LETTERKUNDIGE KRONIEK. holland, zoo ben je. — Een bundel novellen van Antoon Coolen, U. G. Dorhout, K. O. Finkensieper, H. J. Heynes, E. J. Huizinga—Onnekes, p. Keuning, Gr. J. Klokman, P. JMeertens, G. Mulder, Hendrik Odink, D. A. Poldermans, W. Porte, J. R. W. Sinninghe, Frans Slager. G. W. Spitzen, W. Vijverberg, 48 Kunstfoto's' en randteekeningen van J. de Vries. Uitgave Bosch & Keuning, Baarn. Nee, Holland, je bent niet heelemaal zoo. Voor een klein deel ligt ook je verleden in dit boek en, indien J. Vijverberg gelijk heeft, ook nog iets van je toekomst. Deze auteur zegt namelijk, dat de bewoners van Beveland en Waicheren, arm en rijk, zich kleeden naar de laatste Parijsche mode. Waar zelfs Amsterdam en Den Haag het nog niet zoover hebben gebracht, mag men deze vermelding van Vijverberg toch stellig als een zeer ver verwijderd toekomstbeeld zien. Deze opmerkingen zijn geenszins bedoeld als aanmerkingen. Het boek i6 te goed en te mooi dan dat de kritiek „spijkers op ISZg water" zou zoeken. De voornaamste indruk, na lezing van de vele novellen en folkloristische essays, is, dat ons Holland hier voor ons ;»! tekst, foto's en teekeningen is uitgebeeld, zooals het nog nimmer in één bundel geschiedde. De auteurs hebben niet zoo -maar elk een verhaaltje geschreven, doch er naar gestreefd, in hun vertelsels het kenmerkende van de streek, waarin de handeling plaats vindt, naar voren té brengen. Dit gebeurde grootdeels door de aanwending van dialecten en in dit verband noem ik in de eerste plaats het verhaal „Een Schoer", van Hendrik Odink, in zoo zuiver Achterhoeksch dialect geschreven, dat het lezen. eenige moeite kost, maar een groot, intens genot verschaft. Is het noodig, de aandacht te vestigen op de bijdrage van Antoon Coolen: „Stiefkind ! Gewoonlijk is de stiefmoeder het zwarte schaap, doch Coolen belicht de verhouding tusschen tweede • moeder . en kind van de tegenovergestelde zijde. De vrouw is de voortdurend liefde vragende, zichzelf opofferende; het kind is de afgunstige, kleine kwelgeest, die door liefde moet worden overwonnen. De redactie van dezen bundel heeft zeer goed ingezien, dat het eigene van een streek, het natuurschuoon van een provincie, in enkel verhalen niet tot het volle recht zouden komen. Daarom heeft zij, naast de vertellingen, folkloristische en natuuurbeschrijvende artikelen geplaatst. Voor zoover, het b.v. betreft Noord-Brabant Is er, behalve Coolen's novelle waarin dialect en volksaard ons nader worden gebracht, een folkloristisch artikeltje van J. R. Sinninghe: „De Brabander en zijn luim", het BrabantschP lied vaji Henri _'t Sas en een bijzonder geslaagde nattilirbesohijving van Frans Slager: „Noord-Brabants Duin en Ven", in een hier en daar metrisch proza. Voor Gelderland is er, behalve de reeds genoemde vertelling van Hendrik Odink in Achterhoeksch dialect, waarin de volksaard van den Gelderschen boer wordt geschetst, een Geldersch lied van denzelfden auteur, een artikel-verhaal van G. J. Klokman, getiteld „Ben Achterhoeksche Bruidsroof", benevens een natuurschildering van U. G. Dorhout, „Een Geldersch Juweeltje". Op dezelfde wijze zijn onze andere provincies vertegenwoordigd. Ook de nieuwe, de twaalfde, in een verhaal over de Zuiderzee demping van K. O. Finkensieper en een artikel van dezen auteur over „Nieuw Land". Ds. Heynes is dezen keer eens niet gewild geestig. Zijn vertelling Begrensde Kring geeft envoudig en duidelijk een beeld van het leven in een Ncord-Hollandsch dorpje. Het zou te ver voeren, alle bijdragen afzonderlijk te vermelden of in te gaan op de literaire waarde ervan. Trouwens, de beteekenis van de letterkundige kwaliteiten van dezen bundel zinken in het niet tegenover de veel meer omvattende waarde van het boek als representant onzer geheele natie. Het heeft met chauvinisme niets te maken, ais men, na en gedurende de lezing van den bundel, telkens tc\ de erkenning komt, dat men, al is er dan tegenwoordig ook weinig of geen warmte meer in dit woord, van zijn Vaderland houdt. De uitgevers hebben getracht, de fraaie uitvoering van hun vorigen bundel: Het Lied van den Arbeid, nog te overtreffen en zij zijn daar, hoe moeilijk dit ook was, volkomen in geslaagd. De steenroode randteekeningen aan den voet van elke pagina, tweehonderdvijftien in getal, geven de groote, compres bedrukte bladzijden kleur en leven. De kunstfoto's zijn bijzonder fraai en, wat de bedoeling was, typeerend. Het eenzame boerenhuis in den Achterhoek, wekt gedachten aan een cycloon, het Noord -Hollandsche geveltje brengt U in de Zaanstreek, het inwendige van een boerenhuis in het Noorden is heel anders dan dat van een boerderij in Gelderland. De Kaasmarkt te Alkmaar, een Hindelooper kamer, de Friesche zeilsport, het kantklossen in Zeeland, de Marki te Middelburg met het prachtige raadhuis op den achtergrond, het is alles juist gekozen en buitengewoon mooi. Het is een bundel, om te bezitten en ongetwijfeld zal hij den uitgevers weer heel wat nieuwe abonné's bezorgen voor hun zoo goedkcopen abonnementejaargang. Ton Koot: VOLG HET SPOOK. Wereldbibliotheek, A'dam, 1935. Dit is een heel belangwekkend boekje over de Padvinderij in Nederland. Het geeft niet allerlei avontuurtjes van ferme jongens, stoere knapen, doch het wijst voortdurend op de moreele kracht, op de karaktervorming, die er van de padvinderij uitgaat. Een boekje, meer voor ouders en opvoeders, dan voor, wat het omslag wellicht zou doen vermoeden, d e jeugd. Wanneer ge een troepje padvinders ziet marcheeren, met naast en aan de staart van de kleine colonne den leider, dan zijt ge al gauw geneigd, een oppervlakkig oordeel uit te spreken over het „onschuldig kinderspel". Velen zullen, zelfs nu nog, een glimlachje niet kunnen onderdrukken, wanneer ze, hoe, kinderachtig immers, de ernst en waardigheid van den leider zien. In dit boekje nu worden die ernst en waardigheid overtuigend verklaard. Het is geen amusant uniformspelletje en geen avontuurlijke romantiek alleen, waaraan de padvinderij haar aantrekkingskracht op de jeugd ontleent. Het is in de eerste plaats de roep tot het recht-door-zee gaan, de opwekking tot kordaatheid, de belofte, dat; jongens, die zich onder haar banieren scharen, zichzelve zullen vormen tot stoere knapen. In het kort geeft de schrijver even aan, hoe snel de padvinderij gegroeid is. Daarna schetst hy de Nederlandsche padvinders in hun groepen, hun verhouding tot elkaar en tot de maatschappij; hij verklaart met toelichtingen de „belofte" en het streven van eiken rechtgeaarden nieuweling en hij omschrijft de taak van den leider.. In enkele woorden: hij maakt van u een padvinder vóór ge er erg in hebt en... zonder dat het TJ berouwt. ' Jo Kalmijn—Spierenburg: TRANSPARANTEN. Libellenserie Nr. 29. Bosch & Keuning, Baarn. Mc ï -i» Kalman heeft waarschijnlijk het gevoel, dat zij een zeer goed dichteres is. Maar zij is het daarom nog niet. Zij spreekt van ,,d' ontsteltnis om de groote eenzaamheid, die aan het leven spoelt zoo zeeëwijd." Haar poëzie is „geheel doorzichtig en gansch brekelijk, en teeder onuitsprekelijk." Haar hart kart „het bloeien niet verzuimen." Zij ging „Beducht de strakke landen langs", omdat het volgend rijmwoord was „gerucht". Ja,, en toch kunnen deze versjes wel héél goed bedoeld zijn. W. Hessels: windstilte. Libellen-serie Nr. 23. Bosch & Keuning, Baarn. -Dit bundeltje verzen, simpel en zuiver,-zal hopenlijk velen welkom zijn. Hessels is niet iemand van groote woorden óf schrille, gezochte beelden; zijn eenvoud is ook niet aangeleerd, geen pose van dichterlijkheid. De tegenpolen spontaniteit en bezonkenheid véreneigen zich in zijn werk. Hij verheft zich niet tot een stoutmoedige, vlucht; bij strompelt evenmin voort over den weg van precie&e werkelijkheid, zooals vele moderne dichters dat bij voorkeur doen. Hij tracht de reflex van een beeld 'op zijn ziel,' te vangen in verzen, die meestal stille overpeinzingen zijn. Hendrik Lindt: wij ruilen van vrouw. Amsterdam, Allert de Lange. Age Stork,