EEN NEDERLANDSCHE ONTDEKKER OP NIEUW-GUINEA VERMOORD De tragische dood van commandeur Gerrit Thomasz. Pool 1636-Juni-1936 De eerste ontdekkingstocht naar het „Zuidland" onder G.G- van Diemen 1636-'45 Nu de kolonisatie, karteering en wetenschappelijke exploitatie van het Nederlandsche deel van Nieuw-Guinea sinds de laatste jaren in het brandpunt der belangstelling etaan, verdient het aanbeveling eens even den tragisahen dood van een dier voortrekkers op dat eiland in herinnering te brengen, die daar thans drie eeuwen geleden viel als slachtoffer van zijn plioht: het ontdekken van nieuw land, het leeren kennen der volken, welke hij daar ontmoette of opzocht en het in kaart brengen der baaien, kusten en eilanden, die hij op zijn tooht naar het onbekende „Zuidland" binnenzeilde. In Pool's dagen meende men nog, dat Nieuw-Guinea en dat onbekende vijfde werelddeel één geheel uitmaakten en dat de kustlijn van genoemd eiland doorliep in die van Australië. Men bedenke, dat de tochten van Abel Jansz. Tasman ter verkenning en ontdekking van dit werelddeel, toen nog moesten plaats vinden en dat ook het eiland Nieuw-Guinea nog slechts voor enkele kustgedeelten bekend was. iSedert Wiohmann zijn grootsohe werk „Entdeckungsgeschichte von New-Guinea" (I, 1909, II, 1912) heeft doen verschijnen, is er over die ontsluiting van dit eiland ten onzent en in het buitenland reeds heel wat aanvullend materiaal gepubliceerd. Men neme slechts een kijkje in prof. Heeres' voortreffelijke werken op dit gebied, in de kloeke deelen ontdekkingsreizen, welke door de Linsohotenyereeniging werden uitgegeven door deskundigen van den eersten rang en de weetlust zal stellig bevredigd worden. Wat daarin de ontdekkingsgeschiedenis van Nieuw-Guinea betreft, wij kunnen er wegens de uitgebreidheid der stof hier geen exposé van geven en slechts aan de volgende hoofdfeiten ter inleiding van ons verhaal over den moord, aan Gerrit Pool gepleegd, zij hier even met enkele woorden herinnerd. In de 16de eeuw kwamen de Portugeezen van het Westen en de Spanjaarden uit het Oosten (Mexico), om op de kusten van NieuwGuinea hun nationale vlaggen te planten. 20 Juli 1545 nam de zeevaarder Ortiz de Retes het gebied in bezit voor zijn vorst, den Spaanschen koning en noemde het „nueva Guinea Mercator gaf het een kwart eeuw later een plaats op zijn wereldkaart (1569) onder den naam van Nova Guinea en sedert bleef het dien naam behouden (vernederlandsoht tot Nieuw-Guinea). Ortiz daoht bij deze naamgeving aan een ander Guinea, wijl de gekroesde en donkergekleurde Papoea's aan de zwarte Westafrikaners deden denken, toen in het oudere Guinea of Ethiopië der Portugeezen, volgens de Portugeezen zich uitstrekkende van de Senegal tot Kaap de Goede Hoop. Wijlen L'Honoré Naber heeft in het Tijdschrift van 't Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap (jrg. 1915, blz. 527) wel voorgesteld om op logische gronden de spelling Nieuw-Guinea op te offeren voor NieuwGuinêe, dooh dit voorbeeld heeft niet algemeen navolging gevonden en dus houden wij ons hier verder aan de officieele benaming. Behalve dat de Spanjaarden het eiland voorzagen van een naam, hebben zij ook het eerst geconstateerd, dat het een eiland was (1606), hoewel ook hun kennis er van zeer gering was en bleef. Na hen kwamen in de 17de eeuw de Nederlanders, „om het land der Papoea's te bezien en te ontdekken", dooh veel verder dan de kustgebieden kwamen ook zij niet. Eerst in de 18de eeuw begonnen op voorbeeld en instigatie der Engelsche ontdekkers de verkenningen in de richting van het binnenland, dooh doordat vele der relazen, rapporten en journalen geheim werden gehouden, bleek het groote publiek onkundig van de vorderingen der kennis betreffende de ontdekte deelen. Eerst na 1764, toen de Engelsohen en Franschen wedijverden, om een duidelijker beeld van deze terra incognita ite krijgen en vooral de volledige kustlijn met aangrenzende eilanden in kaart te brengen, begonnen de Nederlanders vanuit de Molukken met de exploratie van Westelijk NieuwGuinea. In de 19de pn 20ste eeuw is die taak voor een groot deel overgenomen door de Nederlandsche Marine en aan haar werkzaamheid danken we het, dat de kaart van het Nederlandsche gedeelte van dit eiland geleidelijk „volgeteekend" kon worden. In de 17de eeuw was men echter nog zoover niet en had ook andere bedoelingen met de ontdekkingsreizen, hetzij handels voor deelen, „proffitable ende vredige negotie", hetzij „afbreuk van den vijand, vervolgh ende vergrooting des handels, mitsgaders omme nieuwe landen t'ontdecken". Daartoe had Willem Jansz de Zuidwestkust en gedeeltelijk ook de Zuidkust van het eiland omzeild, terwijl in 1614 en '15 Jacques le Maire hetzelfde deed ten aanzien van bijna de geheele Noordkust. Vooral de reis van Jan Carstensz. in 1623 werd van beteekenis, doordat bij die gelegenheid ook aandacht geschonken werd aan het binnenland, waaraan nu nog de naam van de Carstensz.-toppen van ruim 5000 M. in het Sneeuw- en Nassau-gebergte herinneren. Tevens heeft zij veel overeenkomst met de reis van Pool in 1636, zoodat wij ex hier even bij stilstaan. Herman van Speult, een der energiekste residenten, die Ambon ooit heeft gehad, wist het na herhaald aandringen zoover te krijgen, dat er een paar schepen werden uitgerust door de Compagnie, om de reis naar het onbekende Zuidland (N.-Guinea en Australië) te ondernemen, waartoe Jan Carstensz. als commandeur werd aangezocht. In Januari 1623 vertrok hij met de beide jachten „Arnhem" en „Pera" Ambon's reede om via de Kai (Ewab)- en Aroe-eil. verder Oostwaarts te stevenen. Het hooge land, dat eenigen tijd daarna in zicht kwam, werd door de opvarenden voor het eiland Ceram aangezien, doch hun kaart en scheepsj ournaal wijzen uit, dat het de Zuidwestkust van Nieuw-Guinea moet zijn geweest. Men trachtte aldaar te landen, dooh een deel der bemanning, welke dien landingstocht had ondernomen, werd door de inheemsche Papoea's verraderlijk overvallen en vermoord. Na dit drama werden de ankers gelicht en voer men langs de kust verder, totdat de belangrijke waarneming van de Sneeuwbergen werd gedaan op 16 Februari 1623, aldus in het journaal vastgelegd. „De zestiende Februari vertoonde mij overhooch geberchte, dat op vele plaetsen wit met snee bedect lach, wesende certain vrij wat vreemts, als op bergen soo na de linie equinoctialis (evenaar) gelegen snee te hebben". En even merkwaardig of eigenlijk nog merkwaardiger is het feit, dat „die Sneeuwberch", door Carstensz. reeds toen waargenomen, eerst 280 jaren later, in 1903, door de bemanning onzer gouvernementsschepen opnieuw werd ontdekt ! *). ^ In die jaren voeren ook nog de „Leeuwin" (1622), het „Gulden Zeepaard" met schipper Pieter Nuyls (die zijn naam schonk aan het Nuylsland) uit (1627), evenals het Witsland heet naar Gerrit Frederiksz. de Wit die commandeur was van de „Vianen" op de reis naar patria (1628) de kusten van het Zuidland passeerende, doch al deze kleine ondernemingen om „Nieuw Guinea" en het verdere Zuidland" te ontdekken, haalden niet bij de forsche pogingen van den in 1636 aan het bewind gekomen gouverneur-generaal A. van Diemen, waarover hier reeds eerder werd geschreven. Deze gaf namelijk in dat jaar zijn eerste opdracht aan den commandeur van twee flink uitgeruste jachten. „Klein Amsterdam" en „Wezel", Gerrit Thomasz. Pool, die met den koopman Pieter Pietersz. in last kreeg, omeerstde kustvan NieuwGuinea te bezeilen, en te onderzoeken of die werkelijk naar de toenmalige geographische voorstelling met het „Zuidland" (Australië) was verbonden, om dan vervolgens zuidwaarts de kust te houden tot Eendrachtslaind van waar zij verder door Straat Soenda naar Batavia moesten terugkeeren. Deze expeditie mislukte ten deele door den moord, in het begin der reis, gepleegd op den commandeur Pool op de zuidwestkust van Nieuw-Guinea door de inheemsche Papoea's, doch koopman Peter Pietersz., wiens journaal gelukkig bewaard bleef, zette de reis nu alleen voort in overeenstemming met de gegeven instructie. Hij ontdekte op dien verderen tocht een deel der Australische noordkust, waaraan hij reeds den naam van Diemensland gaf en welke ontdekking de spoedig daarop gevolgde van Abel Tasman en de zijnen, alles onder auspiciën van den energieken g.g. van Diemen, op lofwaardige wijze inleidde, Valentijn was de eerste, die den tragischen dood van den vermoorden ontdekker Gerrit Pool aldus beschreef. „Sedert veele jaaren hebben de Bandaneezen niet alleen op deze eilanden (t,w. Zuid-Wester- en Ooster-eil.), maar ook op Nova Guinea gevaren alsmede op de Papoesche eilanden en tot aan het Zuidland of een gedeelte van dien. Dit NovaGuinea is een zeer groot land in zich zeiven en eigenlijk al mede een gedeelte van het Zuidland (!), zooals het zich agter Gilolo (t.w. Halmaheira of Djailolo) en niet verre van 't zelve ombuigt, zijnde van de Aroësche eilanden 18 of 20 mijlen na 't Z. en 83 of 84 mijlen van Banda gelegen. Men zegt dat het wel 200 mijlen verre bevaaren zou zijn, maar wij moeten zeggen, dat men van die Landen als ook van die der Papoeas en van 't Zuidland nog weinig kennis heeft en dierhalven met weinig zekerheid daar van spreken kan (dat blijkt al reeds uit deze geographische beschrijving!) In 't jaar 1636 den 26sten Maart quamen twee jaghten, Amsterdam en Wezel, uit Amboina, met last aan den heer Landvoogt Acoley, in Banda, om aan den bevelhebber Gerard Thomasz. Pool hooft dezer schepen zoodanig bericht wegens het Zuidland te geven, als hij, om een togt voor de E. Maatschappij derwaarts te doen, van nooden had. Nadat men hem daarvan de vereischte opening gegeven en van noodige voorraad voorzien had, vertrok hij den 17den April met deze bodems. Den 30sten Juni quamen die jagten weer hier en gaven te kennen, dat zij den 18en April omtrent op 41 graaden (Z.B.) bij den vlakken hoek gekomen zijnde, daar eenig volk aan land hadden gezet, om 't alleen van nabij te beschouwen". Dat was het voorspel van het drama. Zij, die met eigen oogen zich wilden overtuigen van de gesteldheid des lands en de geaardheid der bevolking, waren blijkbaar te luchthartig op dit punt, onvoldoende gewapend en hadden geein rekening gehouden met den kwaden trouw der inheemschen. Onder hen was jammerlijk genoeg ook het hoofd der expeditie. Ziehier wat Valentijn van zijn droevig lot vertelt. „De bevelhebber Pool, genegen door zijn eigen oogen te zien, ging met zijn boekhouder Andries Schiller, een Neurenberger, zelfs mede, doch zij waren zoo ras niet te land gekomen, of vonden zich van een groote troep wilde Zuidlanders (!) die zich eerst vriendelijk aanstelden, doch hen naderhand vijandig aantasteden, zoodanog omcingelt en bezet-, dat het hen niet mogelijk was dezen dans te ontspringen. De bevelhebber Pool, dit klaarder, dan hem lief was, ziende, meinde het nog te ontloopen doch hij wiert een van Je eerste aangetast en met een gaai zoodanig getroffen, dat hij vooroverstortte. Terwijl hij nederviel, en zijn boekhouder zich nog dapper weerde, riep hij hem toe, dat hij het maar zou zien te ontloopen, alzoo er anders omdat de troep hoe langs hoe meer aangroeide, geen afkomen aan was. Hij dede dit, maar wiert ook onder de voet gestooten. De Zuidlanders, nu ziende, dat zij 't =tuk meester waren, rukten de zabel van Pool uit en kapten dezer twee mannen aan stukken, die zij in 't bosch braghten zonder dab men verder weet wat zij daarmede gedaan hebben, of hoe 't verder met nog twee matroozen, die men miste gegaan is. Alleen wisten zij te zeggen, dat deze Zuidlanders (als Papoea's) zeer zwart van Huid, bijna als de Kaffers van Angelo, doch lang en zwart van hoofdhair, en veel langer en kloe>ker van statuur dan eënig Europeër, en uitgenomen hunne schamelheid, gansch naakt waren. Dat ook een van hen, schijnende een overste te zijn, een ruw-vel van eenig wild dier om den hals geslagen had, en dat zij ten deele met hazegaajen en werppijlen, met scherpe ijzere punten ten deele met pijl en Doog ge wapent waren". Ziedaar, hoe thans, drie eeuwen geleden, een Nederlandsche Nieuw-Guinea-ontdekker met de zijnen om het leven is gekomen. Zij zouden niet de laatsten zijn, want na hen is nog menig verkenner onder de hander der woeste Papoea-stammen een ontijdigen dood gestorven, hetgeen in deze eeuw niemand verwonderen zal, die meer dan oppervlakkig heeft kennis gemaakt met de inhoud van het officieele „Veslag van de militaire exploratie van Nederlandsch Nieuw-Guinea 1907—1915, met medewerking van andere departementen en van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, samengesteld door het departement van Oorlog in Nederlandsch-Indië, met 9 kaarten, 10 schetsen en 166 foto's, Landsdrukkerij, Weltevreden, 1920". De lectuur daarvan doet zeer instructief de moeilijkheden verstaan, die in vroeger eeuwen de ontdekkers van Nieuw-Guinea met heel wat primitiever uitrusting het hoofd moesten bieden. Een eere-saluut daarom aan hen, die onder die moeilijkheden ontijdig sneefden, die ze het hoofd wisten te bieden en die aan de exploratie ondanks zoovele bezwaren succesvol hebben meegewerkt! A. HALLEMA. *) 'Men vergelijke hierover vooral: prof. dr. A. Pulle, Naar het Sneeuwgebergte van NieuwGuinea (1915) en: H. A. Lorentz, Zwarte mensdien — witte bergen (1913). --- VAN DE BOEKENPLANK „Droesem". J. Heuff van Houweninge. W. L. en J. Brusse, Rotterdam. Van Marie Dessel-Poot hebben wij indertijd een roman va-n die speelzaal gelezen, en vergissen wij ons niet dan heeft Rie Cramer zich ook eens aan dat thema gewaagd. Hoe het zij, zij hebben niet een enkele herinnering achtergelaten en dit zal deze roman uit de speelzaal wel doen. Heuff van Houweninge heeft den droesem van de Middellandsche zee geschept, in een vergaarbak verzameld en ons het snobistisch gedoe der speelzalen, de troebele sfeer, het verdorren menschdom in al zijn vulgariteit, het klatergoud en het schijngeluk voorgezet, met' een vaardigheid, wel'ke bewondering kan wekken. De beschrijvingen van dit milieu boeien ons van bepnn tot het einde. Hij kent de trucs en knepen va» het spel en sleurt ons mee, naar den croupier om angstig af te wachten of wij gewonnen of verloren hebben. En wij hebben beide. Gewonnen een roman, die vele 'kwaliteiten vertoont, verloren een illusie van wat ons voorgeschilderd wordt als de blauwe ,,De onverzoenlijken". Rolf Keuler. Em. Querido, Amsterdam. Al maakt de schrijver ons een tikje nieuwsgierig wie zich verschuilen mag achter den naam van Rolf Keuler (volgens liet prospectus moet het een jong veelbelovend en succesvol auteur zijn) toch zullen wij ons door dezen ruk aan de noodrem als de wagen van de oritiek door een voor den schrijver onveilig signaal rijcLt, niet laten schrikken. Wie Kolf Keuler is doet er niet toe. Het is een vlotte, f.isch geschreven roman, een krachtige stijl, smeuig verteld, goed uitgebeeld, maar van een openhartigheid, die zoo nu en dan de pornografie benadert (het avontuur tusschen André de mijnwerker en EUy de ingenieursvrouw). Het is een boek vol schrille tegenstellingen, gezochte tegenstellingen en dik opgelegde tendenzen en daarom stuit dit boek ons tegen de borst. De schrijver heeft zich verschreven in groote eenzijdigheid. Nergens weet hij te ontroeren, steeds blijft hij aan de oppervlakte. Bij het lezen van zijn roman van klassehaat hebben wij steeds moeten denken aan politieke dagbladpolemiek, waarbij de lezers van he tdagblad alleen maar een gekleurde lezing van de feiten, pasklaar en uitgezocht, voorgezet krijgen en slechts geciteerde, uit elk verband gerukte flarden van de andere zijden. En daarom is deze mijnwerkersroman eigenlijk geen roman, maar een strijdschrift zonder dieperen inhoud geworden. Zeker bij den auteur zal er wel een bezieling zijn, doch hij kan deze alleen maar overbrengen, op gelijkgestemde lezers. Anderen zal hij niet weten te overtuigen. Het is slechts enkelen gegeven een tendenz roman te schrijven, welke aan het doel beantwoordt: literatuur te zijn, daardoor een grooten lezerskring te bereiken en zijn meening aan anderen acceptabel te maken. Keuler behoort niet tot die enkelen. Chineesche Gedichten en Eenvoudige Gedichten, Willem de Mérode en Libellen-serie. — Bosch en Keuning, Baarn. Twee uitgaven in de aardige Libellenserie van Bosoh en keuning te Baarn, die overigens niet tot de sterkste behooren. De eenvoudige gedichten zijn voorzien van enkele decoratieve teekeningen van A. Molenaar. Tegen de Ohineesche gedichten voel ik een instinctief bezwaar, dat zeer persoonlijk is en wellicht door een ander niet gevoeld zal worden. Na de sohoone vertalingen, die Hans Betghe, Klabund en anderen ons van Li Tai Pé en zijn landgenooten gaven, treffen deze verzen, in stijl en visie inderdaad aansluitend bij het „genre" als een poging om van uit de Ohineesche gesteldheid aan Ghineesdhe gedachten, Ohineesohen vorm te geven. Inderdaad doen deze verzen Chineesch aan. Maar toch bezitten zij iets geforceerds en onzuivers, eenvoudig omdat de auteur "een Ohineesche, maar een Hollandsche gesteldheid heeft. Dit maakt, dat er iets halfslachtigs en onzuivers in den bundel gekomen is. Veel meer uit eigen sfeer en gesteldheid komen de eenvoudige gedichten, die, al behooren zij niet tot de Mérode's sterkste werk, hem eigen zijn naar motief en inhoud. Meest: Tot verzen geworden bijbelsohe 'verhalen, die echter niet van een grootsche visie en sterke bewogenheid getuigen. Vitellus de wafelverkooper is een der beste gedichten uit het bundeltje. Nunerkes (Schulpkes dei zingen) door Jan Boer. — Libellen-serie. Bosch en Keuning, Baarn. De Groningsche dichter Jan Boer, over wiens humor en fijne dichterschap Jan Fabricius ons in een voorwoord het een en ander vertelt, heeft een bundel Groningsche verzen gepubliceerd. Jan Al tink teekende er zeer talentvolle illustraties bij. „Nunerkes, schulpkes dei zingen; lang nait aale schulpen zingen, allain de hoorntjes, platterkes nait. Nuunhoorntjes . . . wat ze nune, is 'n gedicht, gedichten, gain stoere gedachten; gedachten loat ze over aan dei, dei lustert als kiener heb wie ze vaak aan 't oor hollen, want dou begrepen wie de taol van 't wad. Padi» menschen bennen dei tied vergeten, dei tied, dei toal en 't laand. Dei mouten daorom dizze nunerkes ook laiver lianen loaten", zegt de dichter. Er zijn echter nog veel meer menschen, die „dei tied, dei toal, en 't laand" nooit gekend nebben, die hooren de nunerkes géén Grönninger toale nunen. (Waarom schrijft Jan Boer „liggen loaten" en nait laiver „lig'n loat'n"?). Jan Fabricius schrijft: „Deze gedichtenbundel zal niet door breede scharen Groningers gelezen worden, vrees ik". En door nóg breeder scharen niét-Groningers, vrees ]i „Het land van den d«rst"i Albert Kuyle. — Paul Brand's Uitgeversbedrijf Hilversum. Albert Kuyle heeft veel gereisd en daarvan meermalen in woord en geschrift getuigd. Nog niet z