VERKIEZING PROVINCIALE STATEN 6 April 1927. De Antirevolutionaire lijst voor de CENTRALE AALTEN luidt aldus : 1. J. Rijpstra, Zelhem. 2. Mr. H. J. Verbeek, Dinxperlo. 3. A. J. W. Monnink, Aalten. 4. C. Roeterdink, Gorssel. 5. A. Weerkamp, Winterswijk. 6. Mr. A. v.d. Deure, Bennekom. 7. G. Remmelink, Steenderen. 8. A. D. P. V.v. Löben Seis, Arnhem. 9. F. Kortlang, Ermelo. 10. J. W. ten Cate, Haarlo. 11. Z. G. Swijtink, Bredevoort. 12. J. B. Keuper, Dinxperlo. 13. D. Lijberse, Arnhem. 14. J. N. van Munster, Arnhem. 15. F. H. Somsen, Aalten. 16. C. J. van Marle, Brummen. 17. J. C. Faber, Doetinchem. 18. W. H. Brunsveld, Doetinchem. Voor de CENTRALES ZUTPHEN en VOORST : 1. C. Roeterdink, Gorssel. 2. D. Gosker, Apeldoorn. 3. J. W. ten Cate, Haarlo. 4. ü. J. Wolters, Voorst. 5. J. Boks, Zutfen. 6. A. Wiersinga, Arnhem. 7. H. H. ten Cate, Eibergen. 8. W. v.d. Hoff, Apeldoorn. 9. J. A. Surink, Zutfen. 10. Ph. Jalink, Apeldoorn. 11. N. Paschier, Gorssel. 12. Mr. A. Bar. v. Heeckeren v. Keil, de Steeg. 13. Mr. Th. Dijstra, Zutfen. 14. A. de Jongh, Apeldoorn. 15. D. J. Krajenbrink, Geesteren. 16. E. J. F. Krudde, Apeldoorn. 17. Chr. te Raa, Rekken. 18. J. Oosterhuis, Apeldoorn. 19. A. Roerdink, Neede. 20. T. Zevenhuizen, Apeldoorn. --- ONZE CANDIDATEN. We kunnen de keuze der candidaten voor de Prov. Staten inde Centrales Aalten, Zutphen en Voorst een beslist gelukkige noemen. leder, die het voorrecht heeft, deze mannen te kennen, zal dat ongetwijfeld moeten toestemmen. Inde eerste plaats zijn het mannen van beginsel. • Zonder uitzondering. Er zijn er bij, die reeds tientallen van jaren deelgenomen hebben aan den strijd op politiek gebied tegen den geest der eeuw. Mannen, vergrijsd inden dienst van het Koninkrijk Gods. Ge vindt er ook een jongere generatie bij. Maar ook die jongeren zijn geen vreemdelingen inden politieken worstelstrijd. Zij stonden met de ouderen vooraan in het gelid en schaamden zich hun Christelijk-politieke belijdenis niet. Wie nauwkeurig de lijsten bestudeert, kan nog meer opmerken. De stad is niet eenzijdig voorgetrokken voor het platteland. Verreweg de meeste candidaten zijn uit eigen kring en omgeving. Ze wonen in het midden huns volks. Al blijven we aan roeping getrouw en al gaan we ook, om des beginsels wil bij de stembus voor mannen in ’t vuur, die ons persoonlijk onbekend zijn, wanneer het wezen moet, toch valt het ons gemakkelijker, om alle krachten in te spannen en onzen plicht te doen, nu wede mannen broe-, ders in meerdere of mindere mate persoonlijk kennen en aldus weten, wie we kiezen. Ten slotte mag er ook nog wel op iets anders gewezen worden. Het is een zeer gelukkig verschijnsel, dat het verschillend kerkelijk standpunt, waarop de belijders van den Christus staan, bij de samenstelling en vaststelling van onze Candidatenlijsten in geen enkel opzicht eenige oorzaak van wrijving of ontstemming gegeven heeft. Van zekere zijde beweert men wel eens, dat alleen, wie tot de Gereformeerde Kerken behoort, Antirevolutionair is of zijn kan. Gelukkig is dat niet het geval. Er is hier in onze Graafschap nog samenwerking. Men ziet in breeden kring nog het gevaar, dat het gansche Christendom bedreigt. En men schaart zich op politiek gebied nog bij elkander en wil elkander steunen, om zooveel mogelijk dat gevaar af te wenden. Van „Gereformeerde bevoorrechting” is dan ook bij de vaststelling der candidatenlijsten geen sprake geweest. We meenen zeker te weten, dat er zelfs geen oogenblik naar gevraagd is, tot welke Kerkengroep de mannen behooren, wier namen op de lijsten worden genoemd, maar dat ze louter en alleen op den voorgrond zijn geplaatst, omdat ze bekend staan als strijders onder de banier van den Koning der Eere op staatkundig en maatschappelijk gebied. Dat is een groot voorrecht! En we hopen dan ook, dat allen, die het wél meenen met het stoffelijk en geestelijk welzijn van gewest en land, en allen, die belijden, dat ook de stembusstrijd een deel der geestelijke worsteling is, waartoe Gods Woord ons roept, de noodige aandacht aan de hier boven vermelde lijsten zullen -schenken en mede de keuze zullen helpen bevorderen van hen, die door onze Antirevolutionaire Partij krachtig worden aanbevolen. t t --- EEN ONTWAPENINGS-BOUQUET. Het is merkwaardig, hoe wonderlijk de Vrijzinnig-Democraten en de Sociaal-Democraten met hun ontwapeningsbeginselen rondspringen. We hebben nu niet het oog op hetgeen de kameraden in het Buitenland beweren en doen. ’t Is bekend, dat ze daar van eenzijdige ontwapening niets moeten hebben. Neen, we denken daarbij aan hetgeen de Nederlandsche voorvechters voor ontwapening zelf nog maar kort geleden schreven en spraken. Inde Tweede Kamer bij het ontwapeningsdebat werden ze dan ook telkens aan die „oude plunje” herinnerd. Een mensch is een veranderlijk wezen. ’t Is dus goed denkbaar, dat ook een Vrijzinnig- of Sóciaal-Democraat zijn vroegere meeningen prijsgeeft. Maar dan moet daarvoor toch een aanwijsbare reden zijn. Dan moeten er overtuigende motieven kunnen worden aangevoerd. En dat laatste is nu juist bij deze ontwapenings-kampvechters niet het geval ! De heer Duym