GUUS BESIER Wie op de wc zat had geluk SCHRIJVER van De Groene Hel is Guus Besier, destijds advocaat in Amsterdam. "Een jong, ambitieus advocaatje. De ouderen op het kantoor hadden niet veel belangstelling voor de verdediging van politieke delinquenten, dus nam ik eind jaren veertig die strafzaken van SD'ers, NSB'ers en andere collaborateurs. Ik heb zelfs Viebahn verdedigd, de naaste medewerker van Lages en een van de beruchtste SD'ers. Die processen haalden heel vaak de krant en zo kreeg ik enige naamsbekendheid. Dat heeft ook zeker meegewerkt. Mensen met een verdacht oorlogsverleden wisten: die vent spant zich voor ons in. En zo kwamen in 1949 ex-bannelingen uit Suriname bij mij, gestigmatiseerde mensen die eerherstel zochten of schadeloosstelling, zoals mevrouw Raedt van Oldenbarnevelt, de weduwe van een gevangene die koelbloedig was geëxecuteerd. Zo leerde ik, van stukje tot beetje, het hele verhaal kennen. Maar erover schrijven kon ik toen nog niet, ik had onvoldoende bewijzen. Die heb ik nu pas, mede omdat Loc de Jong het verhaal bevestigde. Natuurlijk, de meeste ballingen zijn inmiddels overleden. En de rest is hoogbejaard en wil er nog maar weinig mee te maken hebben. Nee, ik heb dit geschreven voor de nabestaanden, voor al die mensen aan wie regelmatig wordt gevraagd: 'Jullie kwamen toch uit Indië, voor de oorlog, waar hebben je ouders dan daarna gezeten?' Zolang kon niemand daar openlijk over spreken." Het verhaal. "In mei 1940, na de Duitse inval in Nederland, werden in Indonesië honderden Nederlanders opgepakt i en in kampen geplaatst. Sommigen van hen waren inderdaad lid van de ' NSB, maar anderen werden alleen i maar verdacht van sympathieën in die I richting, of ze waren het slachtoffer van een haatdragende buurman die ze ' had aangegeven. Nu moet ik eerst uitleggen dat de NSB in Indonesië totaal ' verschillend was van de Nederlandse partij. Dat was bij ons in Nederland in 1949 ook bekend; je hoorde het van landgenoten die na de oorlog hier kwa, men. De NSB in Indonesië was totaal | niet pro-Duits. Misschien zeg ik nu iets heel geks, maar de Indische NSB'ers waren misschien juist de beste Hollanders. Omdat ze het gevaar van het I machtsbeluste Japan zagen. Ze scholden op de Nederlandse regering omdat I die het mooie Insulinde zo in de steek ' liet. Wat hadden ze ter verdediging? Kapot afweergeschut dat het om de , dag deed. En een stuk of wat geweren I uit 1920. Daar maakten die mensen zich nijdig over. Terecht, vind ik. Maar . na de Duitse inval was iedereen die kri- I tiek had op de regering een landverrader. En werden de mensen volstrekt willekeurig opgepakt, al naar gelang de luirrien van de plaatselijke politiecommissaris." "Zo had je de zestienjarige scholier in Batavia. Op het schoolplein spraken de jongens over het feit dat de Duitsers binnen achttien dagen heel Polen hadden veroverd: 'Dat leger moet dan wel heel djempol zijn', machtig, sterk. Een leraar die voorbijliep hoorde dat en gaf de jongen aan. Pro-Duits. Ik heb hier op kantoor ook een matroos gehad. Die was in Balikpappan een avondje gaan passagieren. letwat beneveld keerde hij terug aan boord waar hij ruzie kreeg met de eerste officier. Dat ontspoorde, de politie kwam erbij en per ongeluk belandde hij niet in de gevangenis, maar tussen de politieke gevangenen. En dan was er het dieptragische geval van de destijds beroemde geoloog Musper, een Duitser die zich in 1937 liet naturaliseren. Op grond van het feit dat hij een gewezen Duitser was hebben ze hem opgepakt. Of Neumann, een van de beroemdste vulkanologen, de Duitse klank van zijn naam alleen al was voldoende grond tot aanhouding. Verbijsterend." --- Bont en blauw "Uiteindelijk kwamen zo 683 mannen in het overvolle kamp Ngawi op Java. Contact met familieleden was onmogelijk, veel vrouwen dachten dat hun man al dood was. En omdat ambtenaren oneervol waren ontslagen, kregen hun gezinnen geen cent meer. Alleen als de echtgenotes bereid waren onmiddellijk te scheiden, zouden ze financiële hulp krijgen. Dat alles hebben de mensen mij zelf verteld. Mevrouw Miga is zelfs letterlijk de deur uitgeslagen, bont en blauw, toen ze om steun kwam aankloppen. Niet te geloven." "Pas in het najaar van 1941 begonnen de verhoren. Plaatsvervangend officier van justitie Lambers kwam tot de conclusie dat ten minste 250 gevangenen volslagen onschuldig vastzaten. Maar vrij kwamen ze niet. Sterker nog, de behandeling werd steeds erger, zeker naarmate er meer sombere berichten van het thuisland kwamen. Ik heb mensen gesproken die later in Jappenkampen hebben gezeten en die me vertelden dat de omstandigheden daar nog beter waren dan in deze interne ringskampen. Ook in de Volksraad werd deze internering veroordeeld, sinds 1941 veranderde de status van de gevangenen: van staatsgevaarlijke landverraders werden ze vervolgens aange duid als verbitterden en ten slotte heetten ze onverzoenlijken. Geholpen heeft het ze niet." "Waarom er honderzesenveertig naar Suriname moesten, God zal het weten. Vrijwel geen van hen is ooit verhoord, laat staan veroordeeld. Weer was de selectie volslagen willekeurig; wie op de wc zat had geluk gehad. Op 21 januari 1942 om vijf uur 's morgens werden ze gewekt en twee aan twee, geboeid, met een stalen stang tussen de voeten, naar het motorschip Tjisedane ge bracht. In het ruim was een grote kooi waarin ze, vrijwel ontkleed, werden opgesloten. Frisse lucht kregen ze niet. Alleen bij ondragelijke stank, er waren open latrines en wassen kon men zich nauwelijks, werd een luikje van een halve vierkante meter geopend. Maar de grootste wreedheid, wat het zon schokkende extra dimensie gaf: de mariniers kregen dynamiet mee. Bij een eventuele aanval van vijandige duikboten moest de bemanning een tijdklok instellen, waarna ze twintig minuten de tijd hadden om van boord te komen. Vervolgens zou het schip met de gevangenen ontploffen. Ik kende dat verhaal, maar pas nu De Jong erover heeft geschreven heb ik het harde bewijs. Heel bewust besloot men dat de hele troep de lucht in moest." "Veertig dagen hebben ze gevaren. Zonder één keer gelucht te zijn. Buiten de rede ging het schip voor anker, de gevangenen werden met stokslagen in een kustvaarder geranseld en onder zware bewaking naar fort Nieuw Amsterdam gebracht, een afgrijselijke gevangenis. Voor het minste vergrijp, ie mand had tijdens het appel over zijn snor gestreken terwijl hij zijn armen stijf tegen het lichaam moest houden, werden ze zwaar gestraft. Deze man werd 'kromgetrokken', handen werden met touw op de rug gebonden en dat werd weer aan de voeten bevestigd waarna het touw op de rug werd aangetrokken tot zo iemand lag te gillen van de pijn. Of: eenzame opsluiting in een stikdonkere cel waar het zó benauwd was dat je nauwelijks kon ademhalen." "Na zes maanden werden ze naar een concentratiekamp midden in de jungle gebracht. De Joden Savanne, ooit Vierenzestig tekstpagina's telt het boekje, vierenzestig bladzijden die samen een zwart hoofdstuk vormen in de Nederlandse geschiedenis. Diep in de jungle van Suriname hebben 146 vermeende landverraders uit Indonesië onder barre omstandigheden gevangengezeten in een Nederlands concentratiekamp. Tot de bevrijding van Europa? Nee. Nooit verhoord, nooit veroordeeld kwamen de overlevenden pas op 15 juli 1946 vrij. door LEONOOR WAGENAAR was het een joodse nederzetting. Ze moesten er dwangarbeid verrichten, bomen kappen, gras wieden, er was eindeloos lang appel, driemaal op een dag, uren in de brandende zon. En verder had iedereen corvee. Ik vertel het nu in telegramstijl, maar het moet een hel zijn geweest. Met name de mariniers hebben zich zo wreed gedragen. Zo had je de zogenaamde alarmoefeningen, waarbij lukraak met mitrailleurs werd geschoten. ledereen moest naar de barakken vluchten en als je niet snel genoeg was, vlogen de kogels om je voeten, er zijn ook verschillende mensen ernstig verwond. Dat gebeurde minstens een keer per dag, maar op de verjaardag van luitenant Carlier schoten ze maar liefst achttien keer op een dag. Ook dwars door de barakken. Een lolletje, zogezegd. Net als het geintje om een handgranaat tussen een paar met elkaar pratende mensen te gooien. Zo heeft iemand nog een oog verloren." geknuppeld en weer in zijn cel gesme ten. Een ander schot was ook al niet dodelijk; Van Poelje raakte ernstig verwond en werd gillend in zijn cel geworpen, hij zou later in het ziekenhuis overlijden. Maar door dat gegil, het moet door merg en been zijn gegaan, kwam de gevangenisdirecteur in opstand, schreeuwende dat dit 'platte moord' was. Dat heeft het leven van Kraak nog gered, maar helaas, de kogel die Raedt van Oldenbarnevelt eerder had gekregen was wel raak. Twee man in koelen bloede vermoord." "In wezen hadden de gevangenen het geluk dat de mariniers zulke verdomd slechte schutters waren; Stulemeier heeft er zijn leven aan te danken gehad. Hij was met drie andere gevange nen ter dood veroordeeld omdat ze waren gevlucht. Dat was nadat ze eerst de opdracht hadden gekregen de joodse graven daar open te breken en te plunderen, en toen ze weigerden moesten ze de latrines met hun blote handen schoonmaken. Ze zijn ontsnapt en weer gevangengenomen. En door een zogenaamde rechtbank van mariniers ter dood veroordeeld. Maar tijdens de executie ketste de kogel uit de stengun af, Stulemeier werd bewusteloos 'De gevangenen hadden het geluk dat de mariniers zulke verdomd slechte schutters waren.' FOTO WUBBO DE JONG / HET parool --- Gereedschap de Surinamerivier op. Toen dat be kend werd, brachten bosbewoners van heinde en verre hun zieke familiele den bij de dokter, algauw hield hij er een soort buitenkliniekje op na. En de Surinaamse schutters vormden wachtposten die waarschuwden als er een marinier in aantocht was. Je kunt je haast niet voorstellen hoe populair de gevangenen daar waren. Toen ze eindelijk naar huis mochten en door de mariniers stiekem in vrachtwagens, als dieven in de nacht, werden afge voerd, liep de halve bevolking uit, huilend, juichend, met vlaggen, mensen riepen: 'Blijf toch bij ons!' Ze gaven cadeautjes, vruchten, niet te geloven." "Nederland, Europa werd bevrijd, de Jappen hadden zich overgegeven, maar in het kamp Joden Savanne ge beurde niets, het regime bleef even wreed; lijfstraffen, celstraffen. Een ge vangene, drager van de Militaire Willems Orde, was doodziek, maar de leiding weigerde hem naar het ziekenhuis te brengen. Dat gebeurde pas toen de man stervende was. De dag na aankomst is hij overleden. Natuurlijk heb ik me afgevraagd waarom die mariniers zó sadistisch waren. Ik heb wel een vermoeden, het waren natuurlijk derderangs lieden, inferieure militairen, weggeparkeerd in het oerwoud. Terwijl de gevangenen, daar zaten ontzettend veel topfiguren bij; beroemde geleerden, belangrijke ambtenaren, planters, een zeekapitein, kopstukken Ik denk dat de psychologische afstand te groot was, dat ze jaloers waren en de pest in hadden dat ze hun gevangenen niet op de knieën kregen. Maar die vonden het op hun beurt zo bespottelijk en schandalig wat hen overkwam, ze weigerden zich bij de situatie neer te leggen." "Een vol jaar verstreek. En nog eens twee maanden. Het is onbegrijpelijk, de regering moet toch hebben gewe ten dat die mensen daar vastzaten... Pas op 15 juli 1946 werden ze op de ms Boissevain richting Europa gezet. Daar mochten ze dan vrij over het dek lopen. Dokter Schoonheyt kan geen ple zierige overtocht hebben gehad; de hele reis heeft hij een medegevangene die krankzinnig was geworden bege "Maar er waren ook positieve gebeurtenissen. Zo was daar dr Schoonheyt, destijds een heel bekend arts en malarialoog in Indië. Er waren natuurlijk nauwelijks medicijnen in het kamp, maar de Surinaamse schutters, hun directe bewakers, waren de gevangenen gunstig gezind, ze begrepen ook absoluut niet waarom die Nederlanders zó wreed moesten worden behandeld. Dus smokkelden ze niet alleen medicijnen naar binnen, maar ook kapot ziekenhuisgereedschap dat technici in het kamp gemakkelijk konden repareren. Vervolgens stelde Schoonheyt voor om naast de houtploeg, de plantploeg en de fruitploeg ook een viscommando in te stellen. Goed voor de voedselvoorziening, nietwaar? Het toeval wilde dat de commandant op dat moment geen marinier maar een lid van de Irenebrigade was en de Irenebrigade, dat moet gezegd, stelde zich veel menselijker op. Dus kreeg hij toestemming en mocht hij met zn vriendjes leid, de man wilde overboord springen. Later heeft hij alsnog zelfmoord gepleegd. Dat is trouwens ook in het kamp gebeurd; twee hebben er een eind aan hun leven gemaakt." "In 1945 mochten de gevangenen voor het eerst een kaartje naar huis sturen. Maar omdat er veel werd geschreven wat de mariniers niet beviel, werd de helft weggecensureerd. Zo kon het gebeuren dat mevrouw Raedt van Oldenbarnevelt, samen met haar twee zoons, met blijde verwachting aan de kade stond om pas daar te horen dat haar man was geëxecuteerd. Ook de familie Van Poelje moest daar horen in welke vreselijke omstandigheden hun zoon aan zijn einde was gekomen. Anderhalf jaar later zou de moeder van verdriet overlijden. Aan de andere kant waren er ook gevangenen bij die allang doodgewaand werden, in enkele gevallen was de vrouw al hertrouwd." "Ze kregen allemaal vijfentwintig gulden. En een rood identiteitsbewijs. Terwijl dat normaal grijs was. Dus als deze mensen gingen solliciteren werd altijd gevraagd waarom dat papier rood was. 'Hebt u in Suriname gezeten? Dan zien wij er maar liever vanaf.' Niemand durfde zijn vingers te branden aan een mogelijke landverrader. En leg maar eens uit dat'waar rook is, nu eens géén vuur was. Ze konden niet dan met de grootste moeite aan de slag komen. Want als de regering iemand zes jaar dwangarbeid had opgelegd, kon zon man toch niet anders dan een zware crimineel zijn? Maar ook sociaal waren ze gestigmatiseerd, want de omgeving stelde natuurlijk ook vragen. Ze werden met de nek aangekeken, dus hield iedereen dat verleden maar liever geheim. Voor verschillende slachtoffers heb ik geprocedeerd. Soms lukte het een oneervol ontslag als ambtenaar in Indonesië om te zetten in eervol. Maar dan kregen ze nog geen enkele vergoeding, laat staan recht op pensioen." --- Geen gezag "Maar procederen was heel lastig. Want wie moest ik aanspreken? De Nederlands-Indische regering bestond niet meer na de souvereiniteitsoverdracht in 1949. De Nederlandse overheid stelde dat ze geen enkele verantwoordelijkheid had voor wat in Nederlands-Indië was gebeurd. En in Suriname zeiden ze: 'Ja, luister eens, wij hadden geen enkel gezag over de commandanten in de strafkampen. Ik wist vantevoren dat ik geen schijn van kans had. Toch wilden mijn cliënten dat ik het zou proberen, in de hoop dat de pers aandacht aan dit grove onrecht zou besteden." "Waarnemend procureur-generaal Grünberg in Suriname heeft een onderzoek ingesteld. Hij liet de lijken opgraven en concludeerde dat de mannen geboeid in de rug waren geschoten en dat bovendien door het fout ge mikte schot een slachtoffer ondrage lijk moet hebben geleden. Daarnaast heeft hij een aantal getuigen gehoord en vervolgens een rapport opgesteld. Maar dat rapport is in Nederland volle dig in de doofpot gestopt. Van zijn zoon hoorde ik later dat het Grünberg tot zijn dood verschrikkelijk dwars had gezeten, dat hij er woedend om is gebleven. Toen er dan eindelijk een parlementaire enquêtecommissie werd ingesteld die de gebeurtenissen in Suriname moest bestuderen, is dit rapport niet op tafel gekomen." "Publieke rehabilitatie hebben deze mensen nooit gekregen. Duitsland heeft zijn fouten erkend, Japan heeft de onmenselijke behandeling van Ne derlanders in de kampen toegegeven, maar nooit heeft de Nederlandse overheid openlijk willen verklaren dat in die periode groot onrecht heeft plaatsgevonden. Nu nog ligt een dichte de ken van hardvochtige vooroordelen over dat verleden. Daarom heb ik dit boekje geschreven. En nu al krijg ik zo ontzettend veel dankbare reacties van nazaten, kinderen die zich nu niet meer hoeven te generen voor de politieke houding van hun vaders, er ligt daar zoveel pijn en verdriet, ik hoor re acties: 'Nu pas begrijp ik hoe ontzettend pappie heeft geleden. Echt om • tranen van in je ogen te krijgen. Een andere zoon woont in Zuid-Afrika, maar de telefoongesprekken die we voerden, niet te tellen. Nu wil hij hiernaartoe komen: 'Ik wil kennis met u maken!' Dit boekje heb ik uit eigen zak betaald, achtduizend gulden. Dat krijg ik er natuurlijk nooit uit, maar in wezen heb ik het al terugverdiend door al die dankbetuigingen." "Ik heb het naar kamerleden ge stuurd. En naar de koningin. Daar kreeg ik binnen zes dagen antwoord van: ze had er kennis van genomen en het doorgestuurd naar de ministerpresident. Ook van verschillende kamerleden heb ik al antwoord gehad, ik krijg echt het gevoel dat de bal nu, na vijfenveertig jaar, gaat rollen. En als dat gebeurt, dan zie ik dat als een be loning. Omdat het voor heel veel mensen de échte bevrijding zou beteke nen." A.G. Besier: De Groene Hel. Een Nederlands concentratiekamp in Suriname 1 maart 1942 tot 15 juli 1946. Uitgeverij Servo. ISBN 90--71918-5fW). ƒ13,90. ---