HET POLITIEKE DEBAT Nabeschouwing. DE KATHOLIEKE KAMERFRACTIE. III (Slot). Tenslotte nog enkele korte beschouwingen over het optreden en de daardoor bepaalde positie van de Katholieke Kamerfractie. En dan meenen wij, om te zeggen, wat ten deze wel eens duidelijk gezegd mag worden, niet beter te kunnen doen dan nog eens te verwijzen naar de laatste groote redevoering gehouden door dr. Sehaepman, den katholieken emancipator en staatsman met jarenlange parlementaire ervaring. Dr. Sehaepman hield deze rede op 21 September 1902 op den te Sneek gehouden Frieschen Landdag. Dat hij haar zelf als zijn politiek testament beschouwde, blijkt wel uit het feit, dat hij haar vrijwel in entenso opnam in het laatste nummer van zijn „C hron i c a" (III, blz. 75—86) gedateerd 11 Nov. 1902. Zij werd gehouden, nadat op 1 Augustus 1901 het ministerie-Kuyper was opgetreden. Vandaar de aanhef: „De huidige toestand onzer Nederlandsohe Staatkunde laat zich, naar ik meen, het best, het kortst en het klaarst samenvatten in een paar woorden: v/ij hebben een christelijke regeering, gesteund door een christelijke meerderheid". Na gespot te hebben over de bezwaren, die men tegen het woord „christelijk" inbracht — iets nieuws is er werkelijk niet onder de zon! — en enkele voorname punten uit de, dr. Kuyper's leeuwenmerk dragende troonrede gereleveerd te hebben, stelt en beantwoordt hij drie vragen, die z.i. van belang zijn voor het geheele katholieke volk. „Zij betreffen kiezers en gekozenen, kiesvereenigingen en andere, zij betreffen de pers en het geheele samenstel van hen, die zich wijden aan de katholieke zaak. Ik spreek niet als raadgever, maar eenvoudig als man van ondervinding, aan wien de ondervinding ook de eigen fouten en feilen heeft leeren zien". Waarom zouden wij niet naar dezen ervaren raadsman willen luisteren? De drie vragen, welke dr. Sehaepman stelde en beantwoordde, waren: hoe wint men een meerderheid? hoe verliest men een meerderheid? en eindelijk: hoe behoudt men de meerderheid? Op de eerste vraag, hoe wint men een meerderheid? is het antwoord eenvoudig: „door veel inspanning, veel volharding, veel geduld, veel offers van allerlei aard, en eindelijk door een met al deze hoedanigheden krachtig toegerust beleid". Het uitvoerigst ging dr. Sehaepman in op de tweede vraag: hoe verliest men een meerderheid? Deze vraag was toen — gelijk nu — het meest actueel. Door vier dingen kan men de verkregen meerderheid weer verliezen: 1. door de speelsche lichtzinnigheid: wij zijn er; 2. door het diepgaand verschil te vergeten tusschen oppositie en regeeringspartij; 3. door werkeloosheid en 4. door haast en overhaasting. Men voelt neiging, hier nog eens alles te herhalen, wat dr. Sehaepman ter toelichting van elk dezer vier punten zegt. Het zou ons te ver voeren. Bepalen wij ons, als voor het heden 't meest leerzaam, tot de punten 2 en 4. Omtrent het tweede punt waarschuwde de doctor: „De meerderheid, allereerst de meerderheid, die uit een coalitie geboren werd, mag nooit vergeten het diepgaand verschil tusschen oppositie en regeeringspartij. Een meerderheid is, in den goeden zin van het woord, veel meer partij dan de minderheid. Ik ben waarlijk geen voorstander van het loopen aan het snoer der partij. Maar wanneer men eenmaal de meerderheid heeft gewild en verworven, dan behoort men den moed te hebben der zelfoverwinning en zich voegen tot zekere volgzaamheid". Dit geldt niet alleen voor de volksvertegenwoordigers. In geenen deele: „Wordt er op het Binnenhof gezondigd, op de buitenhoven nog veel meer. IJveren zonder wetenschap voert altijd tot eigen meeningen, en eigen meeningen, zelfs die door de majesteit „Wij" voorgedragen, blijven ook eigen meeningen. In een coalitie zijn zij in iederen vorm een gevaar. Een coalitie vordert in geenen deelen verzaking van beginselen, maar gebiedt bij de toepassing der beginselen gemeen overleg". Na dan gewaarschuwd te hebben tegen werkeloosheid, tegen het niet met alle krachtsinspanning tot stand brengen van goede dingen, tegen het niet hebben van een open oog voor de nooden des tijds, tegen gemis aan kracht en voortvarendheid, waarschuwt hij niet minder tegen het tegenovergestelde verzuim, tegen haast en overhaasting. Deze waarschuwing geldt allereerst de regeering, die niet moet komen met slecht voorbereide ontwerpen, — cacographieën en foutieve opstellen, noemde Thorbecke ze, — maar ook voor de regeeringsmeerderheid. Zeker, de meerderheid in en buiten de Kamer behoudt haar recht van critiek, haar recht tot aansporing — het zou dwaasheid zijn dit te ontkennen, die ontkenning zelve schiep nieuw gevaar. Maar bij critiek en aansporing is matigheid, is voorzichtigheid plicht. Met deze muren, door deze omheining houdt men de „kleine vossen" buiten. De „kleine vossen" zijn de macht, die wel het meest een coalitie-meerderheid bedreigen. Zij vormen het laatste, niet het minste, der gevaren, die een meerderheid doen uiteenspatten en vergaan. De beminnelijke diertjes komen van alle kanten. Zij heb ben dezelfde haren, maar vooral dezelfde streken. Zonder beeldspraak: zij hebben allen een uitgangspunt: de ijdelheid; zij hebben allen een middel: het koesteren der ijdelheid; allen één doel: door geprikkelde ijdelheid te verwekken strijd. Het spel vangt aan met wenken en raadgevingen over den voorrang dien de een of andere zaak hebben moet. Men beroent zich, in een coalitie, op het eigen pro 0 --am: dat moet blijven het eerste en hoogste. Zoo gaat het voort tot de ijdelheid wint en het gezond verstand moet wijken, en ten leste ziet men te laat naar het prentje in den „Gulden Winkel der kunstlievende Nederlanders' en herdenkt de wijsheid van den jongen Vondel: „Ziet hoe de Philosooph zijn eigen Tongh afsnijdet, Opdat hij zwijghen leere, en 't ij del spreken mijdet". En zoo komt dr. Sehaepman ertoe, op de vraag: hoe behoudt men de meerderheid, het „al zeer eenvoudige" antwoord te geven: „Geen twist, dus: éénheid; geen overhaasting, dus: beleid; gieen verzuim, dus: werkzaamheid". Vooral op de werkzaamheid komt het aan. Men late zich daartoe niet leiden door allerlei krijgsgeschreeuw: „Wie zich om deze dingen bekommert, verliest zijn zelfstandigheid, de bron van alle kracht". En hij besluit: „Zoo behoudt men de meerderheid. „Dit geldt voor allen: voor de Regeering, voor de parlementaire groepen der rechterzijde, voor de pers, voor de organisatie, voor allen". Is wat in 1902 waar was, niet nog evenzeer waar op den huidigen dag? Weer is er een christelijke Regeering. Weer is er een christelijke meerderheid, waarop zij steunt. Weer is er een oppositie, die zich keert tegen de regeering, dat haar program baseert op het „positieve" christendom. Weer is er een groote Katholieke Kamerfractie, die tot de meerderheid behoort, en vier harer meest bekwame en meest geëerde mannen in het ministerie ziet zetelen op zeer belangrijke posten. In 1891 schreef Buijs in een artikel, getiteld: „Rumor in Casa" (De Gids, Januari 1891): Onze roomsch-katholieke landgenooten stonden sinds lang bij vriend en vijand hoog aangeschreven om den tact en de bebehendigheid waarmede zij op staatkundig terrein hunne belangen wisten te behartigen: altijd voorzichtig te zijn; — nooit fouten te plegen, welke de tegenpartij in een winst voor zich zou kunnen omzetten; — terug te wijken zoo dikwijls stand houden geen voordeel meer brengen kon, maar zoo dat het einddoel geen oogenblik uit het oog werd verloren en men de eerste de beste gelegenheid konde aangrijpen om dat doel weder meer nabij te komen, — ziedaar de gedragslijn, waaraan wij hen onveranderlijk zien vasthouden en die in hunnen allengs klimmenden invloed hare belooning heeft gevonden. Buijs' bewondering ging, gelijk uit andere artikelen blijkt, gepaard met vrees. Zoo is het ook thans nog. Vrees voor den katholieken invloed vindt men waarlijk niet alleen in het kamp van Kersten. Beter benijd dan beklaagd, zegt het spreekwoord. En ook beter is het gevreesd te worden dan onder den voet geloopen. Natuurlijk nemen de katholieken in ons land, zoolang zij hun eenheid ook op staatkundig terrein weten te behouden, een zeer sterke positie in. Echter op deze mits: dat wij ons steeds ten volle bewust zijn, slechts een minderheid te vormen. Steeds moet er dus ons streven op gericht zijn, niet in isolement te komen. Om een meerderheid te vormen hebben wij bondgenooten noodig. Deze gedachte is de grondslag geweest van dr. Schaepman's, eerst fel bestreden, later triomfeerende politiek: samenwerking tusschen de, vroeger twee, thans drie positiefchristelijke partijen. Na tien jaren verwijdering is deze samenwerking thans wederom hersteld. En wederom trad, gelijk in 1901, onder anti-revolutionaire leiding een Christelijk Kabinet op. Vóór de verkiezing schreven wij in ons avondblad van 28 April 1937: Wat door de Wat ons betreft, door de gunstige ervaring in het verleden opgedaan, blijft nog steeds onze voorkeur uitgaan naar de eerste methode: de vorming van een meerderheid op principieelen grondslag, welke meerderheid bereid is een Kabinet, dat op gelijken principieelen grondslag staat met kracht te steunen. Het is duidelijk, dat wij in de gegeven omstandigheden bedoelen, dat ons verlangen uitgaat naar het herstel van de in 1925 verbroken samenwerking van de positiefchristelijke partijen en naar het optreden van een Kabinet, dat op gelijken grondslag staande, een zoo al niet groote, dan toch door homogeniteit krachtige, gelijkgezinde meerderheid in de Tweede Kamer tot ondersteuning bereid vindt. Wij zijn overtuigd, dat dit verlangen leeft in de harten van de overgroote meerderheid van hen, die op 26 Mei hun stem zullen uitbrengen op de lijsten der Katholieke, Anti-revolutionaire en Christelijk-Histo rische Partijen. Wat wij wensohten, wait wij hoopten, is verwezenlijkt. De samenwerking is hersteld, en een Rechtsch Kabinet trad op. Dat er daarbij dingen zijn, die wij gaarne Einders zouden hebben gezien, — dat de gang van zaken bij de Kabinetsformatie naar onze meening een betere had kunnen geweest zijn, — dat er tegenover en naast het Regee ringsprogram onzerzijds andere desiderata gesteld worden, — dit alles doet niet af aan het alles overheerschende feit: wij hebben een Christelijke Regeering steunend op een Christelijke meerderheid. Dat is de door ons met vreugde en ver trouwen begroete situatie. Hoe dan in deze situatie de positie der Katholieke Kamerfractie is en zijn moet? Wij meenen, dat in het voorafgaande zeer precies en uitvoerig deze inderdaad voor het heden en de toekomst zeer belangrijke vraag is beantwoord. --- † GEZANTSCHAPSPOSTEN. Het blad van den heer Holdent moet het ons maar vergeven, doch wij wenschen als nog de aandacht te vestigen op het feit, dat de heele Nederlandsche diplomatieke dienst niet èèn dienstdoend katholiek procent telt. Zóó ongegeneerd namen de „Roomschen" de „baantjes". Er is beslist een plaatje van te teekenen voor „De Telegraaf". Intussohen heeft de Tweede Kamer de aandacht van de regeering gevraagd voor dit vreemdsoortig en ongewenscht ver schijnsel — een diplomatieke dienst, waarin practisch geen katholieken voorkomen. Er is in het V. V. op Buitenlandsche Zaken herinnerd aan het feit, dat het katholiek-zijn van een gezant in katholieke landen natuurlijke voordeelen biedt en dait dus meer rondgezien moet worden naar geschikte mannen van Katholieken huize. Het antwoord van den minister verdient de aandacht. Volgens hem komt de godsdienst van den gezant er niet op aan en, schrijft de heer Patijn, » „Gezien de geringe belangstelling hier te lande voor den diplomatieken dienst van geschikte jonge katholieke krachten, zou aanvaarding van meerbedoelde .stelling (dat n.1. in katholieke landen katholieke gezanten beter op hun plaats zijn) hierop neerkomen, dat het meerendeel van H. M.'s gezanten zou moeten bestaan uit niet uit het diplomatieke korps voortgekomen katholieken, een figuur tegen welker aanvaarding hij overwegend bezwaar heeft. Hij wenscht voor den diplomatieken dienst de meest geschikte krachten aan te trekken ongeacht de vraag naar hun godsdienst, 'n standpunt dat hem voorkomt te meer aanbeveling te verdienen aangezien in de meeste landen die vraag een geringere rol speelt dan hier te lande. Wij laten de opmerking over het meerendeel der gezanten, dat Katholiek zou moeten zijn, en over de rol, in andere landen door de kwestie van den godsdienst gespeeld, rusten, maar wijzen even op het volgende: de heeren Van Nispen, Van Starkenborgh en Patijn waren geen beroepsgezanten en schijnen te Brussel toch zeer behoorlijk te hebben gewerkt. Ook de heer Colijn hield daar, als bijzonder onderhandelaar, gewichtige besprekingen. Waarom zouden er in katholieken kring niet meer geschikte krachten te vinden zijn? Want dat de huidige toestand toch absoluut onbevredigend is, kan niet ontkend worden. De katholieken vormen ruim een derde deel der bevolking. Dat intusschen onze jongelui zioh ook voor dezen tak van dienst bekwamen zullen, is uiteraard mèèr dan gewenscht. --- „KARAKTERS IN BOTSING" Phyllis Bottome, beroemd geworden met haar eerste boek „Uit de Werelc van het Onbewuste" schenkt ons voor dit Sint-Nicolaas feest: „KARAKTERS IN BOTSING" Een psychologische roman van groot formaat; een Cultuurserie-uitgave Recl. 1857 14 --- Op het kasteel Nyenrode werd Zaterdagavond een Bach-concert gegeven door Op het kasteel Nyenrode werd Zaterdagavond een Bach-concert gegeven door Musica Antiqua op oude instrumenten in costumes uit den tijd van den componist. --- HAAST Weinig tijd ? Wat vermicelli of soepgroenten in een Liter water gaar gekookt, één 5 cents Liebig Blok en ziedaar: 4 borden geurige vleesch-soep. Werkelijk een uitkomst! LtlEBIG f Recl. 2001 40 --- ONS ONDERWIJS. Het „Jaarboek"-1937. Ja, behalve de Zondagswet, het huwelijk, de begrafeniswet, de tariefmachtigingswet, het werkloozenvraagstuk en de spelling is er ook nog het onderwijs, dat voorwerp van regeeringszorg is en voorwerp van ons aller zorg behoort te zijn. Als wij het zouden vergeten, zou het Katholiek Centraal Bureau, dat met onbezweken trouw zijn „Jaarboek" zendt, ons wel herinneren, dat wij te zorgen hebben voor onze bijna 500.000 kinderen, die les ontvangen in 2378 scholen van ruim 12900 leerkrachten, waarvan er een kleine 4000 kloosterling zijn, onder wie 2695 zusters en 1132 fraters. Hierbij gevoegd moeten dan nog worden, de 2099 kweekelingen met akte, die op 1 Januari j.1. verbonden waren aan onze gewone katholieke lagere scholen. Dat is slechts een greep uit het kostbare cijfermateriaal, dat het Jaarboek ons biedt, waarbij het tevens niet alleen aangeeft, hoe ons jongens- en meisjesaantal prachtig tegen elkaar opweegt — 50.55 pet. jongens en 49.44 procent meisjes — maar tevens aantoont, hoe het leerlingenaantal bij ons onderwijs gemiddeld 191.3 per school is, en het klasse-gemiddelde, dat in 1927 nog 34.41 was, inmiddels tot 37.55 gestegen is. Interessant zijn deze cijfers in verband met de klachten over de stijging van de leerlingenschaal; interessant zou het zeker ook zijn te vernemen, in welke mate de stijging van het klasse-gemiddelde v/ordt gedrukt door het optreden van de kweekelingen met acte. Van de nieuwe omstandigheden, teweeg gebracht door de jongste bezuinigingswetgeving, vertelt dr. Cassianus Hentzen O.F.M. ons weer op zijn gewone, levendige wijze in zijn Kroniek, waarin hij ook hartig zegt, met wie hij het niet eens is. Dit laatste overkomt bij wijlen ook ons, maar dat verhindert ons niet, opnieuw onze bewondering uit te drukken voor den vasten greep op- en de duidelijke uiteenzetting van de stof, die dr. Hentzen ons telkens opnieuw biedt. Alleen reeds deze aaneengeschakelde kronieken bieden een onderwijsgeschiedenis, waarmee wij, katho, lieken, aan de spits staan en die, naarmate de periode langer wordt, in belangrijkheid wint, omdat de lezer door de lezing ervan zoo goed op de hoogte komt van de beginselvragen, die onze onderwijswetgeving beheerschen. Te weinigen onder ons zijn van deze zaken op de hoogte. Gelukkig, dat onze Bisschoppen met wijze vooruitziendheid een centrale hebben gesticht, wier taak is de belangstelling voor ons onderwijs brandende te houden en deszelfs belangen te verdedigen. Het stemt tot weemoed te bedenken, dat den nobelen Wesseling, die zooveel jaren met hart en hoofd ons onderwijs diende in dit Jaarboek een laatst vaarwel wordt toegeroepen. Moge zijn voorbeeld van rustelooze werkzaamheid onder ons levendig blijven! Het bureau heeft, hem verliezende, zeer veel verloren en het werk ging door. Daar was de bezuiniging, die 7 van onze 43 katholieke kweekscholen deed sneuvelen, waarbij de Liefdezusters van Koningsbosch haar school te Echt opofferden om die te Heerlen te redden. Daar was de schadevergoedingskwestie, die het bureau veel hoofdbrekens verzorgde, om nog maar te zwijgen van het gezwoeg met de Doode handbelasting, waarbij het bekende arrest van den Hoogen Raad aan het bureau bergen werk, waarvan de buitenwereld weinig weet, moet hebben bezorgd. Gelukkig, dat men daar den moed er in houdt en leeft naar het woord: „Laat alle dmgen eerlijk en met orde geschieden". Gelukkig ook, dat men daar de dingen breed piobeert te zien. Mgr. dr. Verhoeven leest blijkens zijn inleidend woord, in het stijgend stemmental der katholieken niet slechts een incidenteel politiek succes. De directeur van het centraal bureau begrijpt, dat dit stemmental samenhangt met ons onderwijs en hij dankt de ouders, die offerden voor hun kinderen en onze katholieke staatslieden, die hun goed recht op eigen onderwijs met zooveel toewijding verdedigen „als mede onze onderwijzers en onderwijzeressen, die met liefde hun taak vervullen". Over de beroemde concentratie — weinig wol en veel geschreeuw, constateert dr. Verhoeven nuchter, maar hij zegt het in fijner Fransch — merkt de directeur van ons bureau op: „Het kon voldoende bekend zijn, dat de voorstanders van het bijzonder onderwijs stellig bereid waren, aan de totstandkoming van een wettelijke regeling betreffende de opheffing van scholen mede te werken, indien de toestand van 's lands financiën daartoe zou nopen. De tegenstanders konden er zich echter evenzeer van bewust zijn, dat de rechtse partijen zich onmogelijk zouden kunnen verenigen met een regeling, welke alleen het bijzonder onderwijs aan bepaaldde voorschriften zou binden en voor het openbaar onderwijs practisch de toestand ongewijzigd zou laten". Terecht wijst dr. Verhoeven ook op het vitale belang van een juiste toepassing van art. 19 der L.O.-wet. Van die toepassing toch hangt alles af en het departement van Onderwijs kan den vrede dienen met rustige overweging en toepassing van de richting die de ervaren onderwijsdeskundige aan wijst. Wij volstaan met deze aankondiging van het onmisbaar geworden „Jaarboek" en mogen belangstellenden lezers de kennisneming ervan dringend aanbevelen. De gegevens, die hier geboden worden over al de takken van ons onderwijs in Nederland en het Rijksge bied overzee, verdienen de belangstelling van allen, aan wien het wel en wee van onze jeugd, dat is van de toekomst, ter harte gaan, Al ons werk zal vergeefsch zijn — het soms satanisch pogen van de jeugdontkerstening elders leert het ons pijnlijk duidelijk — als wij niet met alle kracht, die in ons is, aan het onderwijs een eerste plaats geven in onze belangstelling. Door middel van Kardinaal-staatssecretaris Pacceli liet de H. Vader zelf ook dit jaar weer aan mgr. Verhoeven schrijven, dat „Z H. er prijs op stelt, nog eens geluk te wenschen de wakkere werkers van het Centraal Katholiek Bureau voor Onderwijs en Opvoe ding wier arbeid en toewijding een zoo be langrijke taak werkelijk boven allen lof zijn" De lof is verdiend. Moge het gewicht van de „tache si importante" — de zaak van de zorg voor het onderwijs — ons allen voor oogen blijven staan en moge de zorg, waarmee dr. Verhoeven en zijn staf trachten ons katholieke onderwijs te helpen, waar mogelijk is, de waardeering ontvangen, op welke zij recht heeft. Elk van ons, die op zijn tijd bij het bureau aanbelt, vindt het heel gewoon, geholpen te worden. Maar de gewoonte van een onwaardeerbaar bezit moet ons niet verhinderen te bedenken, dat dit bezit een voorrecht is, dat velen in ons land en ongeteld velen daarbuiten ons terecht benijden. --- UIT DE PERS. Minister Goseling. Over het debuut van minister Goseling oordeelt de liberale „Avondpost" als volgt: Wij moeten getuigen, dat het optreden van den bewindsman bij deze eerste ontmoeting een uitstekenden indruk maakte. Hij heeft in zijn rede bevestigd wat reeds uit zijn Memorie van Anwoord naar voren trad: hij weet wat hij wil. Hij kent de zaken die hij behandelt, hij zit er in, hij heeft een meening-, en hij verdedigt die resoluut, in beknopten vorm. Daarbij spreekt hij goed en rustig, met een krachtige stem èn hierdoor én mede door zijn zakelijken en toch niet drogen betoogtrant, is hij goed te volgen. Huwelijk en Echtscheiding. In een artikel over bovenstaand onderwerp schrijft de „Avondpost" o.a.: Wij hadden het over tweeërlei moraal. Die is er ook elders. Men moet er eens op letten, hoe „de menschen" verschillend handelen ten aanzien van hem (of haar), die zich heeft schuldig gemaakt aan b.v. een eigendomsdelict en hem (of haar) die in strijd handelt met de huwelijkstrouw. Menschen, die gestolen hebben, al is het nog zoo weinig, en hun schuld hebben geboet, worden door de samenleving gewoonlijk als besmet beschouwd. Niet zelden worden zij uit den omgang geweerd, zooveel mogelijk althans; er blijft vaak hun geheele leven een schaduw vallen over hun naam en hun reputatie. Maar zijn, die huwelijks-ontrouw plegen, worden als regel heel wat milder beoordeeld, en men denkt er niet aan den royalen en loyalen omgang met hen te verbreken. Toch is het zeer de vraag, of dit in talrijke gevallen niet veel ernstiger is dan een vergrijp tegen den eigendom, soms in wanhoop of nood gepleegd. Wij, menschen, laten onder elkander de heiligheid der huwelijks-verbintenis nog veel te weinig in onze opvattingen doordringen. --- LETTEREN EN KUNST. Bela Bartok. ZIJN VIJFDE STRIJKKWARTET. „ . . . besliste, heldere, onontkoombaardwingende muziek ..." AMSTERDAM, 29 November 1937. Het Nieuw Hongaarsch Strijkkwartet was verleden Woensdag reeds op het hoofdstedelijke podium verschenen, en als wij er zoo kort nadien wederom aandacht aan schenken, dan is dit vanwege het feit, dat het ensemble Zaterdagavond in het kader van de Concertgebouw-kamermuziek een uitvoering gaf van Bela Bartók's vijfde strijkkwartet. Een noviteit en een reprise. Het Nieuw Hongaarsch Strijkkwartet voerde het stuk in het voorjaar voor het eerst te Amsterdam uit of een concert van de Sectie Holland der International Society for Contemporary Music. Maar de bezoekers van de kamermuziekavonden van het Concertgebouw hebben niet de gewoonte de concerten der Sectie te frequenteeren. Zoo was het voor hen dus Zaterdag een allereerste kennismaking. En voor ons beteekende deze hernieuwde auditie een verhoogd genot. Want in de rij van Bartók's strijkkwartetten is dit vijfde lang niet het minste, schoon het ons iets minder geavanceerd van stijl voorkomt dan de voorgaande. Misschien kan men zeggen, dat Bartók hier meer Hongaar is geweest, dan in zijn vorige werken voor strijkkwartet. Maar dit beteekent volstrekt niet, dat hij daair zijn nationaliteit verloochend zou hebben. Het staat buiten twijfel, dat men in dit vijfde de folkloristische herkomst van de muziek gemakkelijker herkent. In de stembehandeling, in de melodie en in het rhythme zijn de kenmerken van de nationale muziek zonder veel moeite aantoonbaar. Het „alla bulgarese" van een der deelen is een andere duidelijke aanwijzing, het volksmelodie-citaat, dat tegen het slot van het werk optreedt, is eveneens een verschijning, die men in vorige kwartetten niet tegen komt. Met dat al geloof ik toch, dat Bartók hier in wezen nog even ver van het muzikaal folklorisme verwijderd blijft, als hij het vroeger reeds was. Wellicht is hij hier alleen guller ten opzichte van zijn eigen invallen, hij geeft er vrijer den teugel aan. Het werk is daardoor zeker typeerender geworden voor de door afstamming en geboorte bepaalde mentaliteit van den componist, die zichzelf en zijn landgenooten beschouwt als behoo rend tot een Oostersche cultuur. Maar in werkelijkheid doet dit aan Bartók's compositorische principes geen afbreuk, het wijzigt ze zelfs niet eens. Men moet zich natuurlijk in deze geestesgesteldheid kunnen inleven, maar dit was evenzeer een vereischte bij de vroegere, mo gelijk nog meer geabstraheerde strijkkwartetten. De algemeene geldigheid van deze taak is niet minder geworden. De sterke vormkracht van dit vijfdeelige werk, waarvan de hoekdeelen de pijlers zijn, die twee langzame Satzen met in het midden een Scherzo schragen, wordt niet gebroken door de macht, waarmee de spontane inval door zet. Integendeel. Ik meen, dat juist de beteekenis van dit kwartet ligt in het even wicht tusschen den monumentalen, gesloten bouw en de vrijheid, waarmee een improvisatorisch element hier zijn kans kreeg. De improvisatie, dit vrijelijk gehoor geven aan den inval van het oogenblik is ten allen tijde een kenmerk geweest van volksmuziek, een bewijs van oer-muzikaliteit, in perioden van hoogere gecultiveerdheid meestal verloren geraakt, maar niet in Hongarije, dat zijn nationale muziek tot op den dag van heden wist te bewaren. Het is nog veel te vroeg om ten aanzien van Bartók's ontwikkeling algemeene conclusies te trekken Maar wel kan men reeds vaststellen, dat hij erin geslaagd is, op de basis der traditie blijvende, de verbinding met een hoogere cultureele faze tot stand te brengen. Mocht dit vijfde kwartet de beteekenis hebben, dat Bartók tot de directe, natuurlijke musiceerwijze van zijn ras weet terug te keeren, dan is er hier sprake van belangrijke winst, waarmede de figuur van den componist zich nog grooter afteekent in het al te zeer door internationale tendenzen vervaagde beeld, dat het muziekleven van onze dagen oplevert. Dan wordt hij nog meer de groote nationale componist, die de muziek van zijn land tot de allereerste orde wist te verheffen. En die daarmee iets maakt, dat nog iets meer is dan nationale muziek: een kunst, die tot een graad van universeele verstaanbaarheid stijgt; wier werkingsfeer en bevruchtende invloed internationaal is. Want het is het ondoorgrondelijke geheim van kunst, dat zij meer kansen maakt gemeengoed te worden naarmate haar karakter meer bepaald is door de atmosfeer, het klimaat, den bodem (als dit Woord nog niet uitsluitend wanbegrip oproept) waartoe zij behoort. Daarom is in lang vervlogen tijden het volkslied ook nooit voor een grens blijven stil staan. Of deze speculatiën ten aanzien van Bela Bartók ooit bewaarheid zullen worden? Slechts de tijd kan ons dit leeren. Voorloopig kunnen we al meer dan tevreden zijn met muziek, die zulke belangrijke perspectieven opent. En meer meer nog met de levende realiteit van dezen klank. Deze besliste, heldere onontkoombaar dwingende muziek, dit in elkaar grijpen van vier simpele strijkersstemmen, waaraan de wonderlijke timbres ontspringen. Muziek, die getuigt van driftige bezetenheid, maar ook van grondelooze verspilling. Een kracht, die nooit twijfelt. Voor het Nieuw Hongaarsch Strijkkwartet is deze uitvoering andermaal het bewijs geworden van de magistrale beheersching der materie, die dit ensemble eigen is, en van zijn stralende muzikaliteit. Met Haydn en Schubert daarbij of dit programma heeft de stampvolle kleine zaal Zaterdag een hoogtepunt van het seizoen beleefd. —kr—. --- EMSER-WATER EMSER-WATER is reeds sedert eeuwen het beste middel tegen VERKOUDHEID - GRIEP Recl. 44906 8 --- SANOSTOL! FL 1.40 PER FLACON • IN APOTHEKEN EN DROGISTERIJEN Recl. 2018 19 --- JEAN LAUDY TE VENLO. De schilder gehuldgd in zijn geboorteplaats. Zaterdagmiddag had op het stadhuis te Venlo voor een uitgelezen publiek, de opening pl|^ts van de eere-tentoonstelling van werken van de noud-Venlonaar Jean Laudy, die als kunstschilder te Brussel gevestigd is. Namens het huldigingscomité gevormd ter gelegenheid van des schilders 60 sten verjaardag heette burgemeester mr. B. Berger den heer Laudy en zijne echtgenoote welkom in Venlo, waarbij aan mevr. Laudy bloemen werden aangeboden. Na eene fraaie inleiding door den heer Alf. Laudy, hoofdredacteur van De Tijd — waarin de ontwikkelingsgang van den schilder op zeer kunstzinnige en delicate wijze werd weergegeven, verklaarde burgemeester Berger de tentoonstelling, welke tot 5 December duurt voor geopend. Hierna maakten de aanwezigen een rondgang door de tentoonstellingszalen, waar de fraaie werken van den kunstenaar aller aandacht trokken. --- JAN BAKHOVEN. In het Stedelijk Museum te Maastricht. Zaterdagmiddag had in het Stedelijk Museum te Maastricht de opening der jubileumtentoonstelling plaats van werken van Jan Bakhoven, den schilder met zijn speciale visie op kermis- en carnavalsvermaken. Deze tentoonstelling was georganiseerd ter gelegenheid van den vijftigsten verjaardag van den schilder. De heer J. Schaepk'ens van Riempst, wethouder van Onderwijs en Schoone kunsten verrichte de openingsplechtigheden. Hierbij memoreerde spreker de atmosfeer, die er hangt om de kunstkringen in Maastricht, hetgeen voor hem eerst aanleiding was geweest om te weigeren hier een woord te spreken. Bij nader aandringen heeft hij het toch gedaan om den 50sten verjaardag van Jan Bakhoven, een niet Limburger, doch met een speciale visie op het Limburgsche leven. Hij feliciteerde Bakhoven vervolgens met zijn jubileum en betreurde het dat nog geen betere behuizing voor de kunst is tot stand gekomen. Misschien komt dit wel als er een betere verstandhouding is gekomen tusschen de kunstbroeders. Meer wil spr. er niet van zeggen, alleen nog dit: dat hij niemand het recht geeft het alleenzaligmakend oordeel te bezitten over de Limburgsche kunst. Overigens deelt hij geheel het standpunt van B. en W. in deze kwestie. Hierna werd een rondgang langs de verschillende stukken gemaakt. --- LIMBURGSCHE KUNSTKRING. In de bovenzaal van de Sociëteit Momus te Maastricht sprak Zaterdagavond voor leden en genoodigden van den Limburgschen Kunstkring de letterkundige Robert Franquinet uit Beek over het zeer actueele onderwerp „De hedendaagsche Limburgsche Kunst". De spreker werd ingeleid door den heer Jean Kuipers, die na gewezen te hebben op de actualiteit van het onderwerp, mededeelde, dat de heer Franquinet daarover een boek samengesteld heeft, dat hopelijk spoedig zal verschijnen. De heer Franquinet bepleitte in zijn lezing de bestaanswaarde van een gewestelijke cultuur en kende haar zelfs een voorname rol toe. Voor een goede nationale cultuur is de regionale noodzakelijk. Sterker nog, de groote cultureele stroomingen vinden hun wieg in een bepaalde regionale cultuur. Een groote gezonde regionale cultuur is dus een zegen voor een volk. Zoo moeten Limburgers hun cultuur beschouwen en hooghouden. Spr. besloot met 'n karakteriseering van da Limburgsche kunst. ---