Het Surinaamse rechtssysteem Algemeen Dagblad ONAFHANKELIJK het STRAFPROCES dat in Nederland wordt voorbereid tegen de voormalige Surinaamse legerleider Desi Bouterste, die wordt verdacht van omvangrijke drugshandel, zal niet worden doorkruist door een juridische procedure in Paramaribo. Speculaties daarover nissen volgens de Surinaamse procureur-generaal, Héloïse Rozenblad, elke grond. Dat is een belangwekkende nededeling, waarvan mag worden aangenomen dat zij op waarheid berust. Dat Bouterse - door de regering van president Wijdenbosch tot Adviseur van Staat benoemd aan de rechter in Nederland ltan ontsnappen als hij voor dezelfde strafbare feiten al in eigen land zou zijn berecht, komt daarmee in de lucht te hangen. Waarmee nog niet de vraag is beantwoord of internationale rechtsverdragen een tweede strafzaak werkelijk in de weg staan. [n deze specifieke kwestie valt op die gangbare regel af te dingen, maar toch bestond hier en daar de vrees dat Bouterse in staat zou zijn het Surinaamse rechtssysteem naar zijn hand te zetten. Als de procureur-generaal in Paramaribo nu zelf zegt dat justitie daar niet beschikbaar is voor het organiseren van zo’n schertsvertoning, geeft dat in elk reden tot enig vertrouwen in het functioneren van het juridisch apparaat in Suriname. Voor zulke politieke doeleinden mag het natuurlijk ook niet ontvankelijk zijn. Niettemin leeft in kringen rond Bouterse kennelijk de gedachte dat met juridische spitsvondigheden behandeling van deze complexe en politiek gevoelige zaak in het ongerede kan worden gebracht. Voorzover het daarbij gaat om de legitieme bemoeienissen van een strafpleiter kan daar moeilijk bezwaar tegen bestaan, maar voor het overige moet het recht zijn loop hebben. Alertheid en zorgvuldigheid blijven daarom geboden. De tijd begint te dringen. Keerpunt Keerpunt is een wekelijkse pagina over de normen en waarden in onze samenleving. Het zenden van een bijdrage aan Algemeen Dagblad impliceert dat de schrijver aan Algemeen Dagblad bv toestemming geeft tot vastlegging, verveelvoudiging en verspreiding ervan in gedrukte elektronische - en enige andere vorm, waaronder databank, Internet, door telecommunicatie, op diskette, CD-Rom en CD-I. Redactie: Carel Brendel. --- De passies van een jonge uitgever Door Carel Brendel Tijdens zijn utrechtse studietijd kon Perry Pierik met redelijke zekerheid voorspellen wie van zijn vakbroeders zijn brood zou gaan verdienen als historicus. ,,Je hoefde alleen maar naar de boekenkast te kijken.” Waren daar alleen de verplichte leerboeken te vinden, dan stond voor Perry min of meer vast dat de eigenaar een ander vak zou kiezen. Stond de plank vol met stukgelezen niet-verplichte boeken, dan zat het wel goed met zijn of haar toekomst. Want, aldus de stelregel van de jonge uitgever: „Geschiedenis is een gevaarlijke studie. Om te slagen moet je meer doen dan goede cijfers halen. Je moet passie hebben. Daaraan ontbreekt het aan onze universiteiten. Te veel jongeren kiezen een studie omdat ze later veel willen verdienen. Te weinig wordt de universiteit gezien als een plek voor ‘liberal education’, een plaats om je talenten, belangstelling en persoonlijkheid te vormen. Wie wel een studie kiest die bij hem past, creëert heus wel een leuk werkterrein.” Perry Pierik zelf is er in geslaagd die eigen plek in te richten. Na een kortstondige carrière als freelance-journalist, begon hij vier jaar geleden een eigen uitgeverij. Een belangrijk motief was dat hij geen uitlaatklep vond voor een boek waaraan hij met tussenpozen tien jaar had gewerkt: een studie over de voor Hongarije rampzalige laatste 14 maanden van de Tweede Wereldoorlog. „Ik had in die tijd twee manuscripten klaarliggen. Voor mijn boek over de Nederlandse vrijwilligers bij de Waffen SS vond ik direct een goede uitgever. Maar Hongarije kreeg ik maar moeilijk onder dak. Dan had ik nog een derde boek liggen van een goede kennis. Toen heb ik in oktober '94 de knoop doorgehakt en ben zelf begonnen. Er was haast geboden. Immers, in '95 vierden we 50 jaar bevrijding. Volgens iedereen zou het de laatste hausse van oorlogsboeken worden. Die voorspelling is trouwens niet uitgekomen.” Aspekt levert zijn eigen bijdrage aan de stroom van WO-II-lectuur. Pierik: „Het moet me van het hart dat veel boeken over dat onderwerp meer van hetzelfde zijn. Veel ‘oral history’, getuigenissen van mensen die alles zelf hebben meegemaakt. Daar is op zich niets tegen. De schrijver zit iets op de borst en dat moet hij kwijt. Het is de grote verdienste van de slachtoffers van de oorlog, dat ze er in zijn geslaagd het publiek wereldwijd van hun leed op de hoogte te stellen. Maar wat mij betreft komt er wat meer aandacht voor de feiten en de ideeën, zoals die zijn neergelegd in geschreven bronnen. Ik ben wat dat betreft ouderwets. Ik hou van een hoge feitendichtheid.” Als voorbeeld noemt hij het recente, in een nieuwe versie uitgebrachte boek van de Duitse historicus Werner Maser over Mein Kampf, het boek waarin Hitler in de jaren 20 zijn door de buitenwereld schromelijk onderschatte plannen en inzichten ontvouwde. Van Pierik zelf verschijnt binnenkort Hitlers Lebensmum. „Ook een voorbeeld van ideeëngeschiedenis, maar dan over de geestelijke wortels van de Duitse veldtocht naar het oosten.” Uit de aanbiedingsbrief van de uitgever komt naar voren, dat hij niet door bescheidenheid wordt afgeremd. Er is sprake van een ‘onthullend boek dat een historiografische leemte vult’ waarin ‘de auteur de lezer met duizelingwekkende kennis van zaken meeneemt’. Pierik mag zich als historicus ruimschoots met De Oorlog bezighouden, hij wil de indruk vermijden dat het blikveld van zijn uitgeverij is beperkt tot de periode '4o/’45- „De hele geschiedenis van de 20ste eeuw vind ik fascinerend. Eerst de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Dan krijg je wat ik noem de driekoppige hellehond: fascisme, nationaal-socialisme en communisme. Dan volgt de Koude Oorlog. Het zijn de grote thema’s van deze eeuw. Het debat daarover vind ik heel belangrijk. Het is de taak van historici en uitgevers om dat te stimuleren. Daarom geef ik de boeken uit van Bart Tromp, Dick Verkijk en Martin van den Heuvel, die zich weren in het Bolkestein-debat over de rol van de procommunistische intellectuelen. Voor we de 21ste eeuw ingaan, moeten we eerst nog wat stof van de vorige eeuw van de schoenen kloppen. Overigens identificeer ik me niet met elk boek. Als het maar inhoud en kwaliteit heeft. Als het dan ook nog reacties oproept, vind ik dat leuk. Zoals de journalisten Martin van Amerongen en Dick Verkijk, allebei auteurs in mijn fonds, die een slepend conflict hebben. Daar kan ik van genieten.” In aantocht zijn ook een boek van schaatser Marnix ten Kortenaar en een biografie van W.F. Hermans, tekenen dat Pierik zijn arbeidsveld aan het verbreden is. De aankomende uitgever erkent volmondig dat hij daarbij veel te danken heeft aan Martin Ros, voormalig hoofdredacteur van De Arbeiderspers. Hij is ‘de belezen en bebrilde mentor van Aspekt’. Het eerste contact dateert van tien jaar terug, toen Pierik zijn scriptie over de oorlog in Hongarije opstuurde naar Ros. „De volgende dag hing hij bij mijn moeder aan de lijn. Hij begon met zijn bekende enthousiasme te roepen van ‘niet te geloven’ en ‘heel bijzonder’, nog voor hij zijn naam had gezegd. Hij was toevallig erg geïnteresseerd in de Hongaarse Pijlkruisers, die met Hitler collaboreerden. Het contact is gebleven. Toen ik met Aspekt was begonnen, is hij na een tijdje aangeschoven als adviseur. Hij brengt veel auteurs en boeken binnen, maar ik moet ook vaak nee zeggen tegen zijn voorstellen.” Een resultaat van de samenwerking is de uitgave van literair getinte erotische klassiekers als Fanny Hill en Josefine Mutzenbacher. Hoge oplages haalt Pierik niet met deze ‘tijdsdocumenten’ uit de bibliotheca erotica van Ros. Maar dat ligt wellicht aan de tijdgeest. Enerzijds is er de zeer directe ‘erotiek’ op tv, video en computer, anderzijds slaat de ‘nieuwe kuisheid’ toe. „De bestellingen komen vooral van mannen boven de 40. Toch vind ik het een leuke serie. Het zijn boeken met een literaire waarde. Je kunt ze zonder schaamrood afrekenen aan de kassa van de gewone boekhandel.” Wil hij met zijn uitgaven ingaan tegen het politiek-cultureel correcte klimaat in Nederland? Pierik:,, Daar ligt niet een doelbewust speerpunt. Maar boeken mogen wel prikkelen, vind ik. Het gevaar is anders dat je discussies bij voorbaat onmogelijk maakt. Op lange termijn is dat niet goed. Zeker als je ook nog last hebt van het postmodernisme, waar een duidelijk standpunt ontbreekt omdat alle waarden relatief zijn. Dan kom je terecht in het grauwe middenveld. Iedere militair weet dat er situaties zijn waarin je óf schiet óf je terugtrekt. De middenweg is onmogelijk. Denk maar aan Srebrenica. Voor je het weet til je bejaarde mannen in vrachtwagens die wegrijden naar de executieplaats.” Een studie over Hitlers ‘autobiografie’ Mein Kampf, de memoires van het Weense hoertje Josephine Mutzenbacher, geharnaste boeken over de Koude Oorlogen uitstapjes naar het Rijke Roomse Leven van kruiswegen en calvariebergen. Met dergelijke boeken (en geruggesteund door boekenfanaat Martin Ros) heeft de jonge historicus Perry Pierik (33) van Uitgeverij Aspekt een opvallend fonds uit de grond gestampt. Portret van een eigenzinnige uitgever. Perry Pierik: ‘Boeken mogen wel prikkelen.' Foto Corde Koek --- Actuele herdenkingen DE ACTUALITEIT leidt me deze week tot twee Europese figuren die veler denken beheersten in de jaren 40 en 50. Het zijn de Engelse literatuurhistoricus en theologisch auteur C S. Lewis en de Frans-Duitse theoloog, musicus, medicus en Nobelvredesprijswinnaar Aibert Schweitzer. Beiden waren briljante denkers, die miljoenen wisten te boeien met hun onconventionele levens en hun originele kijk op geloof, kunsten samenleving. Lewis was jarenlang een principieel atheïst, maar ontpopte zich na een moeizaam proces, dat hij tot n details beschreef, als een fel verdediger van het christelijk geoof. Schweitzer had al grote naambekendheid als theoloog en arganist toen hij op 30-jarige leeftijd nog eens medicijnen ging studeren om als arts in het Afrikaanse Lambarene te kunnen werken. 3e reden waarom ik Lewis gedenk , is de nationale viering van diens tooste geboortedag op 28 november in Aalsmeer. Ter gelegenheid hiervan heeft uitgeverij Van Wijnen in Franeker verscheidene van zijn boeken opnieuw uitgegeven, samen met het werkje C.S. Lewis honderdjaar, dat tekstfragmenten en enkele commentaren bevat. De arts van Lambarene breng ik in herinnering omdat het Nederlands Aibert Schweitzer Fonds op 20,2i en 22 november een festival eigentijdse religieuze muziek houdt in drie historische kerken en de aula van het academiegebouw te Utrecht. Zowel Schweitzer als Lewis hield zich op een heel bijzondere wijze bezig met het lijden in de wereld. Het wekt daarom geen verbazing dat het festival in het teken staat van de oudtestamentische figuur job en dat ook Lewis’ gedachten over het lijden centraal staan in diens herdenking. Lewis stierfin 1963 en Schweitzer twee jaar later op 90-jarige leeftijd. Dat verklaart voor een deel waarom velen vandaag niet meer weten wie ze waren, terwijl veel anderen die dat wel weten, hun geschriften terzijde schuiven als gedateerd. Nu valt niet te ontkennen dat in elk geval tot aan hun 60ste levensjaar de twee mannen uitmuntten in een uitermate verstandelijke benadering van hun geloof. Dat gold in het bijzonder het probleem van het lijden in relatie tot een God, die als oneindig goed en almachtig gezien werd. Zowel Lewis als Schweitzer beweerde lange tijd met kracht van argumenten dat het menselijk leed uit Gods hand kwam en daarom zinvol was. God had er een herkenbare bedoeling mee. Zo noemde Lewis het lijden een strategie van God om niet in onze zonden en dwaasheden te blijven rusten. „God spreekt tot ons in ons geweten, maar schreeuwt ons luid toe in ons lijden”, schreef hij in 1940. „Het lijden is zijn megafoon om een dove wereld wakker te maken.” Voor Lewis verried het lijden de meesterhand van de Schepper: „De rauwe mannelijke smaak van de werkelijkheid die niet door jou gemaakt is en trouwens ook niet vóór jou, maar die je een klap in het gezicht geeft.” Zo ver ging Schweitzer niet; de gelovige moest niet denken dat het lijden een straf Gods was, zei hij in een preek op 24 mei 1900. Toch wist ook hij zeker: „Het komt uit Gods hand. Vraag niet waarom, probeer niet het te begrijpen. Begrijpt een kind zijn vader in alles wat hij doet?” Anderzijds, zo besloot Schweitzer deze preek, wat hebben we niet allemaal aan het leed te danken! Zonder leed zouden we hardvochtig, eenzaam en zelfzuchtig zijn en waren we nooit tot de ervaring van Gods nabijheid gekomen! Zoals ik al suggereerde, legden de twee op latere leeftijd hierover aanmerkelijk minder theoretische zekerheid aan de dag. Maar dat was dan ook nadat ze zelf door de hel van het lijden heen waren gegaan. In het geval van Lewis gebeurde dit toen de dood van zijn vrouw een einde maakte aan een kort, maar gelukkig huwelijk. In een schoolschrift noteerde hij zijn gevoelens daarover en die lieten een andere Lewis zien. „Als mijn huis met één windstoot is omgevallen”, schreef hij, „dan komt dat doordat het een kaartenhuis was. Mijn geloof was geen geloof, maar verbeelding.” Al zijn theologische constructies begaven het, geen muurtje bleef overeind. Om ten slotte tot de conclusie te komen: „De Hemel zal onze problemen wel oplossen. Maar niet door ons subtiele oplossingen voor onze schijnbaar tegenstrijdige begrippen voor te toveren. Onze opvattingen zullen ons allemaal uit handen worden geslagen.” En Schweitzer? Ook hij besloot na verloop van tijd dat woorden hem niet meer verder hielpen en schakelde op een beroep over waarmee hij ‘stom en woordloos’, zoals hij het uitdrukte, iets van het leed in de wereld kon wegnemen. Terugkijkend op lange tropenjaren vol bittere pijn en teleurstelling schreef hij: „Hoe het probleem van de ellende in de wereld mij ook bezighield, ik verloor mij niet meer in tobberijen erover. Zo ging ik geleidelijk inzien dat het enige wat ik uit dit probleem begrijpen kon was, dat we door het leven moeten gaan als mensen die zelf verlossing proberen te brengen.” Twee levens die heel even actueel zijn dooreen festival en een herdenking. Maar alleen daarom? Ik lees nog steeds her en der fraai geformuleerde argumenten, doch nu om aan te tonen dat lijden beslist geen zin heeft en ook geen enkel doel dient en dat God er eigenlijk niets mee te maken heeft. De polen zijn dus verwisseld, maar de theoretische zekerheden staan nog net zo overeind als de aanvankelijke kaartenhuizen van Lewis en Schweitzer. Zelf neig ik dan meer naar de theoloog Jurjen Beumerin het jongste Tijdschrift voor Geestelijk Leven (TGL1998-5). Hij zegt dat we de paradox van het lijden moeten laten staan en niet steeds weer wegmasseren. Zo vroeg, aldus Beumer, Dag Hammarskjöld zich al biddend af: ‘Gaf u mij deze onoplosbare eenzaamheid opdat het mij gemakkelijker zou vallen u alles te geven?’ En zo zou de spiritualiteit van Titus Brandsma wellicht niet haar diepte hebben gekregen zonder diens vreselijke lijden in de Tweede Wereldoorlog. Zo ook zouden de unieke dagboeken van de joodse Etty Hillesum misschien nooit bekend zijn geworden zonderde beulen van de nazikampen. Wellicht. Misschien. Achterafbezien. Rex Brico --- Grote Broer vervangt Vadertje Drees De Lezing is een onregelmatig terugkerende rubriek. I DE LEZING WIE? — prof. dr. Cees Schuyt WAAR? — Pulchri Studio, Den Haag WAAROVER? — De sociale zekerheid VOOR WIE? — — 150 mensen uit het Haagse circuit RAPPORTCIJ FER— 7,5 DE HUIDIGE discussie over de privatisering van de sociale zekerheid. Een afschrikwekkender onderwerp voor een lezing valt er bijna niet te bedenken. Maar als je de spreker, prof. dr. Cees Schuyt, zijn fiets op slot ziet zetten aan de Lange Voorhout in Den Haag, voel je aan dat er ondanks alles een interessant uurtje voor de boeg staat. Je gaat nog eens na wat je zelf van het onderwerp weet. Niet veel meer dan een geval uit de omgeving, waarin de nieuwe organisatie Cadans er zes vergissingen en acht maanden voor nodig had om eindelijk de correcte uitkering vast te stellen. Verder valt het je op dat de kopstukken uit de geprivatiseerde sector steeds vaker opduiken in skyboxen en op golfbanen. Dat laatste gebeurt zeker niet in de geest van ‘vadertje’ Drees, de zuinige naoorlogse premier wiens naam onverbrekelijk is verbonden met de Noodwet Ouderdomsvoorziening uit 1947. Met deze voorloper van de AOW oogstte Drees sr. eeuwige dankbaarheid bij bejaarde Nederlanders. Om zijn pionierswerk voor de verzorgingsstaat te eren organiseert de Stichting Willem Drees-Lezing een jaarlijkse lezing. Deze eervolle opdracht werd afgelopen donderdag toevertrouwd aan Schuyt, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. De socioloog zette direct de kritische toon door terug te grijpen op een tekst van de oude Drees, die het publieke belang van goede sociale wetgeving onderstreepte. „Het uiteindelijke criterium is de gelijkwaardige deelname van allen aan de politieke en economische gemeenschap. De sfeer van die woorden ligt heel ver weg van de hedendaagse beslispunten in de sociale zederheid. Nu gaat het over het Wisconsin-model, over UVI’s, uitvoeringscontracten en de vraag of we de Ziektewet moeten terugdraaien.” Schuyt staat niet afwijzend tegen hervormingen. „Een bureaucratisch anoniem systeem maakte het mogelijk voor oneigenlijke gebruikers en kleine fraudeurs om te profiteren en het systeem te ondermijnen ten koste van degenen die het echt nodig hebben.” En: „De privatisering is een logisch gevolg van de ontwikkeling. Het uitdijen van het heelal wordt gevolgd door inkrimping.” Maar, waarschuwde Schuyt, de onmiskenbare voordelen van privatisering (betere controle en service, minder fraude, een snellere en soepeler beoordeling), gaan gepaard met grote risico’s. „De oude verzorging van de wieg tot het graf wordt vervangen door de big-brotherhood van de nieuwe instellingen. De filosofie van één pakket voor een lage prijs, kan leiden tot gigantisme en bemoeizucht. Wilt u straks sporten? Vraag het aan de UVI. Wilt u met gevaarlijke mannen en vrouwen op stap? Rookt u? Bent u te nerveus? De UVI stuurt u naar een antistresscursus. Bent u dom? Het antwoord zal zijn: scholing, scholing, scholing. De vraag is ook: komt er een tweedeling tussen degenen die goed en vast werk hebben, en alle anderen die buiten de boot vallen. Het antwoord is cruciaal voor het eindoordeel.” Voor Schuyt zijn er vier ontwikkelingen mogelijk. „De eerste is het neoliberale paradijs ofwel privatisering en gigantisme met een sterke deling tussen sterk en zwak, gezond en ziek, geschikt en ongeschikt, die kan leiden tot een opstand van de onderste groepen in onze samenleving. Mogelijkheid twee noem ik het Rabobankcoöperatieve systeem. Ook hier privatisering, grootschaligheid en tweedeling, maar dan wel met opvang van de pechvogels via publieke middelen en charitatieve acties. De derde optie is een privaatpublieke samenwerking zonder gigantisme, met kleinschalige organisaties en voorzieningen. De gemeenten kunnen fungeren als centrum van deze solidariteit. De vierde mogelijkheid is handhaving van het oude sociale paradijs, dat weinig efficiënt is en geen garantie biedt voor rechtszekerheid en gelijkheid. Het zal u duidelijk zijn dat mijn voorkeur uitgaat naar een pluriform netwerk van kleine systemen met hun eigen sociale controle.” Carel Brendel --- Naadloos Misschien moeten we ons druk maken over het milieu en de mogelijkheid dat straks nog meer Amsterdammers kanker hebben doordat de beslissers de uitbreiding van Schiphol belangrijker vinden dan de volksgezondheid. (Nu scoren we naar ik begrepen heb al het hoogst op de kankerhitlijst.) Toch stemt me wat in het denken gebeurt wel hoopvol. Waarbij meteen moet worden aangetekend dat de politici, voorzitters van de raden van bestuur, directeuren van multinationals en andere topmanagers ernstig achterlopen als het om de nieuwste ideeën gaat. Ze moeten hoognodig eens filosofisch worden bijgeschoold. Waarop baseer ik mijn hoop? Op het feit dat we inmiddels het tijdperk van het relativisme zijn binnengetreden. Daarmee zijn we losgekomen van het aristocratische denken over de waarheid dat de filosofie 2500 jaar in zijn greep heeft gehad. Zo leerde Plato dat we gevangen zitten in een duistere grot en slechts de schaduwen zien van de dingen zoals ze echt zijn. Pas door de tocht naar boven te maken en via een nauwe gang uit die grot te kruipen, komen we oog in oog te staan met de ene en onveranderlijke waarheid. Dat zou slechts aan weinigen gegeven zijn. Maar, zeggen we nu, er is niet één waarheid toegankelijk voor een kleine elite, die deze ene waarheid oplegt aan de meerderheid. Eindelijk, kun je zeggen, is de waarheid gedemocratiseerd. We bepalen samen, in onderling overleg, wat waar is. Er zijn immers meer waarheden, want zoveel verschillende manieren om naar een zaak te kijken. Daarover onderhandelen we, voeren we een gesprek. Ik geloof stellig dat de filosofie ons op dit punt heeft gebracht, en ook de antropologie, de linguïstiek, de sociologie en andere wetenschappen. Maar natuurlijk loopt de werkelijkheid voorop. De Muur is gevallen en daarmee het één-waarheiddenken. We leven, hoe je het wendt of keert, in een ‘global village’: de wereld als een dorp. Dat geeft natuurlijk ook problemen, zoals nu met het asielbeleid. Zo zeggen we dat Nederland te vol is, maar bedoelen we misschien gewoon dat het ons een beetje begint te duizelen en we al die andere, ons vreemde waarheden niet aankunnen. (Te vol? Maar als ik door de Amsterdamse binnenstad loop, zie ik duizenden woningen die al jaren leegstaan.) In elk geval bevrijdt het ons van de dictatuur van de ene waarheid en alle oorlogen die in naam daarvan zijn gevoerd. Er is niet meer één waarheid, die van Pa, terwijl de kinderen hun bek moeten houden. We zitten met z’n allen in Plato’s grot en zien slechts schaduwen op de grotwand. Meer dan die ‘schaduwen’, ofwel onze ideeen, onze meningen over de wereld, is er niet. Daarover gaat dan het gesprek. Wat nou zo aardig is, is dat deze voor ons nog zeer recente ontdekking naadloos aansluit bij zowel het boeddhisme als het taoïsme, zoals die zich in het oude India en China ontwikkelden. Zoals Shuangzi het in de vierde eeuw voor Christus uitdrukte: „Woorden uiten is niet lucht uitblazen. Degenen die woorden uiten, zeggen iets. M aar dat wat ze zeggen is bij uitstek variabel. Is er dan echt zoiets als zeggen? Of bestaat er eigenlijk niet zoiets als iets zeggen? Als je vindt dat iets zeggen verschilt van hettsjilpen van vogeltjes, is er dan ook grond voor discussie? Waar kan de tao op steunen voor het bepalen van wat waar is en wat vals? Waar kunnen woorden op steunen om te bepalen wat juist is en wat onjuist?” Dat is dan de andere kant van de medaille: doorzie je de betrekkelijkheid van al je meningen, dan kun je ze ook loslaten en sta je op de drempel van de vrijheid, die ongebondenheid die Shuangzi steeds weer bezingt. Jan Bor ---