Folio Eindredactie han van gessel en kees los/Vormgeving roelie fopma Kanalisering van een nationaal narcisme door Jan Blokker DE OUDE KORPORAAL die afgelopen zondag door Frans Bromet voor de VPRO aan het huilen werd gebracht, had eigenlijk nergens spijt van - hij schoot pas Jo' toen hij vertelde dat hij 45 jaar geleden bij terugkeer uit het verloren Indië door niemand *as begrepen. Volgende week gaat de documentaire Tabee *a« in première, en ik las dat ze zich bij het jeteranenplatform, zonder nog een meter van fle film te hebben kunnen zien, nu al opwinden °verde vertoning, want er schijnt een luitenant !n v°or te komen die een euvele daad opbiecht, Cn dat werpt opnieuw een smet op militairen tlle, misleid door hun regering, meer dan zesduiend kameraden hebben zien sneuvelen. N°g een paar nachtjes slapen trouwens, dan or,thult RTL de volledige waarheid over de vermoedelijke Nederlandse moord in Rawahgedeh, aari is Beatrix net onderweg naar het staatsbezoek dat van het maatschappelijk draagvlak niet °P 17 augustus mocht beginnen, dan zullen ze D|l NOVA nog vijf of zes terugblikflitsen hebben ."''gezonden, en dan kan iedereen intussen het evensverhaal van Poncke Princen hebben ge- Kocht en gelezen. Wat hebben al die dingen gemeen? Bovenal, zou ik zeggen, de volstrekte naarinnen-gekeerdheid van ons historisch besef. Uni de feitelijke toedracht van de gedane zaken het zelden, om een rationele afweging haast l°°'t, om het 'wederhoor' van de toenmalige egenpartij helemaal niet. Het gaat uitsluitend ,"J onszelf, om onze gekwetste ego's, om onze eledigde onschuld. Er is ook eigenlijk geen J*schil tussen het zeü-beklag (de huilende kor- P°raa| het verontruSte veteranengedrag) en de (de boetvaardige luitenant, pawahgedeh) - ze dienen gelijkelijk het nationale narcisme waarop de herinneringsindustrie Al*' gebaseerd; in dat opzicht appelleren RTL, iRO en al die andere media allemaal aan dcc"dc confectiesentimenten: berouw, mededo- |en, morele verontwaardiging, verongelijktheid. TJ voor alle kwalen houdt de therapeut - niet eden in de vermomming van interviewer of "least - zich aanbevelend beschikbaar. , °f het op de boekenmarkt anders (beter) ligt an op radio en televisie, waagt een mens soms Neem alleen al het voorwoord bij !fn nieuwe bundel van de oud-strijder Ant. P. de faaf, die in al ten minste vier of vijf eerdere ™blikaties de stem van Jan Soldaat heeft ver°lkt en die zich dus ook al jarenlang (sinds 1988 ■n> precies te zijn) beklaagt over het feit dat de Rerdenkingsdiensten bij het Indië-monument in Oerrriond nooit zijn gefrequenteerd door 'de terwijl de doden die daars'nds herdacht worden, toch 'stierven voor het acterland'. Dat voorwoord, van prof dr. ;L. Meijler, eindigt in verbittering, omdat mi.'ster Van Mierlo gemeend heeft zijn mening ten es,te te moeten geven door de twee politionele cties historische vergissingen te noemen, zoner daarbij voor eens en voor altijd duidelijk te pken dat, als dat al zo is, de betrokken Nederandse militairen dan de eerste, althans de meest l&n slachtoffers waren en zijn.' De cursiveringen zijn van mij. In het laatste **val zien we weer dat bijna exclusieve beroep P het 'eigene'; in het eerste geval wordt in Jv'ifel getrokken of Van Mierlo wel gelijk had. aar van zelfs maar een poging om dat nader te Verzoeken, is noch bij de voorwoordschrijver °ch bij De Graaff sprake - en van de Indonesictle slachtoffers (aantal nooit precies bekend pvorden, maar het moet een veelvoud van de esduizend zijn geweest) wordt niet gerept. ~ pf neem anders, omgekeerd, de autobiogra,e van Poncke Princen. Princen stond tot voor ort niet of nauwelijks genoteerd op de herinne, "gsbeurs, en zonder al die -wel of niet door cm gezochte- commotie rond de visumverr kking van vorig jaar zou hij vermoedelijk als ,en vergeten ex-Nederlander in Jakarta hebben . unnen sterven. Zn misdrijf- de desertie en het , "dienst-treden bij een vreemde krijgsmacht ."'aar volgens de jaartelling van de veteranen l°n er anno 1948 nog geen formeel Indonesisch bestaan) - wordt in Nederland intussen vp ftvee manieren geïnterpreteerd: als de daad watJ een boef of als de daad van een held, voor ,e'ke laatste duiding ook graag zn rol als hoer van de mensenrechten in het huidige Indoe 'ë wordt aangevoerd. lk zou na lezing van Een kwestie van kiezen et durven kiezen. Dat hij een voorgenomen schrijverssamenwerking met de keurige journalist Wiecher Hulst heeft laten schieten om z'n verhaal te vertellen aan een theetante die er een smakelijke pulpbladenvertelling van heeft gemaakt, zegt misschien niet alles, maar het zegt natuurlijk wel iets. Maar waarom heeft hij klaarblijkelijk niet eens geprobeerd om Joyce van Fenema te laten geloven dat hij iets te vertellen had? Wat je nu leest is de geschiedenis van een gewiekste jongen die z'n gram op de Nederlandse sergeanten-majoor-kaste haalt door over te lopen en daar, handig als hij is, een half en half aan Sartre ontleende principiële 'keuze' onder bouwt, waarna hij zich als geboren strietser zonder veel moeite in de nog amorfe Indonesische samenleving weet te wurmen, sterker nog: het nodige gezag verwerft binnen die maatschappij-in-wording. Tedje van Es in tropenland. En in dat hele onzinboek geen spoor van heldere informatie - noch over z'n politieke rol, noch over z'n relatie tot z'n nieuwe landgenoten, noch over Indonesië zelf, noch over de mensenrechtenmythe. Wat deed hij in de dagen van Sukarno's 'geleide democratie'? Ten tijde van de coup van 1965? Tijdens de overgang naar Suharto? Wanneer je pretendeert als een dapper man in het volle ingewikkelde leven van zo'n bijzonder land te hebben gestaan, en ten aanzien van een paar elementaire zaken blijk je niets substantieels te melden te hebben, dan laad je de verdenking op je dat je een loze bluffer bent. Met vooral nog die verwantschap met je generatiegenoten uit het oude moederland dat je het vooral over jezelf hebt. Met een beetje kwaaie wil kun je ook de bundel De bevrijding in de oost nog rangschikken in de categorie narcisme. Het gaat om de herinneringen van tien meer of minde bekende Nederlanders (Rob Nieuwenhuys, Bep Vüyk, H.L. Leffelaar, Margaretha Ferguson onder anderen) en een Engelse, die het uur van hun verlossing uit Japanse gevangen- of interneringskampen al eerder hebben opgeschreven en gepubliceerd, en wier bijdragen nu nog eens bij elkaar zijn geveegd, zonder dat de uitgever, of een eindredacteur, de moeite van verantwoording of een toelichting heeft willen nemen. Op het schutblad wordt alleen dank uitgesproken aan Rudy Kousbroek en Bert Paasman 'voor hun adviezen'. Maar wat hebben die nou precies geadviseerd, en waarom? Een slonzig boekje, met andere woorden. Van bijna 'echt' narcisme lijkt sprake in Totok tussen Indo's, maar het zou onbillijk zijn dat kleine pamfletje van Peter Schumacher - 'een persoonlijk relaas over arrogantie, versluierde discriminatie en vernedering onder Indische Nederlanders' - op één lijn te stellen met de beetje dubieuze uitgaven die hierboven zijn genoemd. Wat Schumacher heel bescheiden te berde brengt, zijn de authentiek opgeschreven ervaringen van honderden of duizenden blanke Nederlanders die als kind opgroeiden in Indonesië en nooit helemaal in het reine zijn gekomen met hun relatie tot niet-blanke, en meer speciaal 'Indische', landgenoten (de Indo's) met wie ze van jongsaf aan evenveel aanrakings- als wrijvingspunten hebben gehad. De schrijver lijkt vooral z'n eigen therapeut, met dien verstande dat zn herinneringen en kanttekeningen ongetwijfeld door vele lot- en leeftijdgenoten zullen worden herkend. Het lijkt me ook meereen boekje voor het praatgroepencircuit dan voorde boekhandel. TEGENOVER AL DIE neerlandocentriek' staan ten minste drie publikaties waarin althans een begin wordt gemaakt met het wederhoor: met een zekere nieuwsgierigheid naar Indonesië en de Indonesiërs. Twee van die drie zijn bundels interviews, vormen van 'oral history' aan de hand van gesprekken met mensen die de koloniale jaren, en zeker de jaren van de Indonesische revolutie (1945-1949) nog tamelijk bewust hebben meegemaakt - per definitie dus oudere mensen. Het ene staat op naam van een journalist. H.C. Beynon zocht het nadrukkelijk bij gesprekspartners die nog over de dagen van het Nederlands bewind konden vertellen, en bundelde hun herinneringen onder de titel Verboden voor honden en inlanders. Hij heeft zn bijna dertig geïnterviewden letterlijk aan het woord gelaten, wat tot nadeel heeft dat je als lezer zijn methode niet kunt 'controleren', want je weet niet wat hij gevraagd heeft, respectievelijk wat hij misschien verzuimd heeft te vragen. Een voorbeeld. Beynon geeft het relaas weer van mevrouw Soerastri Karma Trimoerti (1912), die hij over het jaar 1933 laat zeggen: 'Op dat moment was Boeng Karno opnieuw aangehouden en vastgezet in de gevangenis Soekamiskin bij Bandoeng, waar later onder de Japanners Nederlanders werden opgesloten. Ik verhuisde en ging inwonen bij Iboe Inggit Gamasih, de vrouw van Boeng Karno.' Bij zo'n passage wil 'n mens rechtop gaan zitten, om nog vijf bladzijden verhalen over die Inggit te lezen, die Sukarno's tweede vrouw was en die tien jaar later door hem werd 'verstoten' omdat hij wilde hertrouwen met hun pleegkind Fatmawati. Inggit moet een interessante vrouw zijn geweest - maar mevrouw Soerastri doet verder geen mededelingen. Wilde ze niet, of was Beynon niet nieuwsgierig? En waarom dan niet? Het hangt een beetje samen met een veel algemener gebrek aan 'sturing' in het boek. Wat wilde de schrijver - behalve wat anekdotiek - precies boven water krijgen? In z'n inleiding vat hij het Haagse Indië-beleid samen met de woorden 'rechtschapen kneuterigheid', maar bij die vermoedelijk zeer adequate typering laat hij het verder, en je hebt ook niet de indruk dat hij geprobeerd heeft die karakteristiek in z'n interviews geadstrueerd te krijgen. Verboden voor honden en inlanders is overigens een stuk ambachtelijker geschreven dan Vijftig jaar merdeka van het echtpaar Koetsier- Korvinus, dat blijkens de flaptekst ook niet zozeer bij de ondervraagdiscipline alswel bij 'het kerkelijk werk in Indonesië' betrokken is. In hun bundel ligt - de titel zegt het al - de nadruk op de jaren van de onafhankelijkheidsstrijd. Ook zij hebben de methodiek van het aanhalingstekens-openen-aanhalingstekens-sluiten'-interview view toegepast (zodat de ondervraagden niet zozeer praten als zichzelf maar als hun ondervragers - een bezwaar dat ook bij Beynon loert), ook bij hen blijft het gespreksdoel overwegend onduidelijk, waardoor de verhalen even anekdotisch als willekeurig dreigen te blijven. Wat dat betreft kunnen geen van beide boeken in de schaduw staan van De roep om Merdeka, dat veruit de interessantste uitgave in dit herdenkingsjaar mag heten. Harry Poeze en Henk Schulte Nordholt redigeerden een boeiende ver-f: zameling teksten (literaire, politieke èn wetenschappelijke) die stuk voor stuk van grote maatschappelijke en politieke betekenis zijn geweest in het Indonesische vrijwordingsproces. Zij hebben documenten in chronologie opgedeeld in een categorie van vóór en eentje van na de oorlog. Zo zijn fragmenten uit Sjahrir's Indonesische overpeinzingen (die hij in Nederlandse interneringskampen schreef) in deell opgenomen, en vinden we stukken van Onze Strijd in deel II. Van vóór de oorlog komen we onder andere de beroemde 'volksraadinterpellatie' (1933) van Thamrin en de niet minder bezongen pleitrede tegen die Sukarno in 1930 hield, toen hij wegens het overtreden van de haatzaai-artikelen' voor het eerst werd aangeklaagd (en veroordeeld). En van na de oorlog is onder andere het artikel uit 1960 waarin Mohamed Hatta. exvice-president, voor het eerst openlijk afstand nam van Sukarno's dictatuur van de 'geleide democratie'. IN HAAR VOORWOORD spreekt Hella Haasse van 'de noodzaak om de werkelijkheid - onder andere van ons land als koloniserende mogendheid- te leren zien door Indonesische ogen, en om de heilzaam corrigerende invloed van die visie op te nemen in het eigen beeld van onze, bij lange na niet in al zijn aspecten onderzochte en doorgronde relatie tot Indonesië'. Het is een vermaan waarvan je zou willen dat het ernstig ter harte werd genomen door alle werknemers in de herdenkingsindustrie. Tot slot Indische lessen -Nederland en de koloniale ervaring van de socioloog J.A.A. van Doorn, die -na in een lang (cultuur)historisch exposé te hebben geschetst hoe Nederland zich eeuwenlang kon handhaven in de multiculturele Indische maatschappij (waar de islam de volksgodsdienst was) - de stelling verdedigt dat exploratie van dit koloniale verleden kan bijdragen tot vergroting van onze zelfkennis' ten gerieve van de multiculturele samenleving die we nu thuis hebben. Het heeft alles van een papieren idee, en Van Doorn slaagt er ook niet helemaal in het van de schrijftafel te laten opstijgen. Maar dat Indië 'voor ons alsnog een spiegel [kan] zijn' is zonder enige twijfel een prikkelend idee. Of is het bijna zoiets als wetenschappelijk narcisme? Ant P. de Graaft: Zeg, Hollands soldaat. Van Wijnen; ƒ 25,-. ISBN 90 5194 137 4. Poncke Princen: Een kwestie van kiezen. Zijn levensverhaal opgetekend door Joyce van Fenema. BZZT6H; ƒ 29,50. ISBN 90 5501 212 2. De bevrijding In de oost - De bevrijdingsdagen van Rob Nieuwenhuys, Agnes Newton Kieth, Bep Vuyk, G.F. Jacobs, Paula Gomes, Eric Lomax en anderen. Meulenhoff;/ 10,-. ISBN 90 290 4715 1. Peter Schumacher: Totok tussen Indo's - Een persoonlijk relaas over arrogantie, versluierde discriminatie en vernedering onder Indische Nederlanders. De Kan, Amsterdam; ƒ 14,50. ISBN 90 801201 8 9. H.C. Beynon: Verboden voor honden en Inlanders - Indonesiërs vertellen over hun leven in de koloniale tijd. Jan Mets; ƒ 39,50. ISBN 90 5330 142 9. Henk & Tineke Koetsier-Korvinus: Vijftig Jaar merdeka - In gesprek met Indonesiërs en Nederlanders. Kok; ƒ 29,50. ISBN 90 242 2356 3. Harry Poeze & Henk Schulte Nordholt (redactie): De roep om Merdeka. Jan Mets/Novib; ƒ 49,50. ISBN 90 5330 144 5. J.A.A. van Doom: Indische lessen - Nederland en de koloniale ervaring. Bert Bakker;-ƒ 29,90. ISBN 90 351 1599 6. Java 1995. foto daniel koning -de volkskrant --- Sjaalman TRIREME BEZORGDE ATHENE IN ÉÉN KLAP HEGEMONIE TER ZEE rj nad een van de blikvangers van da manifestatie Sail '95 in Amstergin Itloeten worden, maar dat feest va 8 niet door wegens nonchalance as h Griekse marine. De Olympi- Chi • rec°nstructie van het spectatri aire oudgriekse oorlogsschip de ty/ri"6'kon niet naar Amsterdam sch getransporteerd, omdat het a 'P ernstig door de paalworm is [,e, §etast. De moderne Grieken een i nun trots net hele Jaar in °Ud Cn laten nBgen- terwijl de Perr Grielcen al wisten dat de schefiod 1 de winter en andere stille peten °'n boothuizen aan wal moes- Qe ni°rden ondergebracht, U|ynipias is er zelf dus niet, de ?*■ et boekje dat de komst van Op rreme zou begeleiden, is er wel: kg rirerne - Klassiek-Grieks oordai Sf"'p weer te water (Amster- Sc m University Press; ƒ 29,50), gehoo |V6n d°or Fik Meier- bijzonder riti raar zeegeschiedenis en maoud 16 archeologie van de klassieke Am * aan de Universiteit van e "sterdam. Het informatieve, met pc B°ed oog voor de technische as\Vorri geïllustreerde boekje kan nu va den gezien als een voorproefje ve , e tentoonstelling 'Van varen, va ten en verdienen - Scheep-28 nu de oudheid', die vanaf Mü ober in het Allard Pierson ganjeum in Amsterdam wordt geor- seerd. De trireme krijgt op die expositie speciale aandacht. De slag bij Salamis in 480 voor Christus tussen de Atheners onder leiding van Themistokles en de oppermachtig lijkende Perzische vloot van koning Xerxes vormde een keerpunt in de Griekse geschiedenis, schrijft Meijer. Hoewel de Perzische vloot over veel meer schepen beschikte, werd zij toch door de Atheense triremen smadelijk verslagen. De nieuw gebouwde triremen, met elk 170 goed getrainde roeiers, bleken te beschikken over een grote wendbaarheid en een ongeëvenaarde aanvalskracht, vooral ook door de bronzen drietandige ram waarmee ze waren uitgerust. Athene maakte zich in één klap meester van de hegemonie ter zee. Over de vraag hoe de roeiers precies in het schip waren geplaatst, wordt nog altijd gediscussieerd. Het meest geaccepteerd is de opvatting dat de roeiers in drie rijen boven elkaar zaten. Er waren drie categorieën: thalamioi (onder), zugioi (midden) en thranitai (boven) . Voor die opvatting vinden de geleerden onder meer steun bij de Griekse komediedichter Aristofanes, die in zijn komedie De kikkers over een trireme-roeier laat opmerken dat die 'een wind laat in het gezicht van een thalamios en zelfs zijn ontlasting uitstort over zijn roeimaat'. Het was buitengewoon krap in het schip. Dat is ook een van de grootste problemen bij de Olympias, die tussen 1985 en 1987 onder supervisie van de Engelsen John Morrison en John Coates werd gebouwd. Het roeien onder die omstandigheden is een vak apart; het luistert allemaal heel nauw. Het kan gebeuren, schrijft Meijer, dat een misslag van een middelste roeier tot gevolg heeft dat zijn roeiblad dat van de onderste kruist. 'Het blad van de thalamios wordt dan naar beneden weggedrukt in het water. Maar omdat het schip voorwaarts gaat, krijgt de ongelukkige de handgreep van zijn riem van onder tegen zijn kin gedrukt en wordt hij als het ware met zijn nek vastgezet tegen de dwarsbalk achter hem. Een zeer pijnlijke en niet van gevaar ontblote situatie!' Volgens Meijer heeft de Olympias bewezen dat het mogelijk is op basis van - spaarzaam aanwezige - gegevens uit de oudheid een trireme na te bouwen. 'De jaren dat er met dit schip proefvaarten zijn gehouden, hebben laten zien dat vragen beantwoord zijn die op geen andere manier beantwoord hadden kunnen worden. Het academische debat kreeg door de experimenten een nieuwe dimensie. De critici die hebben geroepen dat het bouwconcept niet deugt en dat het roeisysteem onwerkbaar zou zijn, hebben voorlopig ongelijk gekregen.' Han van Gessei De Olympias. archief allard pierson museum --- MIDDELEEUWERS SCHRAAPTEN 'PESTPOEDER' VAN KERKZUIL OM GENEZING AF TE SMEKEN Tegen de buitengevel van het vroegere raadhuis, nu stadsmuseum, in Woerden staat een stenen zuiltje, afgedekt met een soort console. Het is een overblijfsel uit de middeleeuwen: een kaec. De verhoging diende als plek waar misdadigers en andere veroordeelden 'aan de kaak werden gesteld. Voorbijgangers mochten zich vrijelijk uitleven met gooi- en scheldpartijen. Vaak werd het slachtoffer vastgeketend aan een schandpaal die op de verhoging stond. De kaak in Woerden is een van de zeldzame exemplaren uit de middeleeuwen die bewaard zijn gebleven, schrijft Dick A. Berents in zijn bijdrage aan de bundel Over kaken, broodbanken & etstoelen - Sporen van middeleeuws Nederland (Matrijs; ƒ 29,95). De bundel bevat de beschrijvingen plus afbeeldingen van 52 plaatsen die nu nog iets van middeleeuws Nederland laten zien. Bekende plaatsen komen aan bod, zoals de Ridderzaal in Den Haag, de Koppelpoort in Amersfoort, het Valkhof in Nijmegen en het Begijnhof in Amsterdam, maar ook tal van minder bekende, zoals de etstoel (vergaderplaats van het hoogste rechtscollege) in de Balloër Kuil in het Drentse Balloo, de jaarmarkt in Voorschoten, een kloosterdijk in Munnekezijl en grafschilderingen in de Sint-Baafskerk in Aardenburg. Mooi is het door John van Cauteren opgetekende verhaal van de Sint- Amelbergakerk in Susteren. Tijdens restauratiewerkzaamheden ontdekte men onder in zandstenen zuilen diepe groeven. In de volksmond heette het al snel dat de soldaten van Napoleon aan deze zuilen hun sabels hadden geslepen. Nader onderzoek leerde anders. De groeven waren vooral te vinden in de zuilen die het dichtst bij het hoofdaltaar staan, met name aan de oostzijde. Ook in andere kerken in Nederland zijn zulke groeven te vinden. 'Th. Windusgaf in 1921 een verklaring voor dit verschijnsel, die aanvankelijk weinig navolging vond, maar nu algemeen wordt aanvaard. Naar zijn mening waren de groeven ontstaan doordat mensen steenstof uitslepen om als geneesmiddel te gebruiken. Dit gebeurde met name ten tijde van pestepidemieën. Het stof werd daarom ook wel "pestpoeder" genoemd. Dit fenomeen past heel goed binnen de oude gewoonte om stoffen of voorwerpen die in de onmiddellijke nabijheid van relieken, de stoffelijke overblijfselen van heiligen, waren geweest, een genezende werking toe te schrijven.' De kerk in Susteren beschikte over een rijke schat aan relieken. Han van Gessel Het vroegere raadhuis, nu stadsmuseum, aan het Kerkplein in Woerden. Rechts op de hoek de middeleeuwse kaak. foto uit over kaken, broodbanken & etstoelen' --- Zuiver zijde Zelfs bij de herenmodezaak Batttistoni in Rome, waar de verkopers met zijden stemmen spreken en een huid van kasjmier lijken te hebben, liggen stropdassen (benauwend woord, eigenlijk) waarvan het onvoorstelbaar is dat iemand ze ooit zal dragen. Er zijn ook boeken waarvan ik me de koper niet kan voorstellen. Wie is er verheugd thuis gekomen met het grote glanzende plaatwerk The Book of Ties? De hertog van Windsor zou het hebben gekocht. Hij staat er vele malen in. Meer dan een das strikken kon hij ook niet. Hij was een overbodige man. Een das is ook overbodig. Het boek eveneens. Honderden foto's van ties en butterflies, met fraaie toelichtingen, de geschiedenis van de das, de fabricage van de das, de ziel van de das, de verhouding das en shirt, de historie van de dessins. En dat alles geschreven in een taal van seta pura: 'Met zijn hoogstaand materiaal, de gedistingeerde effecten van zijn dessin, zijn samenspel van licht en kleur, geeft de stropdas de enige vleug poëzie en luxe aan de doorsnee herenkleding.' Dat staat al op een van de eerste bladzijden. En die toon gaat het hele boek niet verloren. Als een das kon spreken (hij zou eerder fluisteren), zou hij de elegante taal gebruiken van Francois Chaille, de auteur. O wat mooi, zon honderdvijftig pagina's te kunnen schrijven over bijna niets en door niemand te worden gelezen. Zelden zal de overbodigheid zo gedistingeerd zijn geweest. Elk keer als ik een das strop, zal ik aan Chaille denken: hij strikt op dat moment ook een das, want er rest hem na zijn boek de hele dag niets anders. En hij doet ook niets liever. Zoals elk liefhebber van dassen. Daarom zal er - o top van schoonheid - geen enkel exemplaar verkocht worden. Voor de prijs van het boek heb je een fraaie das. De keuze is niet moeilijk. Kees Fens ---