Max Raedecker, schilder te Parijs ”Dit is geen vak maar een ziekte waar je nooit meer vanaf komt” sinds die na een aanvankelijke studie Chinees toch de kunst verkoos, het beeldhouwen. „De doem van de familie," volgens Francoise Raedecker, Francaise uit een familie van plattelandsbankiers, in de oorlog met Max getrouwd. !.Ce is de buurt rond het metro- v Onvention, tegen de zuid-westn de y " parijs, aangedrukt bij de Por- C 6ew es' nog iets karakterlozer Pen pj°onhjk. Fantasieloos ontwor, r 1». La d os neergezette woongebouk! B>JentChe in de Passa6e de Dantzig, r* terio gaat er tussen schuil als A\ koen°?S achtergelaten herinnering. Ü,e ateli om"ge gebouw met minus? nst • tmin is ook niet meer wat het {^logeeleer woont er sinds kort na de r het n^ax tegenwoordig beschouwt tB, walleen nog als „een contacta- hij vrijwel uitsluitend de 'fo Hij anden doorbrengt. Werken Li in°£ net familiegoed (van vrouws Jh, rüi h 2uiaen. in Chaunac. Zijn j* toni tnin achter La Ruche is aan s*e zoon Marnix toegevallen, Spreekt geen Nederlands, evenmin als Marnix — „Mijn vader heeft stelselmatig geweigerd het ons te leren," zegt hij onder protesten van Max — en de voertaal van het gesprek is daarom zonder duidelijke aanleiding dan weer Nederlands, dan weer Frans. Raedecker heeft niet zo lang geleden een litho gemaakt voor een vriendenboek. „Ik hou anders niet van litho's, ik hou van unicums. Die litho's, daar worden er zogenaamd tweehonderdvijftig van gemaakt, maar er zitten er vierduizend in de handel. Op die manier gaat dat. En dat vind ik nou een beetje valse bankbiljetten drukken. Ik zal ook nooit een kopie maken van een schilderij of zo." Grinnikend gezegd allemaal. „Dat is nou ook de reden dat ik altijd, zeg maar, een beetje een klandestiene schilder ben geweest." Plechtig: „. .. Daar ik niet hou van galeries." Als veertienjarige „hing hij al", zoals dat heet, in een kunsthandel. „En dat vond ik verschrikkelijk vervelend. Al die vrouwen en mannen die rond je heen zitten te zaniken en vragen in wat voor stemming je was, of dit of dat. Nou, die schilderijen die er hingen, waren allemaal landschappen van Parijs, heel zwart, heel donker. En dat kwam waarschijnlijk, denk ik, omdat ik helemaal doordrenkt was van Dostojewski. Thuis kreeg je geen literaire educatie —je greep maar wat." Geboren in Blaricum, zoon van de beeldhouwer Willem Raedecker. Op twaalfjarige leeftijd met vader naar Parijs, die er een paar maanden ging passen op de katten van een kunstbroeder. Nooit meer weggeweest uit de Latijnse landen — altijd gewoond en gewerkt in Frankrijk, Italië of Spanje. Tegen het uitbreken van de oorlog als koerier van de Nederlandse ambassade in Rome naar Parijs gestuurd. Meldt zich als de bom barst, bij het Franse leger, „omdat ik zon beetje anti-mofs was". , „Ze vroegen: wat doe je in het burgerleven. Kunstschilder, zei ik, Nou, dan ga je maar wapenfabrieken camoufleren. En zo kwam ik terecht in de Corrèze, in Chaunac, bij zon grote wapenfabriek. Maar ja, die mensen daar hadden er ook niet zon zin meer in, het was in de tijd van Duinkerken, die waren ook hun koffers aan het pakken. En bus 45 uit Parijs zag je er en alle clochards van Montparnasse, Bertrand de Jouvenel, de dochter van Colette, wie kwam je er niet tegen? Ze zaten er al allemaal, de kolonel Berger, zo noemde André Malraux zich in het verzet. Die ook". Sluit zich aan bij de Maquis, het Franse verzet. „Ik heb in die tijd nog een paar leuke schilderijen gemaakt. Allemaal op linn ,