekkender dat het nog lang mogelijk zou zijn geweest met de nationalisten tot een vergelijk te komen. Aky Djoehana is een neef van Soetan Sjahrir, met Soekarno en Hatta het leidende trio van de nationalistische beweging vormend: "Hij was naar het voorbeeld van Gandhi een non-coöperator, principieel tegenstander van samenwerking met de koloniale overheid. Maar hij heeft nooit de hoop opgegeven dat overeenstemming mogelijk zou zijn, zelfs in de vorm van een Gemenebest met Nederland, zoals dat in die tijd werd gevormd tussen de Filippijnen en Amerika." In 1936 neemt de Volksraad een petitie aan, waarin de Indonesiërs aan Nederland voorstellen gezamenlijk de onafhankelijkheid van hun land voor te bereiden. "Het duurde tweeëneenhalf jaar voordat Den Haag eindelijk antwoordde," zegt Droogleever. "En het kwam neer op: nee, wij moeten eerst nog een hele tijd doorgaan met onze politiek van opvoeding voordat er een voldoende breed publiek is ontstaan dat een democratische staatsvorm kan dragen - anders krijgt u de dictatuur van een minderheid." De handreiking wordt afgeslagen. Op dat moment hebben de Britten al rondetafelconferenties achter de rug met de Indiase nationalisten, terwijl de Verenigde Staten sedert de Eerste Wereldoorlog in de Filippijnen de autonomie bevorderen. Het lijkt erop dat de Nederlanders zich - terwijl een Indone sische elite zich er scherp van bewust is - niets aantrekken van ontwikkelingen in de regio en menen hun eilandenrijk als in reincultuur te kunnen besturen, een gordel van smaragd en ongestoorde rust. Maar in 1942 wordt NederlandSch-Indië door de Japanners overrompeld. "De" val van dat Nederlandse gezag, dat ik altijd zo imponerend had gevonden: het was net alsof een vermeende grootheid van zijn voetstuk in gruzelementen viel zo gauw de vijand binnenkwam," herinnert mevrouw Fanggidaej zich. "Dat heeft sterk bijgedragen tot onze nationale gevoelens." "Voor 1942 kon Nederland zonder al te veel problemen met een handjevol soldaten, agenten en bestuursambtenaren dat enorme land besturen, omdat dat voor de Indonesiërs de normale situatie was en zij respect hadden voor de Kompenie," zegt Droogleever. "Maar die Kompenie bleek in vijf dagen weggeblazen te kunnen worden. Dat was slecht voor het prestige, temeer omdat die paar honderdduizend Nederlanders in kampen werden opgesloten en in een zeer vernederende positie terechtkwamen." Bovendien doet het Japanse militaire bewind, dat 'niet zoveel kaas had gegeten van het bestuur over dat moeilijke land', daartoe een beroep op Indonesiërs, waardoor zij functies gaan bekleden die tot dan toe voor Hollanders waren gereserveerd. Dit geeft later in Nederland aanleiding tot het verwijt dat de Indonesische nationalisten massaal 'gecollaboreerd' hadden met onze vijand. Het voedt de verbittering. Daartegenover wil Harry Poeze allereerst naar voren brengen hoe ook de Indonesische bevolking - het wordt vaak vergeten - geleden heeft onder de Japanse bezetting: "Het afval uit de kampen waar de Hollanders zaten werd buiten de poort gedeponeerd, waar uitgemergelde Indonesiërs zich er op storten." Op de tweede plaats: "Het beeld dat zij vanaf het begin van de bezetting massaal achter de Japanners aanliepen is verkeerd. Er is veel verzet geweest, niet alleen van Ambonezen die loyaal aan Nederland waren, maar ook van Chinezen en vooral van communisten." En ten slotte: "Van iemand die door toedoen van Nederland tien jaar opgesloten is geweest kun je niet verwachten dat hij sympathie koestert voor dit land. En je kunt hem niet verwijten dat hij in de komst van de Japanners, met alle oproer vandien, de kans ziet om de doeleinden te verwezenlijken waar hij al zijn hele leven naar streeft." --- Vuile handen Otoyo Mahdi, die als knaap koeriersdiensten verrichtte voor de Republik Indonesia ('lk heb de Nederlanders nooit gehaat, ik haatte het koloniale systeem') voert aan dat de nationalisten 'bewust afspraken de faciliteiten die de Japanners aanboden te gebruiken om bestuurlijke ervaring op te doen, het nationaal bewustzijn te ontwikkelen en zich militair te organiseren - ter voorbereiding op de onafhankelijkheidsstrijd. Daar wil Poeze bij aantekenen dat Soekarno echter wel 'heel vuile handen' heeft gemaakt: "Hij heeft - zelf poserend als de grote voorwerker - tienduizenden Indonesiërs opgeroepen om als dwangarbeiders aan de Burma-spoorlijn te gaan werken waar ze bijna allemaal zijn gekrepeerd. Dat maakte ook dat in 1945 de positie van Soekarno en Hatta tegenover hun landgenoten buitengewoon wankel was." Maar de Republiek die zij uitroepen ondervindt meer steun van de Indonesische bevolking dan men in Nederland voor mogelijk houdt. "Wij zijn nog vier jaar vergeefs bezig geweest de kwaden te scheiden van de massa der goedwillenden," zegt Droogleever. "Nederland heeft zich tegenover het nationalisme altijd zeer afwijzend opgesteld. Men wilde de zelfstandigheid van Indonesië bevorderen, maar niet de onafhankelijkheid." "Hier zowel als daar hebben Nederlanders geleefd in een volkomen ontkenning van een groot land en een,groot volk," vat Aky Djoehana samen. "Niet alleen kwantitatief groot, maar ook kwalitatief en historisch. Men is zich nooit bewust geweest van de Indonesische geschiedenis. Al eeuwen voordat hier Karel ende Elegast geschreven werd, reisden Chinese pelgrims naar Java om teksten in het Sanskriet t» vertalen. Toen hier Floris V heerste, bestond daar al eeuwenlang het grote rijk Sriwijaja. Het westerse imperialisme heeft er een paar eeuwen een rol gespeeld, maar het was gedoemd ten onder te gaan." Aan dit artikel ligt een televisie-discussie ten grondslag, die door de auteur werd geleid en op lmei werd uitgezonden via Salto en in augustus wordt uitgezonden door ATS. ---