ROTTERDAM 26 Februari. Een Jesuïetiseh anarchist. „De anarchist Sébastien Faure ia in heohtenis genomen. De politie heeft te zijnen huize een groot aantal brieven en andere papieren in be slag genomen. „Sébastiea Faure, in 1858 te Saint Etienne geboren, was reeds verscheidene malen door het gerecht veroordeeld, onder anderen te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon, door het hof van assises in laatstgenoemde plaats tot 18 maanden opslniting wegens reahtstreekeohe aanzetting tot plundering, moord en dea burgeroorlog. „ H\j ia de zoon van achtenswaardige ouders. Zijn vader was handelaar, bekend om zyne godsdienstige gevoelens. Hg liet den zoon schoolgaan op het Jesuïeten college, en Sé bas tien bracht eenige jaren in het noviciaat te Clermont door, waarna hjj opgenomen werd in de sooie>eit van JeBUS." Ziezoo; het stond er! „ Hij werd opgenomen in de Societeit van Jesus"; dat geeft den slot-indruk. Wie? „ De anarchist Faure", die in hechtenis is genomen; dat is immers in den aanvang reeds gezegd. En de N. R. Ct., die bovenstaand bericht schreef, moet zich wel innig gelukkig gevoeld hebben. Daar hadt ge nu het bewijs, dat de Jesuïeten in alles, wat maar slecht is, de hand hebben. De hand? Neen, een heele anarchist, een leider nog wel, ontpopt zich als niets anders dan als die booze nachtmerrie der vrijmetselaarsbladen: een Jesuïet. De pro-deo-advocaat der moordenaars, de prediker der anarchie, de vriend van Vaillant, de voogd van de kleine Sidonie.... niets anders dan een Jesuïet. Welk een buitenkansje! „Waarna hij opgenomen werd in de Societeit van Jesus." Laten we het nog eens lezen; het klinkt toch zoo pikant! In werkelijkheid is Faure nooit opgenomen geweest in dej Societeit, — maar dat kan de N. R. Ct. zoo precies niet weten. Faure is opgenomen geweest in het noviciaat. Een novice! De liberale en maijonnieke redacteurs der verschillende bladen zijn op dat woord aangevallen als op eene lekkernij! Een novice, — men weet niet, wat het woord beteekent (wat Eugène Sue nog wel wist), en verbeeldt zich misschien, dat het zoo iets is als een „ leerling" of „ gezel" in de vrijmetselarij, in ieder geval dus een lid, al is het van den laagsten graad. Erbij zeggen, dat Faure nooit ia de Societeit is opgenomen, omdat hij tijdens zijn proeftijd — dat verstaan de Jesuïeten onder noviciaat — verlof verkreeg orde te gaan stellen op de zaken, die zijn overleden vader, een zijdehandelaar in zeer berooiden toestand had achtergelaten, waarna hij nooit is teruggekeerd, dat ware wel wat veel van de N. R Ct. gevergd. Maar Sebastien Faure is toch ter school geweest bij de Jesuïeten, dat is zeker.... Ja, ja , wat zijn de dingen toch eenvoudig, als men ze maar goed weet voor te dragen! Om te weten, waar het anarchisme vandaan komt, beschouwe men slechts, wie de anarchisten leveren. O, die Jesuïeten! Misschien wil men te kennen geven, dat eigenlijk de Jesuïeten Faure op den verkeerden weg hebben gebracht? Weet de N. R. Ct. wel, dat haar veelbewonderde Voltaire ook een leerling der Jesuïeten is geweest? Of bedoelt zij wellicht, dat er onder de leerlingen dier orde ook zijn, die den slechten weg opgaan? — Dat is zeer wel mogelijk, evengoed als dat er onder de leerlingen der openbare hoogescholen zijn, die den goeden weg opgaan. Uitzonderingen zijn er altijd. Luther en Renan zijn ook door priesters opgeleid en toch renegaten, apostaten geworden. Er kan inderdaad niet eens van geloofsverzaking of afval sprake zijn, zooals Paul de Cassagnac in de Autorité doet opmerken , of er moet eerst geloof en godsdienst zijn geweest. Daar is eene groote mate van onnoozelheid of een buitengemeene kwade trouw — wat trouwens zeer goed samengaat — noodig, om den meester in alles verantwoordelijk te stellen voor den leerling De meester, zelfs al is hij een Jesuïet of priester, doet wat hij kan, en de leerling doet wat hij wil. Niet waar, het is wel pikant, op den bodem der anarchie eene gescheurde toog te vinden, vooral een Jesuïeten toog? Maar aten we niet te veel concludeeren, collega. Ontrouwen zijn er altijd, de seminaries verliezen altijd eenige kweekelingen, zooals de dorre takken van den levenden boom vallen, evengoed als de predikantentoga vaak ter zijde wordt gelegd, en het zou zelfs niet moeilijk zijn, met name mafouniekliberale dagbladen aan te wijzen, in welker bureaux de toog en de toga ook zinnebeelden van het verleden zijn Trekt de N R. Ct. daaruit de conclusie, dat ook de seminaries ten gunste van modern Jodendom en loge ijveren, dan mocht ze wel wat dankbaarder zijn en de Katholieken beter in hare kolommen bejegenen. Dan vloeide er ten minste nog iets goeds uit hare misvatting voort. Laat ze er dan in voortleven, en ze zal misschien aan hypnotisme of dergelijke fraaiigheden den boozen invloed toeschrijven, dien de Jesuïeten in zooverre op hunne leerlingen uitoefenen, dat dezen er nooit toe kunnen komen de geheimen en monsterachtigheden te onthullen, die volgens het naïef geloof van sommigen harer lezers in de Jesuïetenkloosters en colleges voorvallen. Voltaire en een aantal encyclopedisten , die de beginselen hebben gegrondvest, waaraan de N. R. Ct. haar glorieus 1848 en hare liberale overtuiging zelve te danken heeft, ze hebben zich allerlei lastertaal veroorloofd tegen het Christendom, zijne leer en gebruiken en priesterschap, maar van de Jesuïeten, waarmede zij in kennis waren geweest, en die toch evengoed priesters zijn, moesten ze bekennen, dat het mannen van deugd en talent waren. Hoe zou dit wel zijn te verklaren, vraagt Eugène Ta vernier in den Univers , dat penvoerders en wetgevers, die de zoo krachtig door de Societeit verbreide en verdedigde leerstellingen der Katholieke Kerk met den meesten haat bestreden evenals de Societeit zelve, zich nooit van zekere achting en bewondering jegens de leden dier Societeit hebben kunnen losmaken? Laat de N. R. Ct daarover eens nadenken, en het zal haar dan misschien duidelijk worden, waarom Sébastien Faure ook niet den Jesuïeten het vaderschap van zijne maatschappelijke dwalingen zal toedichten. Want men kan er zeker van zijn: als hij vervolgd en gevonnist wordt, zal hij het voorbeeld zijner voorgangers in de „vrijzinnigheid" volgen. Verzaker van zijn God, schande van zijne familie, gevaar voor de maatschappij, als hij is, zal hij echter den eerbied en de waarheid jegens zijne gewezen meesters niet verloochenen. Dat weet de N. R. Ct. wel, en dat moet hare voldoening wel eenigszins vergallen. L. --- FEUILLETON. De Martelaars van Lyon. [30] Eene menigte verdrong zich, woelend als eeae golvende zee, over den ganschen heuvel van het forum. E»ne buitengewone opgewondenheid beroerde die menschelijke massa. Levendige woordenwisselingen, somwijlen door beleedigingen onderbroken, toonden dat er lang geen overeenstemming heerschte tusschen al de deelen dier duizendvoudige geleding. Sommige moedige mannen verdedigden met luider ■temme de zaak der Chris>enen, zonder zich te bekommeren om het gevaar, dat daaruit voor hen kon voortvloeien, terwijl de heidenen, door haat verbitterd, hoon en laster tegen hen uitbraakten. Allen traohtten naderbij te dringen tot de gevangenis, waarin bisschop Ireneus met zijne lotgenooten het oogenblik verbeidde, dat lij buiten zouden gevoerd worden, om op het forum voor de keizerlijke vierschaar terecht te staan. Zij waren reeds voor den gewonen rechter verschenen en hadden met onverwinlijken moed de talrijke folteringen doorstaan. De heidenen waren te meer verbitterd, daar de moed van Ireneus en Erasmus vooral, alsmede de wijsheid, waarmede zij de tot hen gerichte ondervragingen beantwoorden, grooten indruk op de talrijke toenoorders hadden gemaakt en in velen zelfs de overtuiging hadden doen wortel schieten, dat een geloof, hetwelk zalke mannen kweekte, verre stond boven de lafhartigheid van het heidendom. Anderen, getroffen door den heldenmoed, waarmede zij de grootste pijnen hadden doorstaan, hadden zich op 'taanden voet tot het Chriseendom beleden, en mede(«ileept iüQX huaae edelaardige vervoering, verzocht het lot van de martelaars te mogen deelen. De rechters hadden zich gehaast, aan dit alles een einde te maken door de gevangenen weer spoedig in den kerker te doen terngvoeren. Toen keizer Severus het gebeurde vernam, was hij woedend. Hij riep uit, dat de rechters ezels en dwaten waren, en dit hij zelf de vierschaar zou spannen over de Christenen, wier hardnekkigheid hij wel zon weten te breken. En thans, op dezen warmen, helderen Juni-morgen verwachtte de groote menigte in spanning de voorvallen , die zich weldra op het forum, daar onder -hare oogen, zonden afspelen. De ontzsglijke galerijen waren kroppensvol; het plein en de omtrek boden geen ledig plekje aan. Alleen was te midden van dien reusachtigen drom eene vrije ruimte opengehouden voor het altaar van Jupiter, waar lijfwachten en lictoren met moeite den toegang versperden. Op een getimmerte verhief zich de troon des keizers , omringd doar zetels voor de voornaamste leden van het hof. Daartegenover bevond zich eene open ruimte, waar de beschuldigden moesten plaats nemen. Op den dorpel van den tempel stond een altaar met een beeld van Jupiter, waaromheen de priesters en flamina's, in hunne witte gewaden gehuld, geschaard stonden naast de komforen, die den wierook zouden branden. Door de breede bogen zag men zich op den nabnrigen heuvel een groot houten kruis tegen de blauwe lucht afteekenen, dat daar op bevel des keizers was opgesteld. Eene beweging doorgolfde de menigte. De poort der gevangenis was opengegaan, en de Christenen naderden, omringd door lictoren. Naar hun van vreugde stralend gelaat, hunne edele houding te oordeelen, zon men gezegd hebben, dat het verwinnaars waren, die hunnen triomf kwamen vieren, in plaats van veroordeelden, die het doodvonnis over zich gingen hooren uitspreken. De wonden en kneuzingen, hun door de folteringen veroorzaakt, vertraagden hunnen tred niet. Zij waren op wonderdadige wijze genezen en schenen door eene nieuwe jeugd bezield. Ireneus, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, ging met krachtigen stap vooraan. De zachtheid en rust, die op zijn wezen geteekend lagen, verwekten algemeene deelneming. Zijn liefdevolle blik weidde over zijne gezellen als die van een vader over zijne kinderen en moedigde hen tot het martelaarschap aan. Erasmus liep naast hem, gevolgd door de andere priesters en diakens, jonge en oude, die den roem der Kerk van Lyon uitmaakten. Niet minder blijmoedig en vastberaden toonden zich de leeken, mannen en vrouwen, aan wie de maagden en wednwen onder leiding van Euphrosine voorafgingen. Irene en Wanda, in hare witte gewaden en lange sluiers, schenen aan de zijde van Euphrosine twee gelukkige bruiden. De Christenen schaarden zich voor den keizerlijken troon. Op hetzelfde oogenbfik verscheen de imperator met zijn pralenden stoet van hofheeren en soldaten aan den ingang van het forum. Severus beklom de estrade, gevold door keizerin Julia en de voornaamste leden van het vorstelijk huis. Het gevolg plaatste zieh achter hen. Onder de eeredames weidde Noëma, die bleeker was dan een doode, hare verdwaasde blikken om zich heen en vestigde ze op de groep Christenen met eene verslagenheid, die deed denken, dat zij als betooverd was door hunne aanschouwing. Qeen beweging of gebaar van Erasmus ontging haar. Toen de keizer gezeten was, en de overigen hadden plaats genomen, wierp Severus een blik vol toorn op de Christenen en sprak Ireneus aan. „Grijsaard*eide hij, „gij zijt ket, die mijne onderdanen tot opstand aanzet. Mijn uitdrukkelijk verbod minachtende, werft gij iederen dag nieuwe aanhangers voor uwe leer." „Gij vergist n, doorluchtig keizer, als gij mij van aanhitsing tot opstand verdenkt. Gij hebt geen getrouwer onderdanen dan de Christenen , wanneer uwe bevelen niet strijdig zijn met de goddelijke wet. Maar God is grooter dan gij. Wanneer Hij beveelt, moeten wij gehoorzamen. Hij heeft zelf gezegd: Gij zult God meer gehoorzamen dan de menschen. En daarom gehoorzamen wij Zijn gebod: Gaat en onderwijst alle volkeren." „Gij blijft dus halsstarrig bij uw besluit om den Christelijken godsdienst te prediken f" „Zoolang er een ademtocht in mijne borst blijft, zal ik dien plicht vervallen." „Ik zal u den mond wel weten te slaiten." „Gij hebt macht over mijn lichaam, keizer, maar gij kunt de werking van den H. Geest niet beletten, die Zijnen ademtocht over de wereld doet gaan en het aanschijn der aarde vernieuwt. Aanzie die menigte uwer onderdanen, welke ons omringt; zij telt meer Christenen dan ooit. Velen waren het gisteren nog niet; zij zijn het geworden bij het aanschouwen onzer folteringen. Gij hebt de lichamen doen pijnigen, en de geesten zijn gegaan in andere richting, dan uwe bedoeling waB." „Onbeschaamde grijsaard! Durft gij zoo mijne majesteit trotseerenf Wij zullen zien, of het lot, dat u te wachten staat, opnieuw velen tot navolging zal verlokken. Ziet gij daar dat kruis op gindsohen heuvel f Als gij blijft volhouden met dengene te willen aanbidden, die aan een dergelijk schandhout gestorven is, zult ge dien heuvel beklimmen, en wie het lust mag u dan volgen. Hier zijn mijne soldaten, die allen zullen dooden, wetke zieh aan den voet des kruises zullen bevinden." Ireneus hief de oogen ten hemel, en hij bad lnide: „Wees gezegend, Heer God, dat Gij Uwen onwaardigen dienaar tot dea palm vaa den marteldood hebt uitverkoren. Kinderen, volgt mij. Heden nog zullen wij met Christus zijn in het Paradijs." Hij ging voorwaarts als een veldheer, die zijne troepen aanvoert. Kalm, vast, met eene onweerstaanbare beweging in haar stille geestdrift, kringde de Christenschare zich dicht om haren bissehop en schreed met hem zwijgend voorwaarts, MaBnen, vrouwen, grijsaards, kinderen, armen en rijken trokken voorbij den keizer als eene uitgelezen keurbende. Van aller gelaat straalde geluk. De Christenschare daalde het foram af, zieh langs de glooiing van dan heuvel bewegead als een kronkelend lint, dat zich immer verlengde, weldra den velgenden heuvel bereikte en tegen dezen opklom naar het op den top geplante kruis. Met verstomming staarde de keizer dit schouwspel aan. Zulk eene vastberadenheid en onwankelbaarheid had hij niet verwacht. De indruk op de menigte was geweldig. Het volk, dat waren moed altijd op prijs weet te stellen, juichte de Christenen toe. Heidenen, soldaten zelfs, scheidden zich van de menigte af en gingen den optocht der martelaren vergrooten. Een priester van Jupiter schopte den drievoet om, waarop wierook brandde, en den Christus belijdende, ging hij den dood zoeken te midden der Christenen. Naarmate dezen zich om den voet van het kreia verdrongen, werd het lediger om Severns heen. Toen hij zijn blik over bet forum liet gaan, bemerkte hij met ontzetting, dat meer dan de helft des volks Ireneus gevolgd was. Het was tijd om te handelen. Nog eenige oogenblikken, en de geheele stad zou Severns zijn ontvallen. --- BUITENLAND. Politiek Overzicht. De Belgische staatsminister Woeste komt in een schreven aan de Bien Public en het ministeriëele Journal de Bruxelles op tegen de bewering van dis bladan , als zouden de leider der Belgische Katholieken ea de heer Helleputte hun sohoolwetsontwerp slechts hebben ingediend, om het in te dienen regeeringsvoorstel op de evenredige vertegenwoordiging den hals te breken. De heer Woeste herinnert, dat hg met zijne vrienden reeds in 1887 s:aats3ubsidie voor het Katholieke onderwijs verlangde. Zeven jaren hebben zij htinnen aandrang telkens hernieuwd, en zeven jaar lang heeft miniBter Beernaert niets gedaan. Ia 1892 dienden zg een amendement op de begrooting in, strekkende om die uitkeering in te voeren; de regeering beloofde toen , dat zi) zelve in den loop van het jaar een voorStel zou indienen, als de heeren Woeste c. s. hun amendement introkken Dezen deden dit, maar de heer Beernaert diende geen wetsont warp tot subsidiësring van Katholieke scholen in. De Katholieke partij wachtte een half jaar, een heel jaar, anderhalfjaar... Nog niets. Toen gaf de heer Woeste den minister van binnenlandsche zaken kennis, niet langer te knnnen wachten, gebruikte niettemin nog eenige maanden tevergeefs gednid, en — het ontwerpWoeste Hellepatte is thans ingediend, ruim twee jaar na de intrekking van het besproken amen dement. De bewering der tegenstanders, dat het wetsontwerp onverwachts, bij wgze van ever* rompeling, is ingediend, is dus volkomen onwaar. Thans zeggen de gouvernementeele bladen, dat het ontwerp niet ver genoeg gaat, en de regeering een beter zal indienen. Uitmuntend! roept de meerderheid der Katho iieke pers uit, dia Woeste steunt; niets liever dan dat! Dat zal althans een puat van overeenstemming geven. Maar laten we ten minste wat voor het volk doen en paai: het niet langer met mooie woorden. Deze nieuwe strijd werpt een treurig lioht op de houding van den heer Beernaert. Deze schijnt te denken, zooals meer staatslieden doen van zijne richting, ook buiten Belg ë, dar hen pers oulijke wil het richtsnoer moet zijn voor de hande lingen der geheele Katholieke partij; zij streelen het volk liever met lnide klanken, stembiljetten en radioale hervormingsplannen, dan het kalm en beleidvol wezenlijk goed te doen, b. v. door eene degelijke herz en