"CORONA-PHON" IWfliiDflililGlIUIlillillGIlll DE 99 CORONA-PHON" ïü Zonder Antenne slechts 5 lampen Het Radio-Toestel voor U Zuivere weergave stofdicht meubel lie Toonzaal in ons Fabrieksgebouw is voor Demonstraties open van 11 v.m. tot 9 uur n.m. 838—50 Telefoon 32584 iraml. 3, 12, 14 N .v. "IDZERDA-RADIO" | ——— " 11 1 ■ 1 I ■■ ■ ■ » ■!»■ I ^ j , Beukstraat 10 bij Valkenb.plein Bil --- EERSTE BLAD. HINDER. In een goed geordende samenleving dient ervoor te worden gewaakt, dat niet alleen de gezondheid en de veiligheid der burgers verzekerd is, maar tevens,'dat hun zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan». Deze laatste eisch klemt vooral daar, waar een uitgebreide bevolking dicht op elkander woont, met name dus in de groote steden. Het is de taak van de overheid door gepaste maatregelen den overlast, dien de burgers kunnen ondervinden, tot den kleinst mogelijken omvang te beperken. Die overlast kan van zeer verschillenden aard zijn; maar de meest voorkomende vormen, waartegen maatregelen plegen te worden genomen, zijn wel de overlast van ongedierte, van stank, van stof en van hinderlijke geluiden. Zoowel de algemeene als de plaatselijke wetgever heeft zich sinds jaar en dag deze aangelegenheid aangetrokken. De Hinderwet, die van 1875 dateert, regelt het toezicht bij het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en geeft bij de uitvoering dier wet aan het Gemeentebestuur een belangrijke taak, terwijl bovendien artikel 4 bepaalt dat de Gemeenteraad bij plaatselijke verordening 1°. wijken, buurten of strateu kan aanwijzen, waar een of meer uitdrukkelijk genoemde inrichtingen, in artikel 2 dier wet genoemd (dat zijn de inrichtingen, die voigens de wet gevaar, schade of hinder kunnen opleveren) zonder voorafgaande vergunning kunnen warden opgericht; 2°. in liet belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid een bepaalde plaats of gedeelte der Gemeente kan aanwijzen voor het oprichten, hebben of gebruiken van een der in artikel 2 genoemde inrichtingen, met verbod om elders in de gemeente het bedrijf of de bedrijven uit te oefenen, waartoe oprichting of het gebruik van die inrichting vereischt wordt; 3°. in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid kan verbieden een slachterij, vilderij, penserij, drogerij, rookerij of zouterij van dierlijke stoffen of een inrichting, bestemd tot bewaring of verwerking van bloed of dierlijken afval op te richten, te hebben of te gebruiken, indien in de gemeente een inrichting aanwezig is, waarin belanghebbenden onder eveneens bij verordening vastgestelde voorwaarden het bedrijf kunnen uitoefenen, waartoe een inrichting wordt vereischt als bij de verordening verboden. Het zal den meesten onzer lezers vermoedelijk wel bekend zijn, dat hier ter stede gebruik is gemaakt van de in dit artikel aan den Gemeenteraad verleende bevoegdheid. Eerst is hier een abattoir-verordening tot stand gekomen, waardoor het slachten van vee en het uitoefenen van eenige andere der bedrijven, hierboven onder 3 genoemd, buiten het terrein van het Gemeentelijk Abattoir is verboden. En enkele jaren geleden is een tweede verordening uitgevaardigd, waarbij bepaalde wijken zijn aangewezen, waarin geen hinderlijke inrichtingen mogen worden opgericht, andere, waarin zulks slechts bij uitzondering mag geschieden en weer andere, die juist bestemd zijn om zulke inrichtingen te herbergen. Maar naast deze verordeningen, rechtstreeks steunende op de Hinderwet, worden in letterlijk iedere gemeente — en vooral, gelijk wij opmerken in de groot© steden — tal van maatregelen getroffen tegen hinder, welke aan de werking der Hinderwet ontsnapt. In onze polftie-verordening treffen we verscheidene van die bepalingen aan, o.a. betreffende het vervoer van hinderlijke stoffen, betreffende poelierderijen, betreffende hinder door geluiden van onderscheiden aard. Bovendien valt de bestrijding van ongedierte door ontsmetting van woningen en van ratten door verschillende verdelgingsmiddelen, welke vooral den laatsten tijd ook hier ter stede met kracht ter hand genomen is, niet alleen onder de maatregelen in het belang der volksgezondheid, maar tevens onder die, welke strekken om hinder te keer te gaan. Inderdaad valt tusschen beide geen scherpe grenslijn te trekken. De z.g. vliegaschplaag, waarover zooveel te doen geweest is en die den laatsten tijd, zooal niet geheel verdwenen, dan toch tot een minimum is teruggebracht, dank zij de in de schoorsteenen der vuilverbranding aangebrachte technische verbeteringen, veroorzaakte niet alleen grooten hinder, maar leverde tevens gevaar op voor de. oogen, die ernstig verwond konden raken door de scherpe deeltjes, waarmede de lucht door die vliegasch bezwangerd werd. Hinderlijke geluiden kunnen zeer nadeelig werken op het zenuwgestel van gevoelige personen en den toestand van zieken verergeren of hun herstel bemoeilijken, mede doordat het inslapen daardoor wordt bemoeilijkt en de slaap zelf daardoor dikwijls onderbroken wordt, hetgeen zelfs voor gezonden nadeel kan opleveren. Dat het inademen van stof gevaarlijk is voor de longen is van algemeene bekendheid. Wat ten slotte stank betreft, deze is over het algemeen wel niet onmiddellijk schadelijk voor de gezondheid, maar werkt alweder zeer deprimeerend op velen, die daaraan voortdurend zijn blootgesteld. Men spreekt dan ook terecht vaak van ,,ondragelijken" of „ónhoudbaren'' stank, Indirect kan de gezondheid er ook door benadeeld worden, wanneer de lange duur van dezen hinder de bewoners noopt de ra* men van hun vaak niet te ruime kamers dagenlang gesloten te houden. Er is derhalve inderdaad alle aanleiding om dezen hinder niet minder krachtig tegen te gaan. *** Wordt nu hier ter stede op het gebied van de bestrijding van hinder genoeg gedaan? Het antwoord op die vraag is minder eenvoudig dan het oppervlakkig schijnt. Er is immeis in het begrip „hinder" een sterk subjectief element. Hoe fijner besnaard iémand is, des te meer last van hinder zal'hij hebben. Hij zal reeds overlast ondervinden van iets, wat een ander zonder eenig bezwaar kan verdragen; hij zal protesteeren tegen hinder, die door minder fijn bewerktuigde naturen ternauwernood wordt opgemerkt. Aan den anderen kant echter is er zeer reëele hinder, die intusschen zeer bezwaarlijk kan worden weggenomen, tenzij men zich daartoe grootë geldelijke offers getroost. En dan is het de vraag: is de we?nemin