De Uilenreeks, uitg. Bigot en Van Rossum, Amsterdam. Onder den naam De Uilenreeks zijn een zevental deeltjes verschenen van een serie kleine, welverzorgde boeken, poëzie en proza, oorspronkelijk en vertaald. C. J. Kelk en Halbo Kool hebben samen de uitgave bezorgd van twee dezer deeltjes, een bundel Nieuwe Dichtkunst en een Middelnederlandsche lyriek. De dichtkunst der allerjongsten levert menigen parel op, zooals van Jac. Schreurs W. S. C. op „Llndy", voor wien vader Lindbergh 50.000 dollars uitloofde, maar hij vliegt nu zonder hinder en zweeft nu veel gezwinder van Licht In Licht voortaan — En dat andere van Albert Kuyle: Ik luister eenzaam naar Daver try, terwijl ik een vlieg op het tafelblad zie. Jammer voor dit gedicht, dat Daventry nu veranderd is ln Droitiwicih, zoodat het niet meer rijmt. A. J. D. van Oosten dicht een: Miniatuur. Het heeft zich aldus toegedragen: Zij kwam hier hard voorbij gerend en is daar, bij dat rood cement, tweemaal over den kop geslagen, Men heeft haar naam nog kunnen vragen, dit zijn de stukken van den wagen, de oorzaak is ons niet bekend. Daarbij valt wel uit den toon, wat J. Greshoff dicht op den dominé, den dokter, den notaris, die denken dat uw dichter niet goed gaar is. De Middelnederlandsche lyriek bevat een keur van subtiele liederen, als: Aloëtte, vogel klein, Egldius, waer bestu bleven, en krachtige zangen als van de kerels, naar Oostland e.a. Wij vinden hier ook weer het liedje „Alle dinge sijn mi te Inge", dat deze verzamelaane anders spellen dan Dirk Cos ter, die het indertijd vermeldde in zijn Nederlandsche poëzie. De dichter wordt als onbekend opgegeven, doch in welk handschrift komt het voor? Vlaamsche verzen hebben R. Her. rem an en Marnix Gijsen verzameld in een deeltje, waarin Karei van den Oever en Urbain v. d. Voorde zoowat de oudsten zijn. Wij vinden er van Frans Buyle den „Gek in den regenton", van Allee Nahon „Ons handen" en veel onbekende namen met gedichten uit kleine bundels of nog ongebundeld. Voor wie kennismaking zoekt met de jongste Vlamingen biedt dit boekje een goede keus. Wat niet vergaat noemde Mien Labberton vier Kerstvertellingen, gevoelig en sober, geschikt voor den familiekring. Napelsgeel en hemelsblauw is het prozawerk van een auteur, die tevens schilder is, J. Sjollema. Het is met teekeningen van den auteur verlucht. Twee vertaalde boekjes zijn er bij de reeks, R u t h van Jeanne Oterdahl, een boekje der ook bij ons veel gelezen schrijfster, dat meer bekendheid verdient. Een verhaal over kinderen, voor ouderen ook. De zaak kornet Jelagin van Iwan Boenin, den Nobelprijswinnaar van verleden jaar, is een zeer geserreerde novelle, die een onderwerp behandelt, dat telxens wéér ter sprake komt. Hier is het een officier, die zijn geliefde doodschiet, naar hij zegt op haar verzoek. Het is in zijn kleinen omvang een stukje van meesterhand. --- De Libellen-serie, uitgave Bosch en Keuning, Baarn. In de reeks Libellen-serie, waarin wij eerder het verschijnen aankondigden van een aantal aardige boekjes, zijn weer een groot aantal nieuwe nummers verschenen. De boekjes blijken in den smaak te vallen, Enkele zoo, dat zij het al tot vele herdrukken brachten. „Niet zóó, maar zó" reeds tot achttien. Ons voorbehoudend, op enkele ervan terug te komen, vermelden wij thans al vast het verschijnen van het deeltje over Indeelingen meubileering van het woonhuis door Victorine Hartogh.Snoek en een ander over de verlichting van het Woonhuis door H. P. J. Bakker, van Hulp in Huis (practische wennen voor de huisvrouw) door M. J. Ridderhof, van Wenken voor Keukeninrichting door Hermien Manger, van Waschbehandeling door C. M. E. Looyen, van Boerenbontjes als handwerkmateriaal door S. Nauta en J. F. Meijer, van Haakpatronen door Riek Heuslnkveld en Herkennen en keuren van j eenlge waren door P. J. Cromjongh, C. M. E. Looyen, E. Noordtzij en M. J. Ridderhof. Van D. J. van der Ven zijn er een tweetal n.1. Dank voor stank bij Dominee en Van Nederlandsche lu41 akfceln, twee folkloristische boekjes. Al deze deeltjes zijn geïllustreerd met foto's of teekeningen. Van anderen aard zijn de boekjes: M ar J a, de moeder van onzen Heer, en Haar beteekenis voor dezen tijd door Wilma, Boete door ds. W. A. Zeydner, Het gesprek bij de bron door dr. P. Stegenga Azn., Zendingineen veranderde wereld door dr. U. H. G. van Beusekom. Wij vermelden verder Indisch dierenleven door T. van 3cnthe: ï Jutting, een rijk geïllustreerd deeltje, Flakkeesche schetsen door J. Kleeuwens en Aolwieke, laand en lu van vriuger, mit magels deur Geert Teis Pzn. Dit deeltje is verlucht o.a. met het portret van den thans ze ven tig jarigen auteur, baanbreker voor de opleving van de belangstelling in de Groninger volkstaal. Ten slotte zijn in de serie opgenomen enkele bloemlezingen van gedichten van dichters uit vroeger tijd en bundels moderne poëzie, n.1. Jan Luyken, bloemlezing samengesteld en Ingeleid door M. Kamphuis, Jacobus Revius, bloemlezing door L. M. Hagen, Windstilte, verzen van W. Hessels en Transparanten door Jo Kalmijn-Spierenburg. Hollanders vlie g e n door Mr. E. Rusman, is de jongste uitgave der Libellen-serie der firma Bosch en Keuning te Baarn. Het boekje vertelt van 10 Jaar Amsterdam—Batavia door de lucht, van H—NACC tot Uiver en geeft een verhaal, met tal van foto's verlucht, van de vorderingen der luchtvaart sedert tien jaren, waarbij de eerste vlucht, Pelikaan en Uiver de voornaamste onderwerpen zijn. --- Kalenders Het einde van het Jaar is nog wel niet in zicht, maar het nadert reeds en kondigt zich aan door zijn voorboden, de kalenders. Een aantal practische en mooi uitgevoerde ontvingen wij reeds. De Dierenkalender van Ir. N. Sickenga te Bilthoven is een goede bekende van voorafgaande jaren. Het kalenderblad heeft weer dezelfde indeeling en bevat eenige ruimte voor aanteekeningen. De kalender is gevat in een donkeren rand als omlijsting, de teekeningen zelf zijn rijker van kleur. Een karaktervolle haan is op het eerste blad geteekend. een Samojeed, paardenkoppen, kind metltonijn, geiten, kalkoensche haan op de andere. De kalender zal weer velen vreugde geven. Nederlandsche Folklore* kalenderis een uitgave van de N.V. Uit. geverij v.h. C. A. Mees te Santpoort. Deze kalender bevat bij karakteristieke afbeeldingen liederen, wenschen, spreuken, en bijzonderheden van folkloristischen aard bij verschillende belangrijke dagen zooals Paschen, Pinksteren, Allerheiligen, doch ook bij gebeurtenissen van anderen aard, zooals ringsteken, Leekster tak, St. Steffenruiters, De Gilde, half October, Valuas en zijn vrouw. Een bijzonder interessante kalender. Een toepasselijken, smaakvollen kalender gaf de Vereeniging tot verpreiding van stichtelijke blaadj e s uit, welken dr. P. Cannegieter te Krommenie verzorgde. De dagkalender ls met voor eiken dag een goed woord voorzien, het schild vertoont een klein oogsttafereel en een spreuk. Een smaakvollen kalender van fraaie uit. voering heeft Jo Spier, de bekende illustrator, geteekend voor de firma Oud te Haarlem en de firma Ho ekstra te Zwolle, die hem samen uitgeven. Het is een zesbladige kalender, met bladen voor telkens twee maanden en die verlucht zijn met motieven ontleend aan de Oud-Hollandsche zeilvaart. De teekenaar is er in geslaagd, hetzelfde motief telkens varieerend te geven, een oude Oostinjevaarder in Nederlandsche omgeving, in mist, in bloeiend landschap, in het kleurrijke Indië, in de IJszee. De Dietsche volkskalender voor het jaar onzes Heeren 1935, uitgave van het Verdinaso, geteekend door Ari van 't Heem, is decoratief uitgevoerd en voorzien van spreuken van groote mannen uit vroeger en later tijd. De Volksbond tegen drank, misbruik heeft weer een dagkalender samengesteld met spreuken, die niet juist betrekking hebben op de drankbestrijding, doch die ook gvede woorden inhouden op allerlei gebied. D e E t a-k alenderl935 is weer even goed verzorgd als andere jaren. De uitgeverij De Torentrans te Zeist zal er ook dit jaar bij de huisvrouwen weer veel succes mee hebben met de dagelij ksche menu's, recepten, wenken, enz. --- Ter Overdenking Uit: :„De mensch in de crisis" door Erwin Wexberg. Gezond optimisma en kritisch pessimisme zijn volstrekt geen tegenstellingen: de dingen met onverstoorbare zakelijkheid precies zoo te zien als zij zijn, zich ook over werkelijke moeilijkheden en gevaren niets voor te pralen, op het ergste voorbereid tz zijn en toch het beste te hopen en het hoofd boven water te houden, dat is Ue h-uïing, die de mensch in de crisis noodig heeft. Slechts de moedige mensch kan het ver. dragen, fouten te maken, die ernstige gevolgen na zich sleepen. Den angstigen mensch kan men daaraan hci'Kenneii, ciat hij zich zoo gedraagt, alsof juist hij onfeilbaar moest zijn, en dat iedere kleine mislukking den diepen innerlijken twijfel aan de waarde van zijn persoonlijkheid reusachtig groot doet worden. Ook daar, waar het nog niet heelemaal zoo erg is, verraadt zich de ontmoediging van den mensch in de crisis door de keuze der vermaken, die zijn vrijen tijd moeten vullen. Meer en meer treden oppervlakkige en zuiver passieve genoegens in de plaats van geestelijke en eenigermate productieve bezigheden. Wie vroeger nog zelf aan sport deed, vergenoegt zich nu met de sensatie van het toekijken bij den voetbalwedstrijd; vroeger ging men naar het tooneel, nu naar de filmoperette; vroeger hoorde men symphonie- en kamermuziek-concerten, nu laat men zich door de radio de nieuwste moppen opdienen. In deze vervlakking van het geestelijk leven, die men stellig met cijfers zou kunnen aantoonen, blijkt duidelijk het afnemen van de vreugde in zelfwerkzaamheid en zelftucht, die ook tot het kunstgenot behocren, wil het verdiept en daardoor Juist krachtiger ontwikkeld worden. De hartstocht voor het kansspel behoort fc't de kenmerken vaa den ontmoedigden mensch. Zij is een doorzichtige kunstgreep, om zich aan de drukkende werkelijkheid te onttrekken. — Bewust of onbewust, bijge. loovig zijn alle spelers. — Verliest men dan heeft men alleen i.;aar pech gehad. --- NIEUWE BOEKEN EN HERDRUKKEN OORSPRONKELIJKE EN VERTAALDE UITGAVEN Het N e d e r 1 a n d s c h e Boek 1 9 3 4 is verschenen, de jaarlijksche catalogus, die nu al voor de elfde maal uitkomt met een overzicht van alle uitgaven, registers van schrijvers en titels, bijzonderheden van allerlei aard. Tot nu toe heeft de redacteur Pieter Bausch de uitgave bewerkt; in deze uitgave wordt een woord van dank en waardeering gewijd aan dezen redacteur, die door den dood aan deze taak ontviel. Dr. H. E. Greve, dir, der openbare leeszaal in Den Haag, heeft zijn werk overgenomen. Een prijsvraag is in deze uitgave opgenomen, welke bedoelt een stemming te houden omtrent de boeken, welke men onmisbaar acht. --- De huwelijksmolen der Ver. Staten 7300 bruiloften in een half jaar Het stadje Wellsburg midden in de vlakte van West-Virginië telt rond 6390 inwoners. Maar deze kleine stad in het Verre Westen ls bezig wereldroem te verwerven en er is weinig profetische wijsheid voor noodig om haar spoedigen grooten bloei te voorspellen. Sinds eenlge maanden is het schilderachtige stadje midden in de beboschte vlakte van Virginië de huwelijksmolen der Ver. Staten. De Amerikaanshe smid van Grentna Green zwaait evenwel niet den hamer, maar den dirigeerstok, hy is dirigent van een kerkkoor. De wetten van den staat Virginië kennen hem het recht toe volgens een verkort procédé de jon Te paren aan hun doel te helpen. De dirigent, die tevens onderwijzer der openbare school is, voltrekt de huwelijken in het schoollokaal, welks katheder met bloemen versierd is. De ceremonie is buitengewoon eenvoudig, ze duurt nog geen minuut. Voldoende ls het bewijs, dat de bruidegom noch de bruid reeds getrouwd ls. Dan komt er nog een kleinigheid bij: een biljet van honderd dollar, de tax voor de exnresse trouwerij ln Wel'sburg. Men komt de school in, vertoont het docu. ment, legt zün obool neer, dan een korte zeTensureuk van den jovialen wonderman, drie handtekeningen op een reeds klaar gemaakt formulier snel gekrabbeld en het huwelijk ls besloten. In de afgeloopen zes maanden hebben 7300 versch gebakken echtparen het schoollokaal verlaten, veel meer dan heel de bevo'king van het stadje. De stormloop van trouwlustigen, d'e dank zij het lok^alspoort.ie den we» door de romantische bosf-hen vinden naar Wellsburg, stijgt voortdurend en de stad zelf groeit ln Amerikaansch tempo. Er z"n reeds drie rroote hotels ontstaan, een i?root aan+il zaken hebben nieuwe w'nke's geonend en v'sk t°Temver de sch^l h"e*t een fu-'eller <*)« u't- 1 i 1 itend trouwringen verkoopt, een zaak geopend. --- Letterkundige Kroniek door C. J. KELK. Arthur v. Schendel: Herinneringen van een dommen jongen. Nijgh en v. Ditmar, Rotterdam, 1934. Antoon Thiry: De Zevenslager. Uitgeg. door de Ned. Boekenclub ,,'t Gildeboek", 's Gravenhage, 1934. Groote schilders vestigen en behouden hun roem meestal door hun groote werken. Wie kent niet „de Nachtwacht" van Rembrandt? En toch zal menig fijn-kenner van kunst U verzekeren, dat dit „groote" werk lang niet het mooiste of diepste van den meester is en dat men hem alleen uit zijn teekeningen volledig leert kennen. Die teekeningen zijn voor het grootste deel geen zelfstandige werken, het zijn voorstudies of onwillekeurige krabbels, haast onbewuste spelingen van het teekenstift. Daardoor hebben zij ook dat vrije en ongedwongene en vaak die stoute vlucht der fantasie. Zij vertoonen allerduidelijkst de kwaliteiten van den schilder en, eventueel, ook zijn zwakheden. Temidden van hun productie van grootere ■werken, schrijven auteurs soms wat korte verhalen. Bij wijze van verpoozing. Het lezend publiek beseft niet altijd wat het beteekent een roman te schrijven, hoeveel moeite eraan vastzit, afgezien van het krachtenvergende der artistieke daad op zich zelf. Louis Couperus, een man die het weten kan, heeft er zich eens in*een borilade aldus over uitgelaten: „Een roman dat is verschrikkelijk! Dat is het teelen van heele families, met grootmama's en overgrootpapa's en kinderen en klein- en achterkleinkinderen, tot ik weet niet in het hoeveelste geslacht. Een roman schrijven dat is alles zijn: Onze-lieve-Heer en mensch te zamen. Dat is zijn: architekt, schilder, dokter, behanger, kleermaker, psycholoog, taalkundige, stylist en nog veel meer: een auteur is alles en iedereen, de auteur van een roman moet alles weten en hebben gezien, al is het maar in zijn verbeelding: hij moet weten hoe een stad gebouwd wordt of een dorp, hoe de winter wijkt voor de lente en de eerste liefde in het hart zijner heldin voor de tweede en derde liefde; hij moet weten hoe een ommelet wordt gebakken en hoe een kind wordt geboren ., want als hij dat alles en nog veel meer niet weet, is hij in staat de dolste fouten te maken op iedere bladzijde, op iederen regel". Al is deze tirade misschien wat overdreven, er is veel van waar. Voor het groote, samengestelde werk zijn zooveel onderdeelen noodig, dia men niet missen kan om een evenwichtig en verantwoord geheel te krijgen, dat de schrijver zich dikwijls in een materie moet inwerken, die hem volkomen vreemd is en dat valt niet altijd gemakkelijk. Het is dus te begrijpen, dat Arthur van Schendel, na zijn met groote regelmaat voortgebrachte boeken als „Het Fregatschip Johanna Maria", „Een Eiland in de Zuidzee", „Jan Compagnie", „De Waterman", nu wel eens behoefte had zijn nimmer verflauwende inspiratie te gebruiken voor een aantal kleurige vertelsels, die niet volledig behoefden te zijn, die alleen datgene bevatten, wat hem op het moment van schrijven aanstond, zonder dat van elk ontbrekend detail diende rekenschap gegeven te worden. Want dit is een ander soort verhalen dan wij vroeger van Van Schendel hebben gekregen, b.v. zijn „Florentijnsche", zijn „Bijbelsche Verhalen". Het zijn bonte, grillige fantasieën, die er uitzien als improvisaties, zonder vooraf gaande bedenkingen opgeschreven naar de luim van het oogenblik. Al lezende kan men zich indenken hoeveel genot het schrijven den auteur zal hebben verschaft. Men treft er ook bekende klanken in aan, alsof hier en daar een sprookjesverteller als Grimm of Andersen om de hoek kijkt. Maar men moet ze niet willen vergelijken met die „echte" sprookjes. Want als men dat doet, lijken ze wel eens wat fletser dan die overgeleverde verhalen. Voor mijn gevoel is een sprookje niet te bedenken door een schrijver. Een sprookje is er altijd geweest: het is een verhaal, dat uit de overlevering is ontstaan en te eeniger tijd neergelegd in een vorm, die zoo min mogelijk afwijkt van de gesproken vorm. Dit ligt ook nog in de benaming opgesloten. De broeders Grimm hebben zich daartoe in hun groote verzameling dan ook beperkt: die sprookjes zijn daardoor de echtste, de trouwhartigste gebleven, die wij in het Westen kennen. Poesjkin heeft voor zijn volk ook vele Russische volksverhalen vastgelegd. En zoo zal men er bij elk volk terugvinden. Deze „Herinneringen van een Dommen Jongen", dit 50-tal verhalen van Arthur van Schendel evenwel zijn duidelijk bedenksels en dit maakt dat ik ze alle toch niet zoo heelemaal kan liefhebben als ik de acht sprookjes liefheb. Het verwondert me, dat ze zich in Amsterdam, in Haarlem en in andere oud-Vaderlandsche steden afspelen, maar mijn contact er mee wordt er niet nauwer door. Zij blijveu mij te zeer op een afstand. Misschien ligt het aan de koele, overwogen stijl, die Van Schendel eigen is, aan zijn gebrek aan hartstocht, de langzaamheid van zijn verteltrant, het meestal wel juiste, maar nooit hevig gekleurde beeld, waarvan hij zich bedient. Wij moeten dit boek beschouwen als een op zich zelf staand verschijnsel en geen verband zoeken met de overgeleverde sproken. Het zijn eenvoudig korte verhalen en zooals met de schetsen van eiken kunstenaar, zien wij er de kwaliteiten en zwakheden van den maker helderder in. Met dit al zijn hieronder verhalen, die ik niet graag ongelezen zou hebben gelaten. Het zijn vooral: „De korporaal", „De onvoorzichtige vrouw", „De Ongeluksvogel", „De Luiaard", „De Weduwe en de klok", „De Markiezin en de Elleman", „De Voorvader", „De Tuinman", „De Vrijster", ,,De Minnares", „De Nietsnut", „De Verkwister", en „De Sloof". „De korporaal" is het humoristisch relaas eener eerzucht. „De Weduwe", naar het mij voorkomt het mooiste verhaal van den bundel, vertelt van de vrouw, die te oud is geworden, evenals „De Vrijster" vertelt van een vrouw, die te lang heeft moeten wachten. In „De Voorvader" wordt de mensch van de toekomst aangeduid op een vermakelijke, maar zeer aannemelijke wijze. De genoemde verhalen stemmen alle op dit eene punt over' een, dat zij n.1. een psychischen inhoud heb ben. De held of heldin krijgt een reëele gedaante voor ons en zijn avonturen boeien ons meer dan die, welke ons in vele der fan tastischer verhalen worden verteld. Zoo dit niet voor het boek pleit, dan toch voor den schrijver: in de luchtige of fantas tische of sprookjesachtige sfeer is wellicht meer te bereiken, als men over andere, vloeij ender strijdmiddelen beschikt. Zoodra een inniger gevoel de woorden bezielt, is Arthur van Schendel, wat elke schrijver voor elk werk opnieuw moet zijn, onvervangbaar en onvergelijkelijk. II. De jongere Vlaamsche letterkunde doet alles om de roem der Vlaamsche vertelkunst uit te wisschen. De nieuwere schrijvers willen niet langer hooren dat men in Vlaanderen zoo „gezapig", zoo „smeuig" vertellen kan. Zij vinden dit etiketje „echt Vlaamsch" hinderlijk, omdat het hen belet in hun groei. Zij voelen terecht, dat men zich niet tevreden mag stellen met het gemakkelijk exploiteeren eener begaafdheid, die ingeboren is. Net zoo min als een zanger zich beperken kan tot het zingen van gemakkelijke liedjes, die hem „liggen" en waarmee zijn stem aardige effecten teweeg brengt. Hij moet studeeren, meer trachten te bereiken, zijn stemmiddelen „verruimen". Dit nu willen ook de jonge Vlaamsche romanciers met hun verteltalent. Zij willen geen Timmermansj es worden, daarom zijn ze zoo fel tegen dien goeden Timmermans gekant, die toch werkelijk menigeen plezier heeft gedaan met zijn boeken en zijn gulle vertelsels. Uit de zelfde school als hij stamt Antoon Thiry. Hij is een nauw verwante ziel. Of men kan van school eigenlijk niet spreken. Deze soort schrijvers behoeft zich geen geweld aan te doen om al gauw iets aardigs te verwezenlijken, waarvoor haast altijd gretige lezers te vinden zijn. Dit boek „De Zevenslager" is ook alweer „smeuig" en .gezapig" verteld. Zeker, het zijn niet allemaal goedige bollebuizen, de menschen, die er in voorkomen. De hoofdpersoon Flipje is zelfs een venijnig ventje. Maar toch, de details van de stijl, de naieve compositie, de lust in tafereelen ook, al deze elementen stempelen het tot een boek, dat liever twintig jaar geleden moest geschreven zijn dan nu. Wel is er een poging om wat dieper in de ziel te geraken, maar het blijft bij een poging. De aanwezigheid is wel eens wat geforceerd. Als men de hooggeroemde vertelkunst er eens uit elimineerde, wat bleef er over van dit boek? Eigenlijk niets. Er wordt een kind geboren bij den notarisklerk Van Millen, een bizonder kind schijnt het. Op school merkt het op, hoe verscheiden arm en rijk door de meesters behandeld wordt. Door haat ontstaat sarcasme en energie. Flip wordt een schilder en het zal hem juist goed gaan, als de oorlog uitbreekt. Na eenig avontuur belandt hij in de Congo en keert „schatrijk" naar huis. Daar vindt hij een lief meisje en trouwt. Op het toppunt van geluk, als hij juist een prachtige uitvinding heeft gedaan, blijkt die onuitvoerbaar. Hij snelt naar de Congo terug. Ideaal: geldverdienen om over 5 jaar te rentenieren. Vrouwtje blijft met kindje achter. Na 6 weken komt echter zijn doodsbericht. Wij nemen het koeltjes op, dezen gang van zaken. En vragen ons af, waarom wij dit boek hebben gelezen. Toch alleen, als het ergens goed voor was, om nog een paar aardige teekeningetjes te hebben gezien van een kleine Vlaamsche stad met straatjes en huisjes en torentjes met haantjes. Alles met verkleinings-uitgangen. Een zevenklappertje, dat weinig leven maken zal. --- Sinterklaas Kapoentje Sinterklaas Kapoentje Rijd wat in mijn schoentje Rijd wat in mijn laarsje . ---