Eenig middel. — Zeg, jongen, is je moeder zoo ziek, dat ze den geheelen dag op bed ligt ? — Neen, ziek is ze niet; maar ze blijft maar op het bed liggen, dat vader het niet in den lommerd brengen kan. --- Welwillend. Chef (op het diner, dat hij aan zijn ondergeschikten geeft): Tast maar flink toe, heeren; doet alsof het de dertigste van de maand was. --- Een kenner. Een parvenu laat zijn schilderijenverzameling zien, aan een vriend. — En allemaal echt, hoor ! niets geen fabriekswerk ; alles uit de hand gewerkt. --- Militaire opvoeding. Sergeant (tot rekruten): Kerels, jelui weet niet, hoe goed je het hier hebt! Als burgers ben jelui gekomen, en als menschen verlaat jelui den dienst. --- Heel natuurlijk. Heer: Wat, voor zoo'n klein eindje rijden durf je een gulden vragen ? Koetsier: Kan ik het helpen, dat het niet verder is ? --- Wenk. Gastvrouw: Hé, meneer, geeuwt u? Verveelt u zich ? Gast: Pardon mevrouw, volstrekt niet. U weet dat men ook geeuwt, als men honger heeft. ---