Ihaags GEMEENTE MUSEUM Carel Visser nieuw werk rondleiding zo 3 juli, 14 uur extra kosten: ƒ 2- p.p. Paul Bradley The Red Cloud t/m 21 augustus Constance Wibaut haute couture en modetekeningen 1953-1969 t/m 4 september Openingsrijden: di t/m zo 11-17 uur Informatietelefoon: 070 - 351 28 73 Stadhouderslaan 41, Den Haag --- I Gouden Strop 1994 I voor Maarten 't Hart . ia Het woeden der gehele wereld f? is 't Harts meesterproef over \_\ M I een nooit opgehelderde moord- & zaak in Maassluis. l/l Een geweldige roman en een E ftM I onvervalste thriller. Nu be- Jjj IA 4 kroond met de Bruna Gouden _\ Strop voor het beste spannende UI boek van Nederland. Maarten 't Hart Het woeden der H m$ÊÊr gehele wereld UI | 5e druk/f 34,90/699 BF | Q --- JAN SIEBELINK Laatste schooldag ___W_W___' SfflS Mt: < Verhalen vol weemoed en mededogen over het hevige slagveld van de onderwijswereld. Het mooiste geschenk voor het afscheid van de schooltijd. 224 blz., f 34,90 NU IN DE BOEKHANDEL --- •»^^^m_m___Mmm_______m____________m^^m^mmm»mam^^mtmmmmmmm^^ Advertentie CHARLOTTE MUTSAERS Rachels rokje * ...sprankelend gewapper... - Arnold Heumakers in de Volkskrant * 311 verrukkelijke pagina's - Robert Anker in Het Parool * Zon boek waarvan ik zeker weet dat ik het nog ettelijke malen zal herlezen omdat het iets zeer belangwekkends op het spoor is - Anthony Menens in De Groene Amsterdammer 3iï blz., f 39,90/790 fr NU IN DE BOEKHANDEL Advertentie -HR-S-._-_Z--_-_-_-_-_-_-_ZW --- Het wordt pas spannend als er niets gebeurt door Arjan Peters Een spannend verhaal navertellen is flauw. Bovendien heb ik niet veel op met fluitende kogels en agenten van politie, die ook dan niet geweerd zouden kunnen worden. Ze zijn me te gemakkelijke ingrediënten om een plot opwindend te maken. De bundels bankbiljetten en noodlottige verliefdheidsgevoelens, het soort zaken dat in dit genre literatuur nooit mag ontbreken, zijn mijns inziens ondergeschikte elementen in Vertraging, de eerste roman van Tim Krabbé sedert Het gouden ei uit '83. De schrijver jongleert wat met genoemde gegevens om zn verhaal in de steigers te zetten - de Hollandse schrijver annex quizmaster Jacques (47) vindt na dertig jaar zijn tot steenrijke modekoningin uitgegroeide vakantievriendinnetje Moniek (50) in Sydney terug. Haar imperium staat op instorten, zij neemt haar geld en de benen, Jacques meesleurend op een wanhoopsvlucht door het Australische land -, maar werkelijk enerverend wordt het op de schaarse dooie momenten. Wat moeten deze twee oppervlakkige hoofdpersonen aanvangen met een voorbijhippende kangoeroe op de voor-, een ruisende zee op de achtergrond, en alle tijd aan henzelf? Hoe brengen ze hun dagen door als ze, een- Tim Krabbé versnelt en vertraagt de machinerie van het dagelijks leven maal voorzien van een vals paspoort en veranderd kapsel, niet meer als personalities herkend worden door televisiekijkers en krantelezers? Als ze zo ver verwijderd zijn van hun gebruikelijke leven dat buitenstaanders ze achteloos tegemoet treden, alsof het gewone mensen zijn, anonimi als u en ik? Twee keer in Vertraging gebeurt er niks, en wordt het dus spannend. Op de overige bladzijden, ja binnen elke alinea is het een rusteloos wrikken en sjorren aan de lineaire chronologie. Al wat Krabbé daar meedeelt heeft te maken met vertraging of versnelling, twee kanten van dezelfde methode om de aandacht van Jacques, Moniek en de lezer van het gevreesde dooie moment af te houden. Jacques' vliegtuig terug naar Nederland heeft vier uur vertraging, hij gaat Sydney in en loopt de vlucht daardoor mis (nieuwe vertraging), in de stad vindt hij Moniek met wie hij vroeger méér had gewild dan een enkele zoete nacht (dertig jaar vertraging), Moniek is vijftig maar staat als zakenvrouw nog steeds bekend als Madame Twenty (vertraging), samen moeten ze de politie vóór zien te blijven (versnelling), volgens Jacques' gekochte paspoort heet hij Leslie Elder en is bijna vijftig, inderdaad een paar jaar ouder (versnelling). Duizelig word je ervan. In wroeging belt Jacques zijn vriendin Sonja op het thuisfront op, maar legt na één toon de hoorn neer: vertraging. Hij denkt terug aan de Vlaamse Christa met wie hij als jongere een week in Oostende zou optrekken. Christa schreef hem toen nerveus dat ze veel moest turnen en een strenge vader had, zodat hun afspraak kromp tot een weekeinde, dat een dagje werd en ten slotte helemaal niet door ging: versnelling. Enzoverder. Totdat het gebeurt: stilte. Jacques en Moniek, de voortvluchtige beroemdheden, zijn uiterlijk wat oudere vakantievierders geworden. Ze spelen golf en frisbee. Zij eet een worstje op een muurtje bij een parkeerterrein. Alleen Jacques herkent haar. Hij voelt zich 'een helderziende die in het heden kon kijken. Is er iets mooiers denkbaar voor een duo met zon jachtig bestaan, dan vrij en onbespied elkaar in het hier en nu in de ogen te zien? Maar Moniek is te praktisch aangelegd voor enigerlei bespiegeling, en voor Jacques blijft het bij een vluchtige vaststelling. Een aantal maanden en avonturen verder wordt het bonter. Getweeën zitten ze in een Australische uithoek (rotswand, waterval) op de afgelegen boerderij Fort Madness, opnieuw onvindbaar, afgesneden van de dolmakende machinerie van vertraging en versnelling die dagelijks leven heet. Aangewezen op elkaar. Uitsluitend nog bij machte, helder in het heden te zien. Daar worden ze goed nerveus van! Moniek houdt zich onledig met boodschapjes doen, en nauwelijks dorst Jacques 'tot zijn ontzetting' te beseffen dat hij het paradijs is binnengekomen, of één levensteken uit de mensenwereld is genoeg om zijn onrust te doen aanzwellen tot fatale proporties. Wees gerust, ik vertel niets na, maar Vertraging telt dan nog slechts twintig pagina's. Geluk en liefde, het zijn momenten. Heb je ze achter de rug, ga ze dan niet terugzoeken (vertraging), want dat loopt onherroepelijk uit op een definitief adieu (versnelling). Krabbé manipuleert vindingrijk met dit idee, tot en met de talloze vergelijkingen die als oma ment dienst doen, maar daarbij stuk voor stuk als heipalen het thema stutten. Zo kruipt een tractor voort over vlak land, 'langzaam en scheef als een vlieg door een plas bier. Vertraging. Krabbé bekloeg zich er onlangs in interviews weer over dat zijn boeken door het establishment als eendimensionaal divertissement worden bekeken. Dat krijg je er van als je spannend schrijft. Vanwaar die onvrede, als de erkenning zou moeten komen van de gewichtige speknekken die de subsidiepoet en lauwerkransen verdelen? Geachte Krabbé, laat die lui toch in hun vet gaar smoren (vertraging), en werk voort aan een volgende, even plezierig leesbare roman. Onverdroten (versnelling). Tim Krabbé: Vertraging. Bert Bakker, ƒ 24,90 (ing.), ƒ 34,90 (geb.). Tim Krabbe foto maarten corbun --- Een jood is als vis in de vissoep door Michaël Zeeman 'Hoe Joods moet mijn kind zijn?', vraagt Rogi Wieg zich af in zijn bijdrage aan De olifant & het joodse probleem, maar hij blijft het antwoord op die belangwekkende vraag schuldig. Dat is wel jammer. Want wat zou ik het graag weten - al was het maar om er achter te komen of die vraag opzettelijk en weloverwogen zo onbenullig geformuleerd is. Of om via een analogie-redenering aan de weet te komen hoe Brabants of rooms-katholiek mijn kind zou moeten zijn, en of het werkelijk gedwongen kan worden mijn honingzachte g als sjibboleth over te nemen. Want moet? Waarom niet kan, wil of zal - of desnoods is? En wat heeft de specifieke identiteit van dat ene kind te maken met de collectieve identiteit waar het kennelijk deel aan moet hebben, en hoe dan wel? De kwestie is in die algemene vorm, waarin een individu geijkt moet worden naar de karakteristieken of zeden van een groep, al intrigerend. In' de bijzondere vorm waar Wieg het over had willen hebben, namelijk die van de joodse identiteit, is ze nog prangender. Er hebben te veel mensen verbaasd opgekeken toen ze vernamen dat ze behalve hun eigen identiteit ook een joodse hadden, omdat te veel andere lieden secuur meenden te weten hoe je die collectieve identiteit individueel kon vaststellen. Wiegs verhaal, of liever gezegd: zijn reeks filosofietjes, impressies en onbesuisde invallen, is er een van een twaalftal, dat Jessica Durlacher bundelde om een beeld te geven van de manier waarop de 'tweede generatie' omgaat met 'jodendom, antisemitisme en de erfenis van de oorlog. Twaalf verhalen, beschouwingen en collages, van elf Nederlandse auteurs en een Belg. De vorm van Wiegs bijdrage biedt een rudimentair antwoord op de vraag naar de joodse identiteit: hij leverde een verzameling fragmenten in, onsamenhangende notities van herinneringen en ervaringen. Hij denkt dat ze de scherven van een verdwenen cultuur zijn en dat je ze ook zo moet presenteren, ongeordend en in hun natuurlijke staat. De verhalen en woorden die hij in zijn bijdrage uitstalt, zouden vroeger deel hebben uitgemaakt van een geheel. Zou het? Zouden onsamenhangende mededelingen noodzakelijkerwijs fragmenten van een geheel zijn? Het lijkt me een sentimentele illusie. Heeft een gemeenschappelijk verleden effect op een gemeenschappelijke identiteit, en word je daar als individu op doorslaggevende wijze door bepaald? Ik moet er niet aan denken - en Arnon Grunberg blijkbaar ook niet. Zijn verhaal was de samenstelster 'te afstandelijk. Ter toelichting is de brief opgenomen die Grunberg schreef als antwoord op haar kritiek. Het is jammer dat we Durlachers oproep om een 'persoonlijker en directer' verhaal slechts kennen door Grunbergs antwoord. Het heeft er alles van dat het een verzoek om meer identiteit is geweest, meer fröbelen met scherven, meer sentimentaliteit. 'Ik kan mij weinig voorstellen bij het gevoel ergens deel van uit te maken', schrijft hij in zijn brief. 'Het lijkt me eigenlijk ook geen prettig gevoel.' De Hongaarse schrijver Imre Kertész kan ervan mee praten. In zijn Kaddisj voor een niet geboren kind worstelt hij met de vraag van Rogi Wieg, alleen heeft Kertész er wel over nagedacht - een leven lang en niet uit vrije wil. Hij is van 1929 en verdween in 1944 in een concentratiekamp, dat hij overleefde. Als zijn veel jongere vrouw later een kind van hem wil is er maar een antwoord mogelijk. Want de kwestie is niet hoe joods zijn kind moet zijn, maar hoe joods het zal zijn - hoe joods dat kind gemaakt zal worden door lieden die het prettig vinden anderen een duidelijke identiteit toe te kennen. Kertész heeft zijn boek geschreven als een litanie, als een fuga, en hij volgt daarmee het beroemde gedicht van Paul Celan, de Todesfuge. De gouden haarlokken van Margarete, de veraste lokken van Soelamith, het graf in de wolken en de meester uit Duitsland, ze komen er allemaal in voor, als brokstukken van een half-vergeten melodie. Zijn Kaddisj heeft de toon en de structuur van die fuga - bezwerend en wanhopig, en wanneer de melodie in zichzelf verstrikt dreigt te raken, keert hij terug naar die eerste maat. 'Nee', want waarom zal ik het kind blootstellen aan wat mij werd aangedaan. In slepende zinnen gaat hij op zoek naar de bron van zijn weigering, en raakt hopeloos verward in beelden en indrukken die soms louter van hemzelf zijn, soms inwisselbaar met ervaringen van lotgenoten en op andere momenten over hem heen gehangen als een vreemde jas. Want de samenstelling van de joodse identiteit zoals Kertész haar aantrof, erfde, overnam en opgedrongen kreeg, is niet meer uiteen te rafelen. 'Zoals je uit vissoep ook niet meer de afzonderlijke vissen waaruit die soep getrokken is kunt halen, zo kan ik bij mijn ouders niet zeggen welk gedeelte van ze bepaald is door de oorlog en welk niet', schrijft Arnon Grunberg in De olifant & het joodse probleem. Wat voor de ouders van Grunberg geldt, geldt voor het niet verwekte kind van Kertész. 'Ik ben als privémens geboren', schrijft Kertész wanhopig, maar hij weet dat dat niet waar is in zijn geval. Of liever gezegd: dat hij dat wel kan vinden, maar dat daar soms op wordt afgedongen. Zijn privacy is geschonden, is aangelengd en dooreen gehusseld met de voorstellingen en waanideeën van anderen. Mag je, als dat risico bestaat, die soep doorgeven? De leraar in het kamp waar Kertész als kind in terecht kwam deed het toen hij het uitgemergelde jongetje zag liggen: hij stond zijn rantsoen aan hem af. De elementaire wil tot overleven maakte plaats voor onvoorzichtig altruïsme, the selfish gene week voor wat je toch maar het best beschaving kunt noemen. Die gebeurtenis wordt bij Kertész een obsessief motief. Want als vernietigingsdrang een gegeven is, dan is het gedrag van die leraar excentriek. Of ook een gegeven, en dan kan het 'nee' herzien worden. Kertész wordt stapelmesjogge van dat dilemma. De verkrachting van zijn individuele identiteit is een onuitwisbaar feit, de vis kan niet meer uit de soep worden getrokken. Wat rest is het bezwerend mompelen en neuriën van zijn Kaddisj, en je kan hem nauwelijks kwalijk nemen dat hij op driekwart van zijn boek niet langer meester is over de rangorde tussen de grote geschiedenis en de kleine. Het dilemma is dan zo pijnlijk geworden dat Kertész in de vooroorlogse periode gaat wroeten en de grond voor zijn 'nee' in het optreden van zijn vader begint te zoeken. 'Vader' en 'concentratiekamp' lossen op in de soep van het uitzichtloze verdriet. De meeste auteurs van de verhalen in De olifant & het joodse probleem houden de nap waarin die soep zit angstvallig vast. Het is pijnlijk om te zien dat ze hem niet zozeer aangereikt hebben gekregen, maar hem zich toeëigenen. 'Ik ben niet eens joods', zegt Durlacher in haar inleiding. 'Maar ook ontleende nostalgie biedt stof voor sentiment.' Het is de vraag of je met dergelijke motieven moet jongleren louter uit nostalgie of sentimentaliteit, of omdat de hele cultuur in de weer is met een exhibitionistische identiteitscrisis. De beide slimneuzen in de bundel, Wanda Reisel en Marcel Möring, weten wel beter. 'Ik denk niet dat er een gevoel van "joodsheid" mogelijk is zonder religiositeit', schrijft Möring. Hij verankert, net als Reisel, de identiteit in een vrijwillige keuze om je te gedragen als anderen. Het lijkt me de verstandigste manier waarop je een slagboom kan aanbrengen op de Autobahn naar Neurenberg. Jessica Durlacher (samenstelling): De olifant & het joodse probleem. Arena, ƒ 36,90. Imre Kertész: Kaddisj voor een niet geboren kind. Uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer. Van Gennep, ƒ 32,50. --- Verovering van de onbebouwde kom door Arnold Heumakers Robert Anker heeft iets met Maarten 't Hart. Ooit schreef hij: 'We houden allemaal van Maarten', en in zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel Vergeten licht bekent hij dat dit niet eens ironisch was bedoeld. Het werk van 't Hart raakt bij Anker blijkbaar iets zeer wezenlijks, dat hij zelf aanduidt door te spreken over 't Harts 'merkwaardige berichten uit de nog maar net verdwenen wereld van voor de welvaart en de tv, toen Nederland nog een overzichtelijk dorp was en geen moreel diffuus woonerf. Anker heeft allerlei literaire, stilistische bezwaren tegen 't Harts boeken, maar dat die verdwenen dorpse wereld hem niet onverschillig laat is evident. In zijn eigen werk, zowel in zijn gedichten als in zijn verhalen en essays, komen we immers dezelfde wereld tegen, zij 't op een heel andere manier dan bij Maarten 't Hart. Het verschil zit hierin dat Anker niet zozeer geïnteresseerd is in een evocatie van dat verdwenen dorp, door middel van smakelijke verhalen en anekdoten, als wel in de gevolgen van het verdwijnen. Wat gebeurt er met iemand die is geboren in een beschermde, gesloten plattelandswereld en daarna terecht komt in de verwarrende openheid van het moderne grootsteedse bestaan? Het is deze vraag die Anker, zelf opgegroeid in een dorp en lang geleden verhuisd naar Amsterdam, blijft bezighouden. De overgang is niet zonder 'shocks' geweest, schrijft hij in Vergeten licht, met als gevolg 'een onderdrukte angstigheid [...] die zich in vage ruimtevrees manifesteerde, soms in een gevoel van depersonalisatie en voortdurend in het besef geen enkele richtlijn meer te hebben hoe je moet leven. In zijn gedichten probeert hij deze schokken 'onschadelijk' te maken, maar de poëzie is natuurlijk ook een middel om zich in de nieuwe omgeving een plaats te verwerven. De literatuur hoort tenslotte bij de grote stad, niet bij het dorp. Wat voor de gedichten geldt, geldt ook voor de verhalen die Anker sinds enige tijd schrijft. Volledig ontstemde piano heet zijn tweede bundel, gevuld met zeven raadselachtige, onderling samenhangende verhalen. De grote stad is telkens het decor, maar het dorp blijft steeds op de achtergrond aanwezig, als een onbereikbaar geworden (want verdwenen) land van herkomst waarvan de hoofdpersonen zich nooit helemaal kunnen losmaken. Stuk voor stuk lijden ze dan ook aan de zojuist genoemde kwalen die de overgang van dorp naar stad bij de schrijver zelf heeft veroorzaakt. Tamelijk ontredderd staan ze in het leven, nadat een onverwachte gebeurtenis hun dagelijkse routine heeft doorbroken. In het eerste verhaal is het een vrouwelijke inbreker die de naamloze hoofdpersoon uit zijn gewone doen haalt. Zij breekt - letterlijk en figuurlijk zijn verstarde leven open en hij gaat vervolgens 'in de wirwar van het leven zelf' naar haar op zoek, 'om de volheid, de wijsheid en de pijn. Dat laatste klinkt als het refrein van een schrijnend levenslied. Anker heeft vaker de neiging een ietwat pathetische of dramatische toon aan te slaan, waarbij hij het cliché niet altijd uit de weg gaat. Het past bij het eveneens nogal pathetische, dramatische, clichématige beeld dat hij van de metropool schetst. Een beeld waarin alleen plaats is voor lawaai, troep, drukte, krakers, junkies, berovingen, politie-helikopters, ontruimingen. Ook hier is de invloed van het dorp dus nog niet verdwenen. Dat beeld heeft beslist romantische trekken, zowel in zijn negatieve als in zijn positieve kanten. Want het is niet zo dat Ankers hoofdpersonen de zelfkant waarmee zij in aanraking komen afwijzen. Integendeel, de inbraak heeft meer weg van een bevrijding en in een ander verjiaal staat uitdrukkelijk dat de hoofdpersoon door een zakkenroller van zijn portefeuille wordt 'bevrijd. Van die andere wereld, belichaamd door het kraakpand 'Kostverloren' (dat in twee verhalen voorkomt), gaat kennelijk een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Opvallend is echter dat het romantische avontuur dat het kraakpand lijkt te beloven in de praktijk minder als een avontuur uitpakt dan als een confron- Robert Anker zoekt her en der naar het dorp in de stad tatie met de eigen - ontheemde - conditie. De krakers van huize Kostverloren' zijn eerder lotgenoten en Kostverloren, schrijft Anker bij monde van zijn hoofdpersoon, is een 'metafoor': Tedereen is uit alle windstreken door de woestijn van het leven komen aandwalen en moet zich hier, in de onbebouwde kom, in deze droge oase, een plek veroveren. In dezelfde positie bevindt zich de hoofdpersoon, wiens speurtocht naar de - uit een dorp afkomstige - kraker 'Paul' (in het verhaal met de veelzeggende titel 'De taper getapet') niets anders dan een omweg blijkt te zijn om bij zichzelf en zijn eigen onvrede uit te komen. In dit verhaal reageert de hoofdpersoon die onvrede af op zijn huisraad. In enkele andere verhalen wordt zijn woning door derden leeggehaald, naar hij vermoedt: door zijn exvrouw en zijn kinderen. De inbreuk op de dagelijkse routine krijgt dan opeens een heel ander karakter. De inbreekster uit het eerste verhaal neemt de gedaante aan van een vroegrijpe leerling, die een wankelmoedige leraar met haar erotische verlokkingen weet in te palmen. Met als gevolg: oneervol ontslag, scheiding, malaise, maar ook - weliswaar pijnlijk en hardhandig- bevrijding. Elke breuk schept ruimte, waardoor misschien 'de volheid en de verwondering' kunnen terugkeren die voordien in het moderne grootsteedse leven leken te ontbreken. Waar die terugkeer precies moet plaatsvinden, daarover kan bij Anker geen twijfel bestaan: dat is in de kunst en in de literatuur, waar de verbeelding met haar grenzeloze mogelijkheden het verlies compenseert, terwijl dat verlies tegelijkertijd als motor van de verbeelding fungeert. In Volledig ontstemde piano krijgt de verbeelding meer dan eens de gelegenheid de realiteit naar haar hand te zetten. In diverse verhalen vinden dingen plaats die 'niet kunnen'; een agent blijkt lang genoeg om boven een dakgoot uit te torenen, in een boyenwoning begint het op onverklaarbare wijze te sneeuwen. De fantastische elementen markeren, ,zou je kunnen zeggen, een grensoverschrijding. Aan gene zijde begint een vrijheid die door de literatuur wordt ontsloten, en verandert de beklemde burger in een schrijver die zich niet meer door de beperkingen van het alledaagse laat terneerdrukken. Hij geeft zich over aan de woorden die onder zijn pen verschijnen, in de hoop ze ooit te kunnen ontcijferen. Zijn verhalen bestaan (zoals het op de laatste bladzijde heet) uit de klanken die het kauwtje van de hoofdpersoon aan een 'volledig ontstemde piano' weet te ontlokken. Met dit op het eerste gezicht duistere slot sluit Anker aan bij zijn literatuuropvatting, zoals die wordt uiteengezet in Vergeten licht. Schrijven doet hij, naar eigen zeggen, in 'domheid', zonder zich te bekommeren om de intenties. Daarin schuilt het echte avontuur. Anders dan de realist 't Hart wil Anker niet weten waar hij uit zal komen; de literatuur is voor hem een exploratie van mogelijkheden die zich tijdens het schrijven aan hem voordoen. En zelf is hij niet minder verbaasd over het resultaat dan de lezer. Of dat laatste helemaal waar is, waag ik overigens te betwijfelen. Anker is minder 'dom' dan hij zich voordoet. In een van zijn essays bekent hij niet voor niets dat hij niet alleen zijn ervaringen kwijt wil, maar daarbij tevens 'ideeën' wil betrekken. Ook aan Volledig ontstemde piano liggen duidelijke ideeën ten grondslag, die alle betrekking hebben op de smartelijke verdwijning van het dorp en alles waar dat voor staat. Het geeft aan deze verhalen soms een wat al te demonstratief karakter, dat de vlucht van de verbeelding afremt. Maar zo is het gelukkig niet altijd. Op andere momenten komt Anker los van zijn bedoelingen en krijgt het geschrevene, dank zij de lyrische kracht van de woorden, inderdaad het karakter van een imaginair avontuur waardoor in elk geval deze lezer zich - willens en wetens - heeft laten betoveren. Robert Anker: Vergeten licht. Essays. Querido,/42,55. Robert Anker: Volledig ontstemde piano. Verhalen. Querido, ƒ 29,90. Robert Anker ---