Tandheelkundige Hulp Spreekuren voor ziekenfondsleden en anderen met inkomen beneden ƒ 2500.— geh., f 1500.— ongeh. Dagelijks 8—9 voorin. Ma. en Do. 6—7 nam. bij de Tandartsen: KROES, OBBES, PEUTZ, Mej. ALBERS, DE BOER, VAN DOORN, FRIERERICY, HUBER. (1993) Tarieven: Vullingen, trekken met verdooving en Kunstgebitten speciaal verlaagd tarief. --- NIEUWS UIT DE NAASTE OMGEVING. CHRISTELIJKE MEISJESVEREENIGING „DE HEERE ZAL 'T VOORZIEN". UGCHELEN. — In de zaal van U. B. herdacht de Meisjesvereeniging ,,De Heere zal t voorzien", haar 36ste jaarfeest. Er was voor dit gebeuren groote belangstelling en de zaal was geheel bezet. Mogelijk dat de. evenals vorig jaar, gegeven filim van de fa. Van ter Beek. uit Apeldoorn en welke in Ugchelen zeer in den smaak vallen, hier niet vreemd aan ; : : n. Toe te juichen is dat bij dergelijke opvoeringen wel de uiterste voorzichtigheid betracht wordt. Ook hier was de adjunctopperbrandmeester, de heer Quartel, aanwezig om toe te zien, dat men zich aan de voorgeschreven regelen hield. De leiding van dezen avond was in handen van den weleerwaarden heer Lietaert Peerbolte. die ook de openingsrede uitsprak. Na den aanwezigen verzocht te hebben te zingen het eerste vers van Ps. 89, opende genoemde heer op de gebruikelijke wijze en riep daarna allen een welkom toe op deze jaarherdenking der Meisjesvereeniging. Spr. was verzocht om bij de opening eenige woorden te spreken en hij wilde dit doen naar aanleiding van 2 Thim. 1:6 „Schaam u dan niet der getuigenis önzes Heeren". 't Is een eigenaardig woord, zal men denken, om hierover op een jaarfeest van een Meisjesvereeniging te spreken. Paulus toch spreekt deze woorden tot z'n geestelijken zoon en vriend Thimotheüs, die stond in het geloof zijner moeder. En zoo wil ook spr., die zoo zachtjes aan weet onder welke omstandigheden de meeste meisjes der Vereenlglng „De Heer zal 't v/wzien" dagelijks leven, ook deze woorden toeroepen: Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren. Ook niet op de fabriek, onder uw werk, waar het wel eens heel moeilijk is. om hieraan getrouw te blijven. De tijden zijn moeilijk en ofschoon de ouderen kunnen getuigen dat het ook vroeger niet makkelijk was om zich der getuigenis onzes Heeren niet te schamen, thans is het nog veel moeilijker geworden en we zijn niet klaar als we alleen lid der meisjesvereeniging zijn, welke thans haai* jaarfeest herdenkt, maar we moeten getrouw zijn en ons beginsel niet verloochenen. God leidt ons leven en zoo wij dit geloof in het leven uitdragen dat Hij onze God is, zullen wij ons roeping getrouw zijn. Met den wensch dat leidster, bestuur en leiden der vereeniging hun plaats naar behooren zullen vervullen, getrouw zijnde aan hun rceplng en in tijden van verzoeking er niet . langs heen glijdende om niet uitgelachen te worden, btsloot spr. en gaf aan de secretaresse gelegenheid 'een jaaroverzicht voor te lezen. Deze kon gewagen van een vooruitgaand ledental. Schetste verder het vereenigingsleven en vertelde van het jaarlijksch uitstapje. Het bestuur bestaat thans uit: M- Welgraaf, leidster; G. Quartel, secretaresse; en B. v. Loenen, penningmeesteresse. Daar deze laatste door ernstige ziekte van een der hulsgenooten niet aanwezig was, las de leidster het financieel jaaroverzicht voor. Aan inkomsten had men een bedrag groot f 185-69. De uitgaven beliepen in totaal f 132.23, zoodat er een voordeelig saldo was van f 53.36. Hierna volgde een vijfbal samenspraken, getiteld: Het lekt hier; Een vergissing; Een praatje; Zoo zijn er; De wijze keuze. Hierna volgde een lichtbeeldenvoorstelling van de fa. van ter Beek uit Apeldoorn. Dit had, als gewoonlijk, een vlot verloop en de beelden waren duidelijk. Er was veel animo voor. 't Geheel was een mooie, goed geslaagde avond. JEHOVA NIZZL UGCHELEN. — Donderdagavond, 28 Maart, herdenkt de Christelijke Jongeliedenvereeniglng „Jehova Nizzi",, haai- 41-jarig bestaan in de zaal van U.BNaar we hoorden is er dit jaar alle zorg aan besteed om dezen avond goed te doen slagen, zoodat een prettige avond tegemoet kan worden gezien. --- Schoonmaak geeft menige hulsvrouw en meisje ruwe en rood© werkhanden. Deze worden wederom spoedig gaaf, zacht en blank door Purol. --- LETTERKUNDIGE KRONIEK. C. Rijnsdorp: KOSTGANGERS GODS. Uitg. Mij. Holland, Amsterdam. De titel van dezen bundel novellen doet mij denken aan het, gewoonlijk voor de betreffende personen niet zeer vleiende gezegde, dat onze lieve Heer rare kostgangers heeft. Vooral de hoofdpersaon van het eerste verhaal is een rareHoe gevaarlijk de „moderne zakelijkheid" voor literaire kunst kan zijn, blijkt wel t*i duidelijkste uit die soort lectuur, welke het niet zakelijke van een overtuiging, het Goddelijke, in het leven van verhaalfiguren wil belichten. Dit onzakelijke blijkt helaas slechts bij uitzondering, als het ware toevallig, in een xakelrjken vorm gegoten te kunnen worden. Het ,.weest nuchter en waakt" dringt tot onze christelijke auteurs door. Doch deze nucherheid kan eenerzijds gevolg zijn van ontnuchtering, wijst dan altijd nog op een zich hier en daar openbarende behoefte aan mooidoenerij, of anderzijds van het nog niet gevoed zijn en dan verkeert de schrijver inden toestand van iemand die, zelf hongerend, anderen geen schoonheid maar slechts honger naar schoonheid geeft. Brengt de „moderne zakelijkheid nieuw leven in de kunst, door deze te ontdoen van alle franje, door ze te snoeien, ze doodt de gewassen van den tuinman, die, omdat hij elders zulke goede resultaten heeft gezien, zelf ook maar eens aam het kappen en knippen gaat. In de nuchterheid schuilt nog een ander gevaar, namelijk het te opzettelijk zoeken naar humor, waardoor een van nature niet geestig auteur zal gaan streven naar het caricatürale. Twee generaties terug schreef Justus van Maurik aandoenlijke verhaaltjes over om een of andere reden stumperige menschjes. In onzen tijd komt meer en meer naar boven de behoefte, dergelijke verhaaltjes te vertellen, maar ze dan te ontdoen van alle aandoenlijkheid ze te serveeren als een door caricatuurachtigen humor min of meer gesausde, droge kost. Nu het zakelijke schrijven steeds meer mode wordt, moet niet van sarcasme vrije humor dienst doen als een vrijgeleide voor den auteur, opdat deze zich zal kunnen bewegen onder menschen, die hij, blijkens zijn carlcatuurteekenlng, eigenlijk beneden de hoogte acht, welke hij als kunstenaar meent te hebben bereikt. C. Rijnsdorp heeft nu deze vier verhalen gebundeld. Wat is er nog meer van te zeggen, dan dat ze met humor en zakelijkheid kort verteld zijn? Ik geloof, dat het schrijven op Rijnsdorp's manier aan te leeren is, dat iedereen op deze wijze eenigszins geslaagd proza zal kunnen voortbrengen. Ik heb over het romanfragment, dat Rijnsdorp liet opnemen in Het Heerlijk Ambacht, niet. heel vriendelijk geoordeeld. Maar toch denk ik, dat hij er beter aan doet dien roman te voltooien, dan nog eens een bundel verhalen als die uit Kostgangers Gods het licht te doen zien. Want die roman, Eldert Holiér, deed in ieder geval zien, dat de auteur naarstig zocht naar een ewyen manier van zegging, terwijl deze vertellingen zelfs deze verdienste niet hebben. Het tondelen van verhalen is trouwens, laat dit een troost voor den schrijver zijn, een heel riskante onderneming. K. H. R. de Josselin de Jong: KINDEREN EN MENSOHEN. J. M. Meulenhoff, Amsterdam 1934. Zeer zuiver is de schrijfster in de doorgrondig van de kinderziel. Zij kent de kinderen, zij observeert de menschen in hun verhouding tot die kinderen en stelt ze naast en tegenover elkaar. Acht verhalen, acht conflicten. Het is de bijzondere verdienste van de auteur, dat ze haar kinderen en menschen zoo reëel heeft geschetst, dat de verhouding over het algemeen lijkt wat men „goed" zou kunnen noemen, terwijl zij toch in élke verhouding de wrijving, de steen des aanstoots, zoowel van het standpunt der ouderen ais door de oogen der jongeren ziet. Het is me niet mogelijk, te zeggen, welk van deze acht verhalen het beste is. Want ze zijn allen zoo gaaf. zoo heel en al uiting van een evenwichtigen, subjectief voelenden, doch tevens objectief beschouwden geest, dat er geen onderscheid tusschen hen gemaakt kan worden. De schrijfster kiest enkele kinderen en menschen en geeft die weer tijdens een hun onderling verdeelende gebeurtenis, waarfloor de handeling, het bij de meeste psychologische verhalen verwaarloosde onderdeel, oppervlakkig beschouwd het voornaamste lijkt te zijn. In hun reacties op die bepaalde gebeurtenis beeldt zij dan de psyche van het kind en van de mensch, zoodat het den lezer is, alsof hij kind en mensch beiden even diep in de oogen ziet. En alsof hij in zijn blik het leven zich voelt verdiepen. J. Slauerhoff: HET LEVEN OP AARDE. Nijgh en van. Ditmar Rotterdam, 1934. Ben Europeaan, die alle zeeën bezwalkt heeft zonder verlost te worden van zijn zware hypochrondrie, zoekt zijn heil in China, voor hem het land der onbegrensde mogelijkheden. Deze Cameron is, ondanks zijn zwartgallige onverschilligheid, een zeer sympathiek mensch. Gisteren is gelijk aan vandaag; morgen zal ook weer aan vandaag gelijk zijn. Altijd hetzelfde, het doellooze en onnutte. Boven dit leven op aarde wil Cameron uit. Waarheen? Naar gene zijde. Slauerhoff staat geheel alleen en op zichzelf in onze moderne literatuur. Hij doet geen enkele concessie aan het lezend publiek. Hij visionair en. onder den druk van zijn hypochrondrie, halucinair. Zijn zwaarmoedigheid ligt verpletterend op 't leven der door hem geschapen menschen, drukt die menschen neer tot vlakke onbelangrijkheid. Onder zijn blik wordt het leven op aarde overbodig, ondragelijk, stupide. Hij heeft iets van een pelgrim, die getrokken wordt tot het bovenaardsche. zich voortdurend in zijn lichameüjk bestaan bekneld voelt. De pelgrim zoekt het Goddelijke. Wat zoekt Cameron? Indien hij dit wist, zou hij van zijn zwaarmoedigheid genezen rijn. Hij weet het niet. Hij zoekt de bevrijding uit wat hij kent tot wat hij niet kent. In dit boek leeft China, dat met broeiende geheimzinnigheid den Europeaan lokt, pm hem koel en onverzettelijk te weren. Veel verhaal is er niet; er zijn de avonturen van Cameron. die, zonder geld of vooruitzichten, in handen valt van den gewetenloozen Hsioé. De lezer ziet de beelden elkaar in groote snelheid opvolgen: een opiumkit, de onstuimige zee, het overstroomde land, waar de bevolking zich door Hsioe voor veel geld weinig voedsel laat verkoopen, dan de strijd tusschen priester en vorst, het leven van de zeer rijken en de verkommering van de zeer armen, de opium-sluikhandel, die schatten opbrengt en menschen vernietigt-, en ontstellend wijd visioen van Cameron, wanneer hij onder opium-invloed de papa vervelden ziet bloeien en tenslotte de mysterieuze genade, welke uitgaat van Wan Tsjen, die zich van het aardsche weet vrij te maken en door de kracht der gedachte zelfs lichamelijk op een ver verwijderde plaats tegenwoordig kan zijn. Het leven op aarde is een boek, dat ontzag afdwingt. Johanna E. Kuiper: DE NIEUWE TIJD IN OUD-HEERBACH. Libellen-serie Nr. 51/52. Bosch en Keuning, Baarn. Bij de beoordeeling van christelijke romans komt men vaak voor het moeilijke geval te staan dat men een werk gaarne en van harte wil aanbevelen,- doch op velerlei tekortkomingen moet wijzen. De schrijver, die er zich toe zet een specifiek christelijk verhaal te schrijven, wordt veelal zoo door de gedachte aan dfe religieuze stichting in beslag genomen, dat hij nagenoeg alle eischen van romankunst uit het oog verliest. Hoe sympathiek het resultaat van zijn arbeid dan ook kan zijn, het wordt bijna altijd geschaad door een, en dat is juist de grootste tekortkoming, geheel noodelooze eenzijdigheid. Hij kiest b.v. het heden, opdat zijn religieuze hoofdpersoon niet alleen een prachtig relief zal krijgen, doch opdat hij tevens den tijdgenooten tot voorbeeld kan worden gesteld. Naarmate die hoofdpersoon dan gestalte begint te krijgen, dringt het heden zich in de conceptie hoe langer hoe meer op den achtergrond, zooiat hij tenslotte een verhaal schrijft, dat geheel los van ale werkelijkheid staat. Rectifieerde de schrijver zijn roman nu zoodanig, dat alle reeds aanwezige aanduidingen van tijd en plaats verdwenen, dan zou hij den ontwikkelingsgang wellicht voltooid hebben en zou hij, op een geheel anderen grondslag, toch een zich in de werkelijkheid wortelend verhaal geschreven hebben. Tot zoover echter laat, jammer genoeg, de christelijke auteur het zelden komen. Johanna E. Kuiper laat haar verhaal, zonder dat de reden ons duidelijk is, in Duitschland spelen. In het Duitschland van heden nog wel, want de predikant, die wegens ouderdom afscheid neemt, was enkele jaren van den aanvang van de nieuwe eeuw nog jong. In het moderne Duitschland van Joh. E. Kuiper wordt echter, hoewel er gestaakt en gestreden wordt, aan politiek niets gedaan. De Nazi's worden niet eens genoemd. Daarbij komt, dat er geen spoor van werkeloosheid in haar roman is te vinden. Integendeel, er schijnt volop gearbeid te worden. De strijd en de staking draaien om een enkelen, nog zeer jeugdigen communist, die al vrij spoedig tot het protestantisme bekeerd wordt, zoodat aan het slot van het boek de indruk wordt gewekt, alsof het in Duitschland nu met, de kerk heelemaal in orde is. Het is te betreuren, dat de schrijfster zich tot een zoover doorgevoerde eenzijdigheid heeft laten verlokken. Want indien zij de huidige maatschappelijke toestanden recht had doen wedervaren, zou zij een roman van zeer groote beteekenis hebben geschreven. Zooals hij nu is, is hij alleen een goed, christelijk, stichtend vertelsel, dat een ieder, die zich van de werkelijkheid kan losmaken, stellig van begin tot einde zal boeien. Als Joh. E. Kuiper een volgenden keer haar oogen niet sluit voor wat zij wellicht als bijzaken beschouwt, zal zij waarschijnlijk iets bijzonders tot stand brengen. Ivans: MIJN GEHEIMZINNIGE BRUID. Scheltens en Giltay, Amsterdam. Ivans heeft dit romannetje geschreven in den gerekten toon van Ferdinand Huyck, alles verantwoordend. Het misdrijf, waar het om gaat, is zeer benaal, doch de schrijver bleef gelukkig met zijn twee beenen op den grond. Ik voor mij vind dit boekje het beste, dat Ivans de laatste jaren geschreven heeft. Het geeft heel aardige herinneringen aan den tijd, toen er nog geen taxi's waren en de vlotte teekeningetjes van Pieck stellen ons de heeren in avondcostuum, de dames is de gezellig ouderwetsche hoepeltjesrokken voor. Maar waarom trekt Ivan nagenoeg altijd, in zijn latere romans, over de grenzen? Om den lezer het geval, dat in Holland als al te in het ooglocpend gezocht zou duikelen, aannemelijker te maken? Doch dan dient een zoover verplaatsen van de misdadige handeling alleen om een tekort aan vindingrijkheid van den schrijver te verdoezelen. En waarom acht Ivans het noodig. zoo nu en. dan een Hongaarsch woord te gebruiken, dat hij aan den voet van de pagina toch weer vertaalt? Oök dit is een zwak hulpmiddeltje, om de lokale kleur een beetje aan te dikken. Ivans schrijft ontzettend veel, te veel. Ook na lezing van dit romannetje, dat ik dan toch als zijn beste van de laatsten tijd beschouw, blijft een enkele conclusie van overwegende beteekenis, n.1. dat Ivans, ondanks zijn routine en zijn gevestigden naam, nog heel wat van de groote buitenlandsche detectieveschrijvers zal moeten leeren, voordat hij een werkelijk gaaf verhaal zal kunnnen vertellen. Aldous Huxley: HET SOMAPARADIJS. Uitg. Mij. Contact, Amsterdam. Een satirieke utopi, die den lezer tevredenheid met het heden geeft. Indien het op onze goede aarde zou worden zooals Huxley zich de toekomstmaatschappij heeft gedacht, zou het er voor den denkenden mensch al zeer bedroefd uitzien. Het karakteristieke van het boek is, dat de aanroep: Oh God! er in is vervangen door Oh Ford! De samenleving is tot in nietige kleinigheden in de puntjes geregeld; er is nooit gebrek aan iets; alle menschen zijn gelukkig,, want. reeds voor hun kunstmatige geboorte worden zij toegerust met alle mogelijke eigenschappen. Ze worden gekweekt in flesschen en reeds in embryonalen toestand wordt b.v. de toekomstige vlieger er aan gewend op het hoofd te staan en allerlei plotseling, schokken zoo vaak te ondergaan, dat juist de gewaarwording van het vliegen hem in zijn latere leven pas op zijn gemak zal brengen. De uitgebroede wezentjes, die geestelijk, in enkele klassen verdeeld, allen tweelingen zijn, krijgen reeds in hun wieg les.. Onder de kussentjes zoemt een microfoon voortdurend dat de baby in kwestie gelukkig is in den staat waarvoor hij bestemd werd. De bewering, dat alle menschen gelukkig zijn is eigenlijk slechts een massaal bedrog. Zij. die nadenken, worden ontevreden, wenschen persoonlijkheden te worden inplaats van maatschappij-onderdeelen. Het ligt voor de hand, dat Huxley voornamelijk over enkelen dezer ontevredenen schrijft. Uitsluitend door hen, de volgens ons normale, in het toekcmtstbeeld echter abnormale menschen, wordt het boek een voor ons aanvaardbare roman. Hoewel de heele wereld „gecultiveerd" héét te zijn, heeft men toch in stahd' gehouden een soort van wildenkamp, een natuurreservaat. ergens in Amerika. Slechts met schriftelijke toestemming van den wereldbeheerscher is het enkelen vergund, In dat wildenkamp een kijkje te nemen. Twintig jaar voor den tijd, waarin het verhaal speelt, maakte de directeur van de broedcentrale er in gezelschap van zijn tijdelijke geliefde een uitvluchtje heen, waarbij door een ongeluk de geliefde achterbleef. Op heel ouderwetsche manier kreeg die dame in het kamp een zoon, die tegen den weer vertrokken directeur vader zal moeten zeggen. Wanneer nu een der nadenkenden, die van deze geschidenis gehoord heeft en met den directeur op niet al te goeden voet leeft, eveneens naar het wildenkamp een „uitvluchtje" maakt, treft h\i daar de zeer verouderde geliefde van zijn vijand aan. Hij neemt haar en haar inmiddels volwassen geworden zoon tnee terug naar Engeland, waar het blijkt, dat de Wilde den gecultiveerden in beschaving en ontwikkeling verre vooruit is, al weet hij dan ook niets van broedcentrales en autogiro's. Aanvankelijk oogst de vijand van den directeur een volkomen succes, doch als de Wilde een gevaar voor den staat blijkt te worden, verbant de wereldbeheerscher hem naar een afgelegen eiland. Daarbij komt de aap uit de mouw. De wereldbeheerscher laat zich ontvallen, dat er gelukkig vele eilanden zijn, waarheert ontevredenen en persoonlijkheden verbannen kunnen worden. Er blijken dus heel wat menschen te zijn, die zioh in die goede en volmaakte maatschappij toch niet op hun plaats voelen. Als toekomstroman is dit boek, dat consekwenties trekt, doch die niet aanvaardt, voor mij een mislukking. Maar als satire op de „gelijkschakeling" Is het onbetaalbaar. PIET VAN VEEN. --- ESPERANTO. DORMKANTO. (Schubert). Dormu, dormu carma kara knabo, Dolfie lulas mano de 1' patrin'. Rlpozadon .êia amo donas, Dolöe movetante vin. Dormu, dormu, ec en tomba ripozado Vin protektas la patrina man'. La dezlrojn kaj la havon, Si prizorgas per elkora am. Dormu, dormu, sur lanuga lito Vin cirkaüas ama melodi'. Post la dormo bela rozo, Kaj lilio estos rekompenc' por vi. EL LA VOJO. de taal. Er was in 'n grensplaats, 'n heel grote markt', Waar allerlei kooplildsn stonden. Ze kwamen in auto 's, met karren, en ook Met ezels en enk'len met honden. De kooplieden' waren in groepen geplaatst, Ze spraken verschillende talen. Het was voor de kopers verschrikkelijk zwaar, Een maat of 'n piJW te bepalen. Het ging dan ook mMst met gebaren gepaard, 't Was dikwijls 'n rare vertoning. Men maakte zich moeilijk en wond zich vaak op, Ten koste soms, van 'n verschoning! Zooals 't op die markt gins: zo gaat 't overal, Door d'oorzaak... 't verschil in de talen. De volk'ren begrijpen elkander zó slecht, Dat toenaad'ring meestal moet falen! De dieren zijn de mensen in 't algemeen voor, Hoe vreemd het misschien moge klinken. We keren weer naar onze marktplaats terug, Waar de kooplui hun tenten ontsloten. En luist'ren naar 't dier, dat ik aanduid als „dom", I>e. ezel, miskend en verstoten! Er stonden 'r 'n viertal, verspreid op 't terrein, Ze, aten hun middagrantsoentje. Hun meesters, twee Duitsers, 'n Rus en 'n Belg, „Verslonden" 'n eend en 'n hoentje. En.eensklaps terwijl men het niet had verwacht, „I-Ade" een ezel z'n dankwoord-, En even daarna, als 'n echo gelijk, „I-Aden" de and'ren als antwoord! Alwaar ik maar even mee vaststellen wil. Die ezels „verstonden" elkander. Al waren ze „vreemden", zooals men dat noemt, Voor hen was niet één „buitenlander"! 't Is voer ons, „wezens" nu niet bepaald j,vleiend", Dat de mensen elkaar niet begrijpen. Maakt daar 'n eind aan en leert Esperanto, Want dat Is de taal die móét rijpen. (Spelling Marchant). G. L. Uit Laborista Esperantisto. --- Brieven van Herm uut de Peerdekule. HEIKNEÜTEiREN, 20 Maart. Wie bint Dinsdag oavond wèzen kieken noa Loe Bandie mèt' zien troep in Tlvoli te Apeldoorne. Noe wie hep mèrakel veul sgik è hadmar 't had niet veule è sgeeld of mien vrouwe wol der weer uut dat kwam zo tos die mooie deerntjes op 'tonneel kwammen zag è al heel gauw dat ze gien kousen an hadden een gien mouwen in t jak en helemoale geen rugge, jong jong wat wat dAt mooi maar Garritjen zei dat een fcgande wtas om mit zokke blote benen en arms te lopen, mar de dogter van de Kloek zei tegen urn toe ie van de zomer .is' een keer noa 't Berg en Bosbad tónt è wes urn oe is goed te wassen zo as ie dikt is één keer in 't joar doet, heb le toe oe kousen an è houwen toe liep le tog ok in een zwempakken en doar liepen tog ok een hoop manslu die oe noa oe dikke benen keken ja toe kon è niks meer zeggen. Mar wat hadden die deerns een mooie jörken an en helemoale gien rokken en wat kon. die ene keerl dansen die had de beenen helemoal los zitten hle lei in zien ene been leen knup en halen mit zien andere been die der weer uut. en wat kon dat eene deerntjen dansen. op de tenen dansten è de trappe op en of. 't was een lust um te zien. Der waren ok wel lelukken bie ene had een nSuze, Driekes zei dat è der wel een gliebane van kon maken en ogen 't leken wel glazen knikkers en dan waren ze zo blauw as Keugeltjesblauw. De baas van 't spul Loe Bandie das mien een grapjas wie hiep è laggen dat ons de buuk der zeer van dé, toe kwammen die deerntjes op as brandweerlu nou as die bie ons de brand mossen blussen branden 't hele spul wel of want de jongens uut derp gingen vast uut vrieën mit die deerns en was der elke oavond brand. Ik sprakke nog een van die heren van de revue en die wol ok wel is in Heikneuteren komen speulen ik zelë tegen um dat è zlg is in verbindingimos stellen mit de V.V-V. um as die vieftig joar besteed een ruveu te loaten speulen en hep um è zegd diat ik um dan wol helpen um dat ding in me kaar te zetten. Noe'k Ut tog doar over hebbe zak uhe is vertellen wat doar Zoaterdagoavond over è sproken is i» de herrieberg bie ons. Zie hadden è heurd dat è de H.I.TA- zal heten en vroegen mien óf ik wisse wat dat beteikenden, Ik prakkiseerden mien de kop gek en ja 'k had ut ik zielë: Hollands Ideaal Tesamen Aangepakken. ne zei Lagendaal vaste niet dan weet ik ut béter Handel Is Totale Armoede, ie liekt wel gek zei Mijnders zooiets zult ze tog niet van te veuren zeggen 't zal motten wèzen Heldere Inzigten Triumferen Allerwegen. Nou zei toe de Kleppe as ze um zoo nuumt Is ok fout. want as ze een helder inzig hadden z'um In begin Augustus motten houwen en niet in September want zei è in Augustus bint der een dazend of aeuven agte pensoengasten en lu die vakansie hep in Apeldoorn pier dag, as door noe de h elf te van geet kieken tegen veertig- of vieftig cent Is dat per dag 1200 gulden in tien dagen 12000 gulden, ai dat zoo bekiekt hef e wel geilek, 't Is zeië mar een weet ie motten der mar opkümmen. Wie hep der nog gien fleklame van è zien of è lézen noe wol de kastelein zelf een kaarte telkenen en die al vaste bie um veur de glazen hangen want zei è ut duurt mien wel wat lange en as zo'n tentoonstelling goed geet hep ik ut ter ok nog niet sleg me, affein wie zult ter mit gemak wel is wat van heuren. Noe hèw van de wéke net è heurd d&t H.I.TA. beteikenü Handel Industrie Tentoonstelling Apeldoorn, 't is heel eenvoudig al der mar op komt. Wie zatten nog wat te proaten toe de Kloek opeens dei de velcwa.gt-er wil zien pension' -nk anvroagen, nou door keken wié van op hoe kump dat zoo in eens vroeg 'k um, ja zei de Klcek der mot iemand wezen veur de werkelozen veur uutgave van de bussen vleis, dus zo'n bltjen jogglen van alles, dat had è heurd en zien ogen wassen niet te bes meer en noe wolte mit pension en as è dan dè,t baantje der bie had wasse net kloor, dan verdiene è nog een gulden of vieve meer as dat ié noe had in de wéke. Ik zeië tegen de Kloek, mar dat zal niet 'gebeuren dat kun ie noe wel al zo'n bitjen "Gekonkeld hebben mit um mar dat zal noe is niet goan as der eehtjen wèzen mot nemen wie der ene van de werkelozen das alteid voordeelig er, die motten wie ok betalen en anders een nieuwe veldwagter en de ouwe veldwagter en een werkelozen dat kost ons dan zeuvenhondercvieftig gulden per joar an de gemeente en dat is noe net waar ze zo over sarieft die dubtele salarissen. - . , Dag le zei de Kleppe dat ze zooiets in Apeldoome zollen doen, ik hebbe ut werklieden reglement uut A-peldoom è lézen mar door mag der gien een een dubbel salaris Webben of pension mit salaris de vrouwe mag der niks bie verdienen zie mag mar net zo veule grond bie huus hebben dat ze der eigen gruunte en eerpels kunt verbouwen en das mar goed ok want anders zol den eenen een boerderietjen den ■ander een klppenfokkerietjen bie beginnen en door houwt ze merakel streng de hand an, zie zek door natuurluk zo alw een gepensioneerden nog een baantjen geeft kuw der gien werklozen anzetten en mow die werklozen ok betalen dia's dubbel op, dat sgeelt ons zo zeuvenhondterd vieftig gulden per joar as der dan vieftlen van die baantjes bint kost dat de gemeente meer as tien öuzend gulden per joar en dat is een moede sent, ne zo stom is de gemeenteraad van Apeldoorn niet noe ze overal op motten bezuinigen vink dat van de gemeente Apeldoorn heel mcól en kunt der heel wat gemeentus een veurbeeld aan nemen en as noe dat veurstel van onze veldwagter kump zal ut wel niet deurgoan. De Vrouwe riep mien net uut de beddekaste dat al tien uur is en dak noe mar is op mot houwen mit dat geschrief, nou allemoale de groeten dan van HERM UUT DE PEERDEKULE. --- VEILIGHEID ---