Tegen persoonlijke dienstplicht. 1) ROTTERDAM, 7 Februari. Dr. Sc.haepmaa heeft gesproken. Aangezi«n men mij van verdachtmaking beschuldigd heeft, wijl ik in uw nommer van 15 Januari gewaarschuwd heb, dat volstrekt niet op den steun van alle Katholieke Kamerleden mocht worden gerekend tegf:n de invoering van den pers. diensplicht, kom ik nu uit het schrijven van dr. Schaepman hot bewijs leveren , dat ik voor myne waarschuwing deugdelijke redenen had. Dat bewijs springt in het oog, zou ik meenen. Zijn geheele brief is er een bewijs voor. Ook het gemis aan kernachtigheid, aan klaarheiden bondigheid, aan dat meesleepende en overweldigende, dat anders zelfs de kleinste zijner pennevruchten altijd kenmerkt. Ook iets spitsvondigs en sophistisch, dat men in hem , altijd zoo krachtig optredend , nooit zou hebben verwacht. Uit een en ander blijkt, dat hij zich bewust was, eene voor de Katholieken zeer onaangename zaak te bepleiten, hun eone bittere teleurstelling te bereiden. Het zal toch wel geen betoog behoeven, dat zijn schrijven geheel er op is ingericht, zijn Kath. medeleden in de Kamer, die gezind en voornemens mochten wezen , voor de invoering van den pers. dienstplicht te stammen , met het oog op de daartegen ontstane beweging een riem onder het hart to steken en bij voorbaat voor hua houding verzachtendo omstandigheden of vergoelijkende redenen te pleiten. De wijze, waarop hij dit doet, mag minstens zeer zonderling heeten. Hij wijst er op, dat de vraag over den pers. dienstplicht twee zijden heeft: eene Katholieke en eene sociale. Maar wie is er, die zulks niet wist? Wie heeft het ontkend of bemanteld? De geachte schrijver erkent, „ dat de invoering van den pers. dienstplicht gelijk staat met eene omwenteling in het volksleven." De vraag is niet onbillijk, of de schrijver teneind» „op vreedzame wijze de vrije medewerking" te krijgen van de Katholieke bevolking, die er thans afkeerig van is, ook het volgende neerschreef : „Voor ieder Katholiek staat het vast, dat de invoering van den persoonlijken dienstplicht gepaard moet gaan met alle vrijstellingen, die de Kerk voor de volle en vrije uitoefening van haar geheelen werkkring noodig acht. Over dezen eisch bestaat bij geen enkel Katholiek twijfel. Alleen wanneer aan dezen «isch ten volle is voldaan, kan de invoering van persoonlijken dienstplicht een vraag wezen, waarop ook de Katholiek met een gerust geweten een toestemmend antwoord mag geven." En hierop vraag ik verder, of de schrijver de beteekenis van het verzet der Katholieken niet miskent of in een verkeerd licht plaatst ? Dat verzet spruit toch voort uit de vrees, dat de afschaffing van de plaatsvervanging met behoud dier vrijstellingen in de toekomst onvermijdelijk leiden zal ook tot afschaffing van die vrijstellingen. Durft de schrijver verzekeren, dat die vrees ongegrond is, in aanmerking nemende niet alleen wat in andere landen, zoowel Katholieke als niet-Katholieke , geschied is , maar ook dat de afschaffing dar plaatsvervanging door zoovelen, door geheele partijen geëischt wordt om allen gelijk voor de wet te maken, om alle voorrechten van stand en kaste te doen verdwijnen ? In het afgetiokkene, in theorie, ja, is de afschaffing van de plaatsvervanging, waarbij de bestaande vrijstellingen behouden blijven, eene opene vraag. Maar de schrijver weet, dat het zedelijkheidsgevoel de Katholieke bevolking ook daarvan afkeerig maakt en haar beweegt, zich tooveel mogelijk aan de gevaren voor de goede ') Ingezonden. zeden, waarmede de persoonlijke dienstplicht nu eenmaal gepaard gaat, te onttrekken. Heeft hij in een onbewaakt oogenblik niet over het hoofd gezien of tenminste hier buiten beschouwing gelaten, dat ook Katholieke beginselen hiermede wel iets uitstaande hebben? Ik gewaagde boven van spitsvondigheid en sophisme. Ik denk daaraan, als ik den heer Schaepman van de beweging onder de Katholieken zie schrijven : „ Maar eene zaak is zeker, men ontneemt aan hun (der Katholieke Kamerleden) verzet tegen persoonleken dienstplicht de kracht van het vrijwillige." De geachte schrijver zou gelijk hebben, indien er tegenover die leden geen grond tot wantrouwen had bestaan. Ik geloof va9t, dat geheel die beweging achterwege zou zijn gebleven, en dat al de Ka holieken met volkomen gerustheid de voorstellen der regeering zouden hebben afgewacht, indien zij slechts hadden gerekend en kunnen rekenen op dr. Schaepman» hulp en steun tegen de afschaffing van de remplaceei ing. Dat dit laatste niet het geval is geweest, is grootandeels te danken aan enkele couranten, die algemeen geacht worden , naar zijn verlangen zich te regelen, en te lang over deze quaestie gezwegen hebben evenals hij zelf, terwijl eene zelfs zich voor die afschaffing verklaarde. De schrijver weet ook wel, dat de meeningen en uitlatingen van Kamerleden over ingrijpende vraagstukken als dit, in de kringen hunner geestverwanten niet onbekend blijven. In zulke omstandigheden, waarin het stilzwijgen van den leider alleen wel afdoende was, Gods water maar over Gods akker te laten loopen, ware al te gek geweest, zou ik meenen, en ik geloot, dat dr. Schaepman dit ook wel beamen zou, indien hij de gezindheid der Katholieke bevolking opzichtens den persoonlijken dienstplicht meer deelde. Ten slotte merk ik op, dat dr. Schaepman geen nieuwe gezichtspunten heeft geopend en slechts in herhaling is getreden van hetgeen de met hem meer bevriende bladen op dit stuk ten beste hebben gegeven. En het zal ook wel niet aanmatigend zyn, hierbij spijt te kennen te geven, dat zijn schrijven zulk een zwakken grond geeft voor de verwachting, dat ten minste hij in de beslissende ure aan de zijde der tegenstanders zal staan. Een oudgediende. --- FEUILLETON. FLEURANGE, naar Mevr. A. CRAVEN. [30] Dientengevolge was, toen de familie zich des avonds bijeen in de groote benedenkamer bevond, aller voorhoofd betrokken; de jonge en blijde gezichten staarden somber, en eene zelfde droefheid drukte allen ter neder. Het was misschien zoo te beter voor Fleurange, wier medelijdend hart zich thans zelf vergat om de gemeenschappelijke bezorgdheid te deelen. O, hoe dierbaar was deze sympathie van het meisje aas dengene, die den geheelen avond in stille vreugd geen oog van haar kon afwenden, wier stem weder alles in hare nabijheid scheen te veranderen. Want hoe treurig de avond was voor eenieder, hij was het niet voor Clemens. Zelfs zijne ongerustheid over zijn vader moest wijken voor de hoop , die thans alle ander gevoel in hem verdrong. Hij daeht niet meer, hij hoopte. Alles zag hij welgemoed in. Met welk een zachten en vertrouwelijken blik had zij hem de hand gedrukt! Met welk een gevoel had zij hem gezegd: „Clemens, mijn vriend, o wat ben ik blij, u weer te zien!" Was dan de toekomst zoo somber, als hij voorheen geloofd bad? Geldelijke zorgen kwamen niet meer bij hem in overweging; hij was overtuigd, dat hij nu de toekomst het hoofd kon bieden. Hij had zieh daartoe voorheen niet in staa geacht, maar hij had zich vergist. Had hij ziC uo vergist, toen hij meende, dat hij nooit iemand zou kunnen behagen? Slechts het kloppen van zyn ha was daarop het antwoord. Onderwijl waren Fleurange en hare nichten naar boven gegaan. Weldra bemerkte hij, dat zij met haar drieën zacht stonden te praten op het houten balkon, dat langs de geheele breedte van het huis liep. Daarna gingen zij naar binnen, maar nog lang bleef het lieht door de gordijnen schijnen, en Clemens ging niet heen, voor het was gedoofd. Toen Fleurange langzamerhand de gewoonten van het familie-leven had hernomen, dat steeds de verwezenlijking van al hare droomen was geweest, begreep zij eerst ten volle de verandering, die over haar was gekomen sedert den tijd, dat zij van hare vrienden was gescheiden. Zij was dezelfde niet meer; geene begoochelingen konden het haar verheelen: haar hart, hare gedachten, hare verlangens en verwachtingen waren elders. Te Florence had de strijd haren moed aangewakkerd, en de vrede van Santa Maria had haar versterkt. Maar thans was de strijd geëindigd; zij moest opnieuw goedsmoeds het leven nemen, zooals het was, met zijne nieuwe plichten en lasten. Nooit had Fleurange grooter moeielijkheid en afkeer moeten overwinnen. Na den langen dwang, waarin zij geleefd had, had zij thans alle veinzerij willen afschudden en zich rustig overgeven aan eene werkelooze droefheid, weenen wanneer haar hart tot kroppens toe vol was, en de moeite niet nemen om haar verdriet te verbergen. Daartoe helde hare natuur over, en zij had groote moeite om er niet aan toe te geven. Zij verzette zieh daartegen echter met moed. Wie haar reeds des morgens in de weer zag, om hare tante de moeielijkheden van het huishouden te besparen; wie haar Frida langzamerhand de geheimen der huishouding zag leeren en de onbeholpen keukenmeid bijstaan; wie haar in den ochtendstond reeds zag terugkeeren van het verrichten harer boodschappen: die zou niet aan haar frissehe gelaatstint, aan haar jeugdig en schoon gelaat zeggen, dat zij meermalen hare nachten slapeloos doorbracht, dat zij gedurende het bijwonen der vroegmis vaak heete tranen schreide. Andere zorgen, nog meer geschikt om haar geheel bezig te houden, wareil gedurende den dag hare taak. De bijzondere takt, dien zij bezat, om met zieken om te gaan, en de weldadige invloed, dien zij op hen uitoefende, traden opnieuw in het licht aan de sponde haars ooms, en mevrouw Domthal zegende hare terugkomst, toen zij alras een duidelijken vooruitgang bemerkte in zijn langzaam en smartelijk herstel, die weer deed hopen op een geleidelijken terugkeer der vermogens van haar echtgenoot. Deze zorgen waren zoet voor het jonge meisje en niet minder die, welke zij besteedde aan hare oude lieve vriendin, mejuffrouw Josephine. Josephine Leblanc had nooit eene andere liefde gehad dan die voor haren broeder. Zij had uitsluitend voor hem geleefd en er nooit aan gedacht, dat zij hem zou kunnen overleven. Hoe eenzaam had zij zich niet gevoeld, toen hij van haar gescheiden was, j en nog thans was haar verdriet niet henen. Zij wist het te beheerschen, maar de stomme smart, die op haar wezen lag gegrift, terwijl zij kwam en ging in het huis, zonder iemand met haar leed lastig te vallen , deed eenieder aan. Zij vroeg slechts te mogen blijven, waar zij was, om niet alleen te moeten leven op de plaats, waar zij baar broeder steeds aan hare zijde had gehad. Reeds den eersten dag had mevrouw Domthal haar hiertoe uitgenoodigd. Fleurange's terugkomst deed haar met te meer graagte dit aanbod aannemen; overigens had haar broeder haar een ruim vermogen nagelaten, en waren al hare verwanten in goeden doen, zoodat zij geen reden had om haar besluit te betreuren, al wilde het veel zeggen eene gedurende veertig jaren gevolgde levenswijze te laten varen. In weerwil van het huwelijk harer beide nichten was voor Fleurange bijna niets veranderd. Clara en Julian waren in de nabuurschap gevestigd, waar de werkzaamheden van den laatste hem voor een jaar terughielden, en kwamen dagelijks naar Rosenhain. Hansfeit dacht er niet aan, zijn vriend te verlaten, en aan Hilda's geluk ontbrak niets meer, wanneer zij tusschen haar echtgenoot en haar vader stond, wiens genezing thans verzekerd scheen. Alleen Clemens maakte niet meer evenals vroeger geregeld deel uit van den familie-kring. Hij verscheen slechts des Zaterdagsavonds, om des Maandagsmorgens vroeg weder naar Frankfort terug te keeren. Zijne bezigheden aldaar hadden niet de minste aantrekkelijkheid voor hem; integendeel, alle lust en hart ervoor ontbrak hem , doch de overtuiging dat hij daardoor het best de belangen der zijnen diende, deed ze hem elke week weder met stalen volharding ter hand nemen. Dat belette echter niet, dat hij zich vaak ontmoedigd gevoelde en slechts rust vond in het nederig huis, waarin hij zijn intrek had genomen. Wilhelm Müller koesterde niet alleen vriendschap maar ook een zekere bewondering voor Clemens; des avonds maakte hij met hem muziek, teneinde zijn vriend afleiding te bezorgen van de werkzaam ie en, waarover hij, Müller, nog wel den ganseheri avond had vrouwelijk gevoel den^ ving^ P ^ verstrooüng leggen had ee baddeD de re ; 3j die groote gevonden. i e ven en de ontmoeting met de SE: hM f ijd T ederkec " rend verhaal, dat Clemens nooit moede werd te aanhooren, en waarbij Bertha hare opmerkingen voegde, was het begin geweest eener vertrouwelijkheid, die hem meer verlichtte dan hij zelf wist. Dat was het eenige lichtpunt van zijn vermoeiend leven, en meer dan ooit zou hij het noodig hebben, toen zijn verlof, dat hij bij de ziekte zijns vaders had gekregen, en dat van dag tot dag verlengd was, een eind nam , en hij het oogenblik zag naderen, waarop hij met waren heldenmoed zijn keten moest gaan torsen. Het was op den vooravond van zijn vertrek. Fleurange en Hilda waren bij het vallen van den avond op eene bank aan de rivier gezeten en keuvelden samen. Clemens stond tegenover haar tegen een boom geleund; hij luisterde naar alles wat gezegd werd, maar nam gee» deel aan het gesprek en volgde met den blik de golfjes, die aan zijne voeten wegkabbelden. Dit gesprek liep over hetgeen sedert de scheiding van Fleurange en hare nicht geschied was. Weldra begon Hilda haar te ondervragen over hare reis, over Italië, over hare levenswijze te Florence. ïleurange antwoordde slechts kort, zooals men steeds doet, wanneer het gesprek een punt nadert, waarover men liever zwijgt. Zij voorzag, dat het haar niet zou helpen en trachtte tevergeefs hare verwarring te overmeesteren, toen haar nicht den naam van graaf George uitsprak. Na eenige vragen, waarop zij een eenlettergrepig antwoord bekwam, vervolgde Hilda: „Graaf George!... Een vriend van Karl, die hem ontmoet heeft, zeide, dat men niet met hem in kennis kon komen, zonder hem lief te krijgen. Wat dunkt u er van, nu ge hem kent?" De vraag was vlakaf gesteld, en Fleurange kon met liegen. Zij bloosde en zweeg; zij zweeg zoolang, dat Clemens plotseling het hoofd omkeerde en haar aanzag. --- BUITENLAND. Politiek Overzicht. "Wanneer wij het liberalisme in België vergelijken met dat in Nederland, dan moeten wij erkennen, dat de Hollandsche liberalen heel wat meer de betamelijkheid en het fatsoen in het oog houden dan de gueux , waarmede het land onzer zuidelyke naburen gezegend is. Kan iemand bijv. zich hier in Holland verbeelden , dat, indien er een spoorwegongeluk plaats had, het ministerie daarvan in de Kamer zou worden beschuldigd? In België is dit gebeurd. Overal wordt door de liberalen de politiek met de haren erby gesleept. Nadat de Brusselsche pers tegen den minister van spoorwegen en posterijen, den heer Vaa den Peereboom, was uitgevaren, omdat aan zijne zuinigheid, aan de zorgeloosheid zijner administratie, zoo het heette, het ongeluk van Groenendael te wijten was, zijn de liberale Kamerleden met deze zelfde aanmerkingen komen aandragen. De heer Hanssen was de woordvoerder, hetgeen hem slecht bekwam. De minister-president heeft zijn collega van de delicate taak om een pleit pro domo te houden , ontheven en zelf den afgevaardigde de les gelezen. Hij bewees met de statistieken in de hand, dat in België de spoorwegongelukken minder talrijk zijn dan in andere landen, zoodat dat van Groenendael niet aan overdreven bezuiniging kan geweten worden. Iedereen heeft zijn plicht gedaan, zoowel de minister als de geringste beambte ter administratie. De heer Beernaert noemde de beweringen der Brusselsche pers, dat de boeren van Hoeylaert lijken en verminkten van de voorwerpen van waarde, die zij droegen , hadden beroofd , lage lastertaal. Heden echter komt de Independance verscheidene namen noemen van personen , die tijdens de ramp beroofd zyn geworden. Dat is een stout stuk na de krasse verzekering van den minister. Deze maakt voorzeker geene uitzondering op den regel Errare humanum est, maar het kan ons niet kwalijk genomen worden , dat wij , die de Independance en consorten kennen , voorloopig geen geloof aan hare hardnekkige verzekering gelieven te hechten. Te dezer zake komen ons van zalf de woorden te binnen , die de abbé Aug. Onclair in zyn praohtig werk Be la Révolution heeft neergeschreven : „ Het liberalisme, men moet het bekennen, is met een verwonderlijk vruchtbare verbeeldingskracht begaafd. Het vindt verhalen uit, stelt beginselen , hoopt leugens op met een gemak , dat aan het wonderbare grenst. Ovidius en Ariosto, indien zij nog leefden, zouden zich overtroffen gevoelen. De waarheid baart het geen zorg; om het waarschijnlijke bekommert het zich niet; het natuurlijk gezond vers and zelfs is voor het liberalisme eene belachelijke hindernis." In de verre landen van Zu d-Amerika is tusschen twee Staten een hoogloopende twist uitgebarsten. Paraguay en Bolivia hebben het onderling te kwaad gekregen over een grondgebied , dat aan den westelijken oever der Rio Paraguay is gelegen , nl. het district Bahia Negra. Voorheen werd dit terrein door Bolivia ter eere van zijn vroegeren president met den naam Puerta Paoheco begiftigd. Later heeft Paraguay, in schijn ten onrechte, dat district bezet, verwijderde het Boliviaansche wapenschild van het tolgebouw en nam de daaraan verbonden ambtenaren in hechtenis. Tengevolge dezer gebeurtenissen eischte de Boliviaansche zaakgelastigde bij de regeering van Paraguay in October van het vorig jaar zijn paspoort. De diplomatieke onderhandelingen werden echter tot in den loop dor maand November voortgezet. Men was toen nog niets verder gekomen; elke der partyen bleef even stijf op haar stuk staan. Daarop werd de diplomatische gemeenschap afgebroken; de vijandelijke verstandhouding tusschen beide gouvernementen werd steeds erger, en de toestand is thans van dien aard, dat Brazilië aan de grens van Matto Grosso in allerijl troepen heeft samengetrokken, welker bevelhebber de opdracht heeft, ingeval van een gewapend conflict tusschen de beide republieken tusschenbeiden te treden. Voor zoover de berichten reiken, heeft nog geen botsing tusschen de respectieve troepen plaats gehad. De Italiaansche bladen vestigen thans de aandacht op een schrijven, dat de heer Crispi, voormaals lid van het comité van opstand te Palermo, zooals hy zich ook teekende , naar aanleiding eener polemiek in Daily News over den aan Italië te geven regeeringsvorm, wanneer de eenheid zou zijn totstandgebracht, aan dit blad richtte. Uit dien brief leert men eens te meer kennen, met welke bedoelingen Crispi is bezield ten opzichte van het koningschap, waarvan hij thans do dienaar is. „ Was bezield," zou misschien gezegd kunnen worden, wanneer in Crispi door zijn hoog en graad in de Loge de haat tegen het koningschap niet noodzakelijkerwijze moest onderhouden zyn. Wij laten hier eenige zinsneden uit zijn schry ven, dat van 1853 dagteekent , volgeD. Na als republikein te zijn opgekomen tegen eene in bovengenoemd blad gegeven voorstelling , schreef hij: „Wij hebben in 1848 en 1849 genoeg gekregen van de monarchie van Savoye en hare voorgewende plannen, die onze nationale zaak in het verderf hebben gestort. Italië kan en mag zijn heil van niemand verwachten dan van zijne zonen. Het uur zijner emancipatie zal, naar ik hoop, weldra slaan; maar Italië's toekomst zal niet afhangen van den degen eens vorsten.... „ De radicale partij " — in den aanhef verklaart de schrijver „ de eer te hebben daartoe te behooren" — „verlangt een vereenigd, onafhankelijk en onverdeeld Italië, dat geen ornament mag worden voor gekroonde hoofden." Koning Humbert verkeert waarschijnlijk in den waan, dat hy een politiek bekeerling tot eersten minister heeft. Jtatte. (Particuliere correspondentie). Men schrijft ons uit Rome dd. 2 Febr.: De moorden en zelfmoorden zijn in Rome dagelyksche gebeurtenissen. Er gaat geen dag voorbij, zonder dat er in deze stad een of andere bloedige misdaad wordt begaan. Dezer dagen heeft zich o. a. een jongmensch uit den hoogeren stand, en nauwelijks 21 jaren oud, het leven ontnomen en wel onder omstandigheden , die hoogst dramatisch maar niet minder droevig zijn. Rome is opgevuld met café-chantants van eiken aard; de zoogenaamde kellnerinnen vervangen in vele koffiehuizen de witgedaste jannen. Op zich zelve zou dit geen kwaad zijn, ware het niet, dat deze kellnerinnetjes het vak van bieren koffieschenkerij slechts uitoefenen als middel om tot zondige handelingen over te gaan. Het bedoeld jongmensch, verliefd tot over de ooren op een dezer sirenen, heeft zich, om aan zijne schuldeischers te ontsnappen, met een tafelmes eigenhandig den dood toegebracht! Romantisch maar vreeselijk! Dit feit gabeurde juist op den dag, dat men het feest vierde van de Heilige Agnes, de maagd, die op 13jaiigen leeftijd den marteldood onderging. Welk verschil van zeden, van opvatting heeft het Christendom, vergeleken met het meer en meer ons overweldigende heidendom ! Maar hoe wreekt zich de Voorzienigheid, zelfs uit een wereldsch oogpunt, over deze misdadige richting! Wie zal den zelfmoordenaar van gisteren nog herdenken , zelfs morgen ? Zijne sirene heeft hem nu reeds vergeten. Maar de Kerk viert nog steeds het feest van de Heilige Agnes, en in de kerk buiten de Porta Pia worden nog jaarlijks de lammeren gezegend , waarvan de wol dienen moet voor het Pallium, dat door den Paus aan de aartsbisschoppen wordt uitgereikt. De fiuantiëele toestanden blijven maar allertreurigst. Een paar dagen geleden is een bankier van Turijn, zekere Mattea Vindrola, weggeloopen , een deficit nalatende van ongeveer 4 m'llioen, weggetroggeld uit de kas van zijn associé Nicola Brianco, een man van 75 jaren, die ieders vertrouwen geroot en voornemens is zijn laatsten penniog op te offeren om de schulden van zijn vennoot te betalen. Te Rome is een andor jongmensch weggeloopen , met name Gentili. Deze laat echter slechts een deficit na van 300.000 lires. Beide heeren zijn de slachtoffers van het beursspel. Helaas! wat men doet of niet, of men de roulettes afschaft of niet, de speelwoede schijnt maar niet te willen sterven ; altijd die zucht om rijk te worden zonder arbeid! Dat ging in het Paradys, maar nu helaas! blijft men vaak arm, zelfs al werkende. De vrede-lawaaimakers gaan voort hunne jacobijnsche meetings overal te organiseeren. Alles klinkt van vrede en alliantie der vrije volkeren. De kreten „leve de vrede! leve Frankrijk! leve Italië!" worden alom herhaald. Op zichzelven zouden deze kreten niets te beteekenen hebben , ware het niet, dat zij steeds gepaard gaan met het zingen der Marseillaist en met hst uitbrengen van wenschen, die al te sterk aan de Jacobijnen van Parijs herinneren. Een zekere Magliano verklaarde klaar en duidelijk, dat in deze eeuw de strijd tusschen de democratie en de regeereade machten absoluut gelijk is aan den strijd, gevoerd in 1789 tusschen de Fransche omwenteling en de reactie. Het getal 1789 is ondeelbaar en het getal 1889 eveneens. Het zijn „eenheidsgetallen!" en de cabalisten beweren, dat deze altijd iets vreeselijks aanduiden. Ik vrees, dat zij ditmaal gelijk zullen krijgen. De slechte leerstellingen dringen meer en meer in Italië door. Een zekere Guiseppe Raimoldi heeft een boek geschreven, getiteld: Economia Umana. Deze heer tracht daarin de volgende prachtige stellingen te bewijzen : De mensch heeft geen ziel, verandert aanhoudend van essentie, is gelijk aan een machine. God schiep nooit en kan niet scheppen. De afschaffing van de doodstraf is daardoor te verdedigen, dat de maatschappij toestanden aanbiedt, die erger zijn dan de dood. De mensch is voor zyn daden niet verantwoordelijk , enz. Raimoldi is, zooals gij ziet, een leerling van Darwin en Moleschot. Wat hij de brutaliteit heeft te schrijven en te laten drukken , denken al de anderen, die de stelsels van deze twee zeer gevaarlijke menschen aanhangen, en helaas! de standbeelden van Darwin en Moleschot hebben overal in de universiteiten het Christus- en Madonnabeeld verdreven en vervangen. Terwijl nu d : e waanzinnigen zulke monumen ten oprichten aan het ongeloof, gaat de Paus rustig voort met zijn werk. Hy heeft aan de kerk van Santa Maria dei Monti het standbeeld geschonken van den H. Labre, hetwelk Hem onder de jubilé-giften was aangeboden uit naam van het diocees Atrecht. De liberale bladen noemen dezen heilige: II sancto dei pidocchietti , de heilige der kleine bruine diertjes. Die spot, welke men geestig meent te zijn, is een reusachtig bewijs van de hooge goddelijke natuur van het Evangelie. De wereld en het vleesch kunnen niet begrypen en zullen nooit begrijpen, hoe een „ mensch met gezond verstand" zich vrijwillig aan de armoede kan overleveren. Onze naar goud dorstende eeuw, die het woord van Horatius auri sacra Jama, de vermaledeide honger naar het goud, zoo zeor verdient, heeft het noodig dat de Kerk haar er aan herinnert, dat de armoede eene deugd is. De Giordano-Bruno-lui zijn weer aan den gang. Een eommissia, bestaande uit advocaten, doctoren, een beeldhouwer, een bronsgieter en een bende journalisten, heeft zich naar het Campo dei Fiori begeven, om de juiste plaats to gaan bepalen, waar het monument zal worden geplaatst. Het zal zichtbaar zijn uit het paleis dtlla Cancelleria , den zetel der Pauselyke commissiën van eiken aard, het hoofdmiuisterie, om het zoo te noemen , van de Roomsche Kerk. Het is dien heeren te doen, om solemneel te protesteeren tegen het Pausdom, en daarom zal dit monument vereerd worde» met de standbeelden of de medaillons van de volgende ketters : Huss, Ramus , Servetus , Wicleff, Paleario, Arnoldo da Brescia, Vannini, Campanella. Luther en Calvijn zijn vergeten. Dezen zijn waarschijnlijk veel te conservatief; men moet betere lui hebben! In de provincie Bari lijden volgens de Corriere delle Puglie twintigduizend landlieden de grootste ellende. Te Corato vormen zij groepen op de pleinen, op hunne vermagerde gezichten staan de verwoestingen van den honger te lezen. Zy spieken zauht en vreesachtig en vragen slechts brood, brood voor hunne talrijke kinderen. Men heeft een grijsaard bewegingloos op de straat vinden liggen. Vele weldadige personen omringden hem en vroegen wat er aan scheelde. De grijsaard opende de oogen en fluisterde nauw hoorbaar: „ Ik heb honger; ik heb in verscheidene dagen niet gegeten. Help mij om Godswil." Onlusten hebben niet plaats; de arme lieden zijn evenals de meeste landlieden rustig en bedeesd. Door rijk en gemeente zijn inrichtingen geo- pend, waar 400 portiën eten verstrekt kunnen worden. Geheele familiën trekken met eene karavaan kinderen van deur tot deur, om te bedelen. Op andere plaatsen is het volk niet zoo rustig De werklieden en dagloonsrs in Alfonsine, die zonder werk zijn, hebben manifestatiën gehouden, waarbij zij werk eischten. De manifestanten hebben de winkels der bakkers leeggeplunderd; de kinderen aten onder het geroep „wij hebben zoo'n honger," het op deze wijze verschafte brood op. De plaatselijke overheid heeft herhaaldelijk bij de regeering aanvraag gedaan, om publieke werken ta doen uitvoeren, maar hieraan zal wel geen gevolg worden gsgeven. Men herinnere zich Perazzi's rede over Italië'» financiëelen toestand in de Kamer. ihankrijfc. Te Saint-Vincent du-Boulay (dep. Eul-e)kwam dezer dagen de maire bij den tachtigjarigen pastoor en verzocht dezen, de kerk voor hem te laten ontsluiten. De pastoor zond zyne dienstmaagd met den sleutel, en de deur werd geopend. Nu wilde de maire door een slotenmaker het slot uit de kerkdeur doen halen en er een voor in de plaats doen zetten, dat liy had medegebracht en waarvan hy een sleutel behield. De meid duwde echter de inbrekers terug en sloot de deur weder vlug. Daarop maakte de maire proces-verbaal op en deed haar tot vijf:ig francs boete veroordeelen; daarenboven bracht bij de zaak voor den gemeenteraad, die besloot... de dienstbode uit hare betrekking te ontslaan 1 Dit besluit werd met den metsten ernst naar den onderprefect verzonden, die het misschien even waardig naar den Raad van State zal opzenden. — Generaal Boulanger heeft zijne aanvrage tot echtscheiding ingetrokken. Daarmede bedoelt hij volgens de XIX Siècle volstrekt niet, hiervan af te zinn, maar hij moet, na verschillende vrienden, afgevaardigden der rechterzijde, te hebben geraadpleegd, besloten hebben, vóór zijn huwelijk burgerlijk te doen ontbinden, zich eerst tot de geestelijke autoriteit te wenden. Het proces zou reeds te Bome in instructie zijn. Als grond voor zijne aanvrage tot nietigheidsverklaring van zijn huwelijk voert de generaal aan, dat hij bij de voltrekking van zijn huwelijk de bloedverwantschap heeft geheim gehouden, waarin hij tot zyne bru;d stond. Hij was haar volle neef en heeft geene dispensatie aangevraagd. Indien dit waar is, gebruikt de generaal al zeer onedele en slinksche middelen. — De strijd over het Boulangisme is in volle vlam in de Parysche Loges. De directeur van het Boulangistische blad la trance, de heer Lalou, wilde zich bij de Vrijmetselarij aansluiten. Daar de meerderheid in alle Loges te Parijs anti-Boulangistisch is behalve in de République dimocratique , waar de heer Laguerre venerabel is, zou hij in deze worden opgenomen. De BBr.*. der andere Loges hadden besloten, zich naar de receptie van den heer Lalou te begeven en te protesteeren tegen zijne candidatuur. Ten einde standjes te vermijden, deed Laguerre de BBr.\ zijner Loge heimelijk verwittigen, dat de receptie een uur vroeger, dan gebruikelijk is, zou plaats hebben. De bladen maakten deze list echter publiek, en de kleine tempel, waarin de aanneming zou plaats hebben, kon weldra het aantal toegestroomde BBr.*. niet meer bevatten. De venerabel Laguerre zag wel in, dat de receptie ni«t kon doorgaan en stelde voor, „omdat het rapport in zake de aanneming van den profaan Lalou nog niet gereed was, de receptie tot Maart uit te stellen." Daar begon het spektakel. Er werd geschreeuwd, dat dadelijk over de candidatuur beraadslaagd moest worden. Laguerre verzette zich tegen alle discussie. Het tumult wordt oorverdoovend. „ Smijt de Farizeeërs uit den tempel! Weg met de voorstander8 der dictatuur! " wordt er geroepen. Boulangistische en anti-Boulaugistische vrijmetselaren ziju luidkeels aan het twisten. De veuerabel roept, dat hy de zitting zal opheffen, indien er geen stilte ontstaat. Men luistert niet naar hem; zyne waarschuwing wordt met gejouw, beleedigiagen en uitroepeu beantwoord. Br.\ Laguerre sluit de vergadering en wil heengaan; hij wordt geduwd en gestooten , toegeschreeuwd, beleedigd, en sleehts met de meeste moeite kan hij onder de kreten: „Weg met Boulanger! Weg met Laguerre ! " de straat bereiken. Daarna neemt een Br.\ in naam der sociale revolutie het woord en stelt een dagorde voor, waarbij de Loge la République démocratique, buiten zitting vergaderd, „ protesteert tegeu de Jesuïetische handelingen, aangewend door Br.*. Laguerre om het indringen van een profaan in de Vrijm.*. te begunstigen, en den raad van orde verzoekt, hem in staat van beschuldiging te stellen." De vrienden van den spr., die tot het Communisme behoort, namen deze motie aan onder de kreten: „Leve de Commune! Weg met Boulanger!" fegflaïrö Het gerechtshof, by hetwelk de zaak Parnell contra Times aanhangig is, heeft zich incompetent verklaard. De Iersche leider zal dus gedwongen zijn, eene andere gelegenheid t» zoeken, om zich tegenover de aantijgingen van het regeeringsblad te rechtvaardigen en dit van laster te overtuigen. ÖC I qu. Wederom heeft een spoorwegongeluk plaats gehad, ditmaal by Namen. Een passagierstrein is op een rangeerenden trein ge'oopen; op het geraas kwamen van alle zijden menschen toesnellen , die aan een herhaling dachten van de ramp te Groenendaal. Zij werden echter kalm, toen de reizigers allen uit den trein stapten, ongedeerd op eenige lichte kwetsuren na. Twee treinbeambten werden echter by de botsing gedood , en een passagier werd zinneloos van den schrik; men vreest voor zijn leven. I?uit§c!jlanö Volgens de Times zal de Czaar dezen zomer een tegenbezoek by keizer Wilhelm te Stettin afleggen; by zal door zestien oorlogsschepen worden vergezeld. De tijdingen van gisteren omtrent de begrafenis van kroonprins Rudolf reikten slechts tot aan het tijdstip, waarop de stoet de kerk bereikte. De omstreken der Capucijnenkerk waren door de gardes bezet. Behalve de vorstelijke familie werden slechts de ministers , de gezanten en de fuBCtionarissen toegelaten. Keizer Frans Jozef was aan den voet van het altaar gezeten. De prins-aartsbisschop van Weenen ontving aan het hoofd van zyn kapiitel de lijkkist aan den ingang der kerk en ging haar voor in den tempel. Ttirwyl de aartsbisschop de absolutie gaf, wendde da keizer zijne oogen niet van de kist af; hij stortte een laatste gebed bij het lijk, toen de toortsdragers naar voren schreden. Na het Libera me werd de kist in de crypte gezet, waarheen de keizer, de aartshertogen Karl Ludwig en zyn zoon , de prinsen Ludwig van Beieren en Philips van Coburg, gevolgd door den grootmeester en de dignitarissen van het hof, zich ook begaven. De koning en de koningin van België bleven in de kerk. De keizerin, de weduwe en de aartshertogin Gisela waren op den Hofburg blijven bidden. — De Agence Havas zendt aan alle bladen bijzonderheden omtrent de oorzaak van den dood des kroonprinsen , welke zy uit absoluut authenthieke bron zegt te hebben. Om deze scabreuze lezing zoo kort mogelyk saam te vatten, deelen wy er het volgende van mede: Sedert meer dan een jaar stond de aartshertog in betrekking tot een barones Mary Verscera, hetgeen algemeen te Weenen bekend was. De kroonprins maakte dikwijls incognito reizen, met name naar Londen, met de negentienjarige barones, die bijzonder schoon was. L)e prins wendde zich tot zijn vader met verzoek om echtscheiding, hetgeen de keizer energisch weigerde. Den avond van den dag, dat de kroonprins naar Mayerling was gegaan, kwam de barones daar aan. Den volgenden dag reden zij samen uit en dineerden des avonds in gezelschap van graaf Hoyos. Daarna volgde de barones den prins naar zijne kamer. Tegen zes uur in den morgen hoorde de kamerdienaar luid spreken ; daarna weerklonken twee revolverschoten. Doodelijk verschrikt ging de man graaf Hoyos en prins Coburg halen , die het lijk der barones , waarop eenige bloemen, naast dat van den prins vonden liggen. Het lijk der barones werd heimelyk naar een Boheemsch dorpje gevoerd en daar m alle stilte begraven. Volgens particuliere tijdingen moet de kroonprins het wanhopig besluit genomen hebben tot zelfmoord na een hevigen twist met zyn vader, die hem ten strengste zyn loszinnig gedrag verweet. Afrika. Naar men zegt, heelt kapitein Wissmann voor zyn troep naar Oost-Afuka reeds duizend negers in Egypte doen aanwerven. Het zijn allen Mahomedanen, en dit vindt men zeer bedenkelijk, daar ook de opstandelingen teg. n de Duitschers in Oost-Afrika Mahomedanen zyn. 2lmmha. De New-York Herald deelt eene verklaring mede van Bayard, volgens welke de onderhandelingen met Duitschland over Samoa bevredigend vorderen en uitzicht bieden op eene gunsiige oplossing. De regeering der Unie heeft Bismarck's voorstel aangenomen, om de conferentie over de Samoa-aangelegenheden, in Juli 1887 te Washington door drie Mogendheden gehouden, eerstdaags te Berlijn te hervatten. (Ei)ina. Uit Shanghai wordt aan den Standard gemeld, dat de strenge winter eenen hongersnood veroorzaakt heeft in de provinciën Shantoeng en Mantsjoer. In de buurt van Chin-Kiang is een kwart millioen menschen verhongeid. Elders schynt de hongersnood minder erg. — In Chin-Kiang zyn hevige onlusten onder het volk tegen de Europeanen uitgebarsten. Het Britsch consulaat en zeven woningen van vreemdelingen zyn door het gepeupel in brand gestoken. Een Engelsch oorlogsschip is naar het tooneel der wanordelijkheden vertrokken. ---