DE INSINUATIES DUREN VOORT. In „Het Liberale Weekblad" van 15 April verklaarde mr. Wendelaar, voorzitter van de liberale Tweede-Kamerfractie, zich volkomen tevreden over het ministeriëele antwoord inzake Oss. Wanneer ik zie, wat deze interpellatie heeft opgeleverd, dan constateer ik vooreerst dat de Kamer in overgroote meerderheid overtuigd werd door de klare en bondige inlichtingen van den minister, dat daarentegen in sommige persorganen een gevoel van onbevredigdheid aan den dag treedt. Hoe is dat te verklaren? Hier en daar in de pers kan men de bewering' vinden dat de minister de feiten onjuist stelde, maar als die bewering waarheid zou bevatten, dan is toch alleen maar aannemelijk, dat des ministers ambtenaren hem verkeerd zouden hebben voorgelicht. Want dat de minister de feiten anders zou voorstellen dan ze hem waren medegedeeld is voor iemand, die mr. Goseling kent, uitgesloten. Welnu, wanneer de feiten dus in werkelijkheid anders zijn geweest, dan ze den minister en, door zijn mond, aan de Kamer zijn medegedeeld, dan mag men dat noch aan de Kamer, noch aan den minister wijten. Het zou in dat geval van belang zijn om thans in alle rust en kalmte het bewijs te brengen dat de feiten inderdaad anders zijn geweest. De heer Wendelaar gelooft niet, dat men dit bewijs zal brengen, een verwachting, die wonderwel klopt met al hetgeen wij na de interpellatie gelezen hebben. Wat de minister zei, aldus de heer Wendelaar terecht, „was inderdaad zóó klemmend, dat er geen speld tusschen te krijgen was; dat kon ook niemand vrijwel de geheele Kamer was overtuigd, dat een eerlijk man er in geslaagd was zijn beleid te verdedigen." En de schrijver besluit: Uit de door den minister opgesomde gevallen bleek heel duidelijk, dat de brigade Oss der marechaussee, in strijd met de belangen van het volk, meermalen buiten hare bevoegdheid was gegaan en onnoodig hard was opgetreden. Dat de minister daaraan een eind heeft willen maken was niet alleen zijn goed recht, het was zijn plicht. Zoo zag het de overgroote meerderheid der Kamer. De heer Wendelaar heeft den moed van zijn overtuiging en hij teekent die met zijn naam. Vlak na hem krijgt in hetzelfde weekblad „een geestverwant" het woord. Deze heer vertelt geen feiten, die de heer Wendelaar vraagt, hij gaat fantaseer e n. Dat is veel gemakkelijker. Hij zal de „psychologische sfeer" teekenen. Dat gaat zoo: Niemand is ooit ontkomen aan den indruk, dat er daar in Oss taai en machtig verzet wordt geboden aan de reiniging van dien Augiasstal. Dit verzet bepaalt zich niet tot Oss; in breeden kring heerscht de meening, dat dit een zeer specifiek Brabantsch verschijnsel is, waarin het geestelijk gezag van den roomschkatholieken clerus, die daar oppermachtig is, een rol speelt. Wij deelen deze meening. Wij verzoeken echter, ons goed te begrijpen. Wij denken er niet aan te beweren of te insinueeren, dat de geestelijkheid de misdaad steunt tegen politie en justitie. Wel echter hebben wij den indruk, dat de geestelijkheid sterk geneigd is alles, wat de geloovigen (en dat is zoo ongeveer de heele bevolking) betreft, zelf te bedisselen en te beredderen, en daarbij liefst geen inmenging van eenig ander gezag heeft. Dit is trouwens de meer en meer gehuldigde en doorgevoerde roomsch-katholieke opvatting, uiting en consequentie van het autoritair gezag van de kerk op alle levensterrein. Deze opvatting heeft als zuurdeesem het roomsche leven doortrokken. Waar haalt deze anonieme schrijver het recht vandaan, zijn kwaadaardige fantasie, die niets hoogenaamd met de feiten te maken heeft, als waarheid voor te stellen? Laat hij eens één voorbeeld geven, dat katholieke priesters in Brabant de (overigens in het geheel niet bestaande maar juist met de katholieke leer vierkant strijdige) opvatting zouden verkondigen, ja practizeeren, dat de kerk autoritair gezag heeft op alle levensterrein en dat zij met name op onoirbare wijze zich bemoeien zou met het werk van politie of justitie. De schrijver in „Het Lib. Weekblad" heeft de alle perken te buiten gaande vrijmoedigheid te insinueeren: Dit wereldlijk gezag is bovendien in het Zuiden gewoonlijk samengesteld uit trouwe zonen der kerk, die reeds uit overtuiging den grootstein eerbied koesteren voor de geestelijkheid en zich tot gehoorzaamheid aan 'haar verplicht achiten. Het moet tot opmerkzaamheid, en tot gezond wantrouwen dwingen, dat de felle en sensationeele bestraffing van de Ossche marechaussee onmiddellijk is gevolgd op de berichten, welke er van gewaagden, dat ook Ossche geestelijken in een politieel onderzoek betrokken waren geworden. Men mag dit geen anti-papisme noemen, Wamt er bestaat nu eenmaal papisme. Is het niet diep treurig, dat hier op sluwe Wijze toch wordt geïnsinueerd, wat vies antipapisme zegt, dat nl. katholieke ambtenaren niet schromen hun ambtseed te schenden? En wat zegt men van de insinuatie, die daarop volgt en blijkbaar bedoeld is als bewijs? Men mag dit geen anti-papisme noemen, zegt deze anonieme lasteraar, vermits in zijn fantastisch brein nu eenmaal een papisme bestaat, dat geen katholiek aanvaardt. En hij besluit: De opvatting, dat in protestanitsch milieu hetzelfde zou kunnen gebeuren, bestaat nergens. Dat deze opvatting nergens bestaat in Nederland, is een gevolg van het feit, dat wij, katholieken, te fatsoenlijk zijn, om aan onze landgenooten zonder eenig bewijs de lasterlijke beschuldiging in de schoenen te schuiven, dat zij hun ambtsplicht wel zullen verWaarloozen, als hun dat dienstig voorkomt. Lasteraars als in „Het Lib. Weekblad" tegen ons modderen, mochten wenschen wat Van die opvoeding te pakken te hebben. • » * Hij is niet de eenige. In „De Waag" van 16 April vindt men een plaatje, waarop een mijnheer voorkomt, die blijkbaar mr. Goseling moet voorstellen; het bijschrift luidt: DE JUSTITIE ONTWAPEND. — Ja maar — Mondje dicht Mevrouw; trouwens U Weet heel goed, dat de gerechtigheid ondergeschikt is aan het Departement van Justitie. Deze gemeene insinuatie wordt uitgewerkt in een artikel, dat tot titel draagt: „Oss en de macht van den Clerus." Een „bijzondere medewerker" onthult daar: Verschillende andere feiten namelijk, welke zich zouden hebben voorgedaan en welke ontoelaatbare vergrijpen betreffen, echter door enkele andere personen begaan, schijnen immers wel degelijk te moeten worden doodgezwegen, omdat wereldlijke en vooral kerkelijke machten in ons land, welke sterker zijn dan de macht van wat zuiver recht is, zulks noodig vinden. De feiten „zouden" zich hebben voorgedaan en „schijnen" te worden doodgezwegen, maar ook deze schrijver wacht zich wel, feiten te noemen. Hij verzekert met stalen gezicht, dat „men" te Oss mededeelingen krijgt, „welke zonder uitzondering onbetwistbare aanwijzingen zijn, dat er inderdaad en wel degelijk dingen gebeurd zijn, welke het daglicht niet kunnen zien, doch dat de hoogste autoriteiten — speciaal de clerus — gezegd hebben: deze quaesties gaan niet naar buiten en daarmee basta." Men ziet, dat de feiten alweer „aanwijzingen" zijn geworden. Even verder vernemen wij: Mocht de wachtmeester nu eens recalcitrant worden, z'n positie opzij gooien en zeggen: „Het kan me allemaal niets meer schelen, maar ik wil zeggen wat ik vond", ja, dan zou er wat kunnen loskomen, want dat men raar zou opkijken, wanneer de dossiers werkelijk geopend zouden worden, staat voor mij wel vast. De „aanwijzingen" blijken nu opeens te berusten bij.... ja bij wien eigenlijk? Het merkwaardige is, dat „De Volkskrant" van 19 April er de aandacht op vestigt, dat het „Utrechtsch Nieuwsblad" mededeelingen bevatte, die alleen van bedoelden wachtmeester afkomstig kunnen zijn, zoodat deze zich aan schending van het ambtsgeheim zou hebben schuldig gemaakt. Tot dusver hebben wij nog geen antwoord op de vraag, wie aan de „N. R. Ct." mededeelingen verstrekte, welke werden aangediend als van „bevoegde zijde". Meer en meer krijgen wij den indruk, dat de campagne uit Oss door zeer enkele personen wordt geleid en dat deze lieden — al of niet door ambtenaren gesteund — een lawaai maken als van een heele legerschaar! Het volk echter weet dat niet. Het wordt overstroomd met berichten, die eerder insinuaties moeten heeten, berichten, waarover meer dan één katholiek het zijne zou kunnen zeggen, indien ambtsplicht het niet verbood. Gelukkig, dat intusschen gerechtelijk wordt opgetreden tegen uitlatingen, die een beleediging zijn voor het gezag in al zijn justitieele en politieele organen. --- Jeanne Bieruma Oosting. „Cortêge monstrueux". (Rotterdamsche Kunstkring.) Jeanne Bieruma Oosting. „Cortêge monstrueux". (Rotterdamsche Kunstkring.) --- Victoria water ïï Het beste Bronwater ktorta vreter Keel. 844 6 --- DE GOEDE HERDER ZOEKT HET VERLOREN SCHAAP. Drie Kwart eeuw geestelijk reddingswerk in Nederland. Op Zaterdag, 2 April 11., werd op het buitengoed „Larenstein" bij Velp door den aartsbisschop van Utrecht plechtig ingezegend en daarna door Z.Exc. den minister van justitie officieel geopend het door het architectenbureau Eduard Cuypers nieuw gebouwde paviljoen van een der schoone liefdewerken van de bekende congregatie der religieuzen van den Goeden Herder. Rondgaande door het nieuwe gebouw werd ons oog getroffen door een groote wereldkaart, waarop stonden aangegeven de plaatsen, waar de religieuzen van den Goeden Herder zich overal ter wereld hebben gevestigd, met overal hetzelfde sociaal en geestelijk doel: de zedelijk gevaarloopende en gevallen meisjes onder haar bescherming te nemen om haar voor erger te behoeden, haar op te heffen uit haar gevaarlijk milieu, teneinde haar later weer als nuttige leden der samenleving in de maatschappij terug te brengen. Op deze wereldkaart telden wij toen niet minder dan 341 stichtingen van den Goeden Herder, tot in China en Japan toe, tezamen met 9322 bedienende religieuzen van deze congregatie. Oorspronkelijk een Fransche congregatie uit Angers, kwamen deze religieuzen in 1860 naar ons Nederland om op verzoek der bisschoppen ook hier te lande haar apostolisch werk te beginnen. Opmerkelijk is, dat de congregatie van den Goeden Herder een der eerste vrouwelijke kloosterstichtingen is geweest, die zich na 't herstel der bisschoppelijke hierarchie in 1853 in Nederland kwamen vestigen. Het doel der congregatie: meisjes, die reeds gevallen waren en andere, die den verkeerden weg dreigden op te gaan, te trachten te redden en tot een hooger levensinzicht te brengen dateerde reeds uit de zeventiende eeuw, toen de heilige hervormer der goede zeden, de H. Joannes Eudes, de congregatie had opgericht van O. L. Vrouw van Liefde, welker leden de leiding kregen van de zoogenaamde door Joannes Eudes gestichte „refuges", waar de zedelijk gevaar loopende meisjes een toevluchtsoord konden vinden. Tot deze congregatie behoorde ook de nu zalige Maria van de H. Euphrasia Pelletier, die de eigenlijke stichteres is geworden van de congregatie van O. L. yrouw van Liefde van den Goeden Herder te Angers, het moederhuis, dat nu 341 nederzettingen telt over de geheele wereld. De „Refuges" van den heiligen Joannes Eudes waren aanvankelijk locale ondernemingen geweest, die van elkaar onafhankelijk stonden. Moeder Pelletier, die aangezocht was om een dergelijk huis ook te Angers te stichten, werd later aangezocht ook in andere steden soortgelijke filialen op te richten. Door Gods geest geleid ging Moeder Pelletier hier niet op in, tenzij de kerkelijke overheid er mee accoord zou gaan, dat het huis te Angers het moederhuis zou worden en dus een generalaat, waaronder alle andere huizen zouden ressorteeren, die van dien tijd af nog zouden worden opgericht. Zóó zag Moeder Pelletier alleen de mogelijkheid, dat haar congregatie zich voor de toekomst niet alleen zou bepalen tot Frankrijk alleen, maar dat zij ook haar werkzaamheid zou kunnen uitstrekken over heel de wereld. Van Angers uit zou de congregatie dan worden bestuurd, de overste van dit huis zou tevens het opperbestuur voeren over alle andere huizen, in Angers ook zou het algemeen noviciaat worden gehouden en de postulanten worden gevormd. Zóó alleen, dacht Moeder Pelletier, zou de ware en goede geest kunnen gehandhaafd worden. Want naast de gewone drie geloften moesten de religieuzen van deze congregatie, nog in den geest van den heiligen Joannes Eudes, nog een vierde gelofte afleggen, en wel deze, dat zij zich altijd zouden geven aan de bekeering van arme zondaressen. Na veel moeite en strijd werd de stichting van Moeder Pelletier in 1835 door-Paus Gregorius XVI erkend en goedgevonden. Naar het huis te Angers, dat van ouds „de Goede Herder" heette, zou de congregatie nu voortaan den naah dragen van „O.L. Vrouw van Liefde van den goeden Herder van Angers", zoodat ook de geest van den zaligen Joannes Eudes daarbij nog eerbiedig werd bewaard. Nog tijdens het leven van de zalige moeder Pelletier bereikte de congregatie een zeer hoogen bloei en telde bij haar dood reeds 110 huizen, waaronder ook een eigen provincie in Nederland. Het initiatief om ook in Nederland een afdeeling van den Goeden Herder te stichten is uitgegaan van den eersten bisschop van Haarlem na het herstel der hierarchie, den vromen mgr. van Vree. De bisschop wist, dat ook Hollandsche meisjes als postulanten te Angers waren ingetreden, en onder haar waren dochters van bekende katholieke families. En nu was 't streven van mgr. van Vree om dezen voor een nieuwe kloosterstichting naar Nederland te doen overkomen. Maar de opzet was niet gemakkelijk. Eerstens meende Moeder Pelletier, met wie de bisschop zich in verbinding stelde, dat haar Hollandsche postulanten nog niet voldoende gevormd waren om een eigen stichting te gaan beginnen, en anderzijds had de bisschop in eigen land veel vooroordeelen te overwinnen zoowel van geestelijken als leeken, die de meening waren toegedaan, dat met meisjes, op wier redding de Goede Herder speciaal was aangewezen, op den duur toch weinig eer zou zijn te behalen. Maar mgr. van Vree zette moedig door, met bemiddeling van een commissie, die hij daartoe benoemde,, werd bereids een terrein onder Leiderdorp aangekocht, waar eerstdaags de nieuwe kloosterstichting zou verrijzen. Eindelijk in 1860 gaf Moeder Pelletier zich gewonnen en zouden de drie eerste zusters van den Goeden Herder uit Angers in Holland arriveeren. Einde Maart van dit jaar kwamen deze eerste zusters alle Nederlandschen van geboorte, te Rotterdam. Zij brachten den eersten nacht aldaar door ten huize van de bekende Angélique de Kuyper, die zelve te Rotterdam een kleine religieuze congregatie had gesticht onder den naam van „Arme dienstmaagden van Jesus" en die ook een der grondlegsters is geweest van het latere Sint Antoniusgesticht en van het Liefdewerk voor de arme kerken aldaar. 30 Maart 1860 werd de stichtingsdag van de Nederlandsche afdeeling van den Goeden Herder te Leiderdorp, nu dus reeds 78 jaar geleden. Het nieuwe huis te Leiderdorp was onderwijl gereed gekomen, maar, alvorens de nieuw aangekomen zusters haar taak zouden beginnen, stelde mgr. van Vree de voorwaarde. dat het klooster ter publieke bezichtiging zou worden gesteld, zeer tot verwondering van de religieuzen, die meenden, dat zij volgens haar regel tot een streng slot verplicht waren. Maar de wijze mgr. van Vree had goed gezien. Hij kende de praatjes en verdachtmakingen, die reeds nog vóór het betrekken van het klooster in omloop waren, vooral met het oog op de meisjes, die hier een toevlucht zouden krijgen. De publieke bezichtiging van het nieuwe klooster werkte dan ook sterk op de algeineene belangstelling. Onder de eersten, die zich aanmeldden, was een officier van justitie, die alles van den kelder af tot de zolders toe nauwkeurig opnam. Op een gegeven oogenblik viel 't aan zijn aandacht op, dat in de vloeren van de werkplaatsen en eetzalen hier en daar planken nog los lagen. Dit was gedaan, teneinde zich nu en dan te kunnen vergewissen, of de benedenvloeren wel droog bleven. Maar de officier van justitie gelastte, dat men die planken zou oplichten. Men kon nooit weten; het praatje was gegaan, dat onwillige penitenten weieens zouden worden opgesloten. Den o_..'cier werd betoond, dat alleen meisjes, die zich uit vrijen wil aanmeldden, zouden worden opgenomen, niemand zou gedwongen worden tegen wil en dank in het gesticht te blijven, te allen tijde zouden de meisjes vrij blijven het huis te verlaten. Maanden lang duurde nog het nieuwsgierig bezoek, o.a. nog van Allard Pierson, toen nog predikant van de Waalsche gemeente, later de schitterende hoogleeraar van de Amsterdamsche universiteit. De eerste Goede Herder zou bestaan uit twee afdeelingen, een voor gevallen meisjes, de klasse der zjg. penitenten, en een voor meisjes, die in groot gevaar verkeerden, of in een verkeerd milieu leefden, de klasse der z.g. préservées. Het eerste jaar begon met 12 penitenten en drie préservées. De eerste jaren waren jaren van moeilijk bestaan. De Goede Herder had nog altijd niet de ware sympathie gewonnen. En toch: was 't niet een van de schoonste werken van barmhartigheid, waartoe Christus zelf bij zijn aardsche leven het eerste voorbeeld had gegeven ? Hij die de overspelige vrouw vergiffenis verleende, Hij, die de ontmoeting wilde met de zondige Samaritaansche, die een heilige werd, Hij, die Zijn groote vriendschap schonk aan Maria Magdalena, die 't eerst den verrezen Christus mocht aanschouwen, Hij, die zich bij voorkeur de Goede Herder noemde, die de kudde achterliet om het verloren schaapjete gaan zoeken. De eerste jaren bleven moeilijk, weinig inkomsten, geen voldoende werk om den meisjes bezigheid te geven. Na drie jaar bestaan moest de klasse der préservée's voorloopig voorden opgeheven. Maar toen werd als overste benoemd zuster Maria van den H. Jozef, een juffrouw Everard uit Amsterdam, wier aanzienlijke familie weldra tot de groote weldoeners van de stichting mochten worden gerekend. In plaats van naai- en breiwerk, dat den meisjes weinig en geen voldoende bezigheid gaf, werd nu een groote wasscherij geïnstalleerd, de wasscherij zou tot op den dag van heden voor een groot deel de inkomsten van de Goede-Herderstichtingen garandeeren. Einde 1887 telde Leiderdorp nu 116 verpleegden met 70 Nederlandsche zusters, — men had ook een eigen noviciaat opgericht —, en steeds moest tot uitbreiding worden overgegaan. De Nederlandsche bisschoppen toonden zich de edelmoedige beschermers van den Goeden Herder. Van nu af ging 't met sprongen omhoog. De préservées wier afdeeling dn 1863 moest worden opgeheven, kregen in 1879 in Haarlem weer een eigen tehuis, dat in 1923 werd overgeplaatst naar het nieuw gebouwde St. Josefsgesticht te Bloemendaal. In 1892 ging men over tot de stichting van een „Goeden Herder" op het buitengoed „Larenstein", dat nu met de opening van het nieuwe paviljoen in April j.L tot een van de mooiste stichtingen in ons land is geworden. In 1917 werd door de zusters van den Goeden Herder te Haarlem een nieuw tehuis „Maria Immaculata" geopend voor jeugdige vrouwelijke veroordeelden. Mede werd te Bloemendaal bij ministerieele beschikking door de zusters opgericht een observatiehuis, waar kinderen tijdelijk in observatie worden genomen. De kinderen zijn hier in drie groepen verdeeld, eerstens kinderen, waarvoor men met reden vreest, dat zij een zedelijken en lichamelijken ondergang tegemoet gaan, en die voor hoogstens drie maanden worden opgenomen. Ten tweede strafrechterlijke kinderen, die op bevel van den rechter-commissaris voor zes weken hier worden geplaatst om daarna weer naar huis terug te keeren. De derde categorie zijn de preventieve kinderen, minderjarigen, die hier in voorarrest worden gehouden, wijl zij van eenig misdrijf worden verdacht. Men ziet, dat met den grooten opbloei der congregatie, ook steeds het arbeidsterrein der zusters was verruimd, maar dat 't steeds hetzelfde karakter bleef behouden en dezelfde lijn volgen, de bescherming en redding van het maatschappelijke bedreigde en gevaar loopende jonigemeisje en kind. In 1900 werd ook in Tilburg nog een Goede Herder gesticht, terwijl eindelijk de zusters zich ook met onze koloniën gingen bemoeien en zich eerst te Weltevreden gingen vestigen om daarna een model inrichting voor inlandsche meisjes te openen op Meester Cornelis. Zoo is de kleine bescheiden kloosternederzetting van den Goeden Herder, die in 1860 te Leiderdorp begon met drie zusters, uitgegroeid tot de model-inrichtingen, die thans in ons land en zijn koloniën algemeen worden gekend en gewaardeerd. Religieuzen, die bij de opening van het nieuwe paviljoen te Velp op 2 April j.1. door den minister van justitie werden geprezen om haar wijze en gelukkige paedagogie, die aan de practijk der eeuwen is getoetst, maar die toch eigenlijk wortelt in een zich zelf wegcijferende liefde en een bovenmenschelijke toewijding. Wij hebben hier bijna uitsluitend gewezen op de materieele ontwikkeling en bloei van de congregatie van den Goeden Herder hier te lande gedurende de 78 jaren van haar zegenrijk bestaan, maar hoe zouden wij hier nog bladzijden en boeken kunnen volschrijven over de gelukkige dankbare resultaten, die in dit reddings- en bekeeringswerk stil en onbekend zijn behaald. Zondige Magdalena's die als heiligen naar het eeuwig leven zijn overgegaan. Verloren kinderen, die hier den weg terug hebben gevonden naar de deugd en het eerbaar leven. „Iedere paedagogiek", schreef dr. Ritter onlangs, „is een verzameling van waarheden als koeien. Daarom moeten er waarschijnlijk zooveel leerstoelen worden opgericht in de paedagogiek. Wanneer wij aandachtiger zouden vertoeven bij den tafelstoel, dan zouden er misschien minder leerstoelen noodig zijn". De paedagogie van den tafelstoel is de paedagogie van het hart. En deze paedagogie schijnen de zusters van den Goeden Herder wel 't best te hebben begrepen. P. HYACINTH HERMANS. - i --- De Werkloosheid. Een rationeele verdeeling van den arbeid. „Als wij er in willen slagen de werkloosheid in te dammen, zullen wij toch iets moeten doen", schreef „De Maasbode" onlangs in een artikel, dat als ondertitel droeg: Wagen en winnen. De weg, dien de redactie aanwijst om tot een aanzienlijke beperking van de werkloosheid te komen, is: het uitvoeren van openbare werken op veel grooter schaal dan thans geschiedt en het stimuleeren van werken door particulieren. „Wat zou er tegen zijn, indien de overheid gedurende 'n paar jaar eens een 100 millioen leende, die binnen twintig jaar afgelost zou worden?" zoo vraagt de redactie. Inderdaad, de werkloosheid heeft voor ons volk zulke vreeselijke gevolgen, dat voor opheffing daarvan bijna geen offer te zwaar is. Het lijdt geen twijfel, dat op den langen duur honderdduizenden Nederlanders in een toestand van geestelijke ontwrichting zullen gaan verkeeren, die ons geheele volk zal besmetten. Het uitvoeren van openbare werken op zeer ruime schaal kan er zeker toe bijdragen, de werkloosheid te temperen. Maar de ervaring heeft ons wel geleerd, dat van de bedragen, die daarvoor worden besteed, steeds een hoog percentage noodig is voor materiaalkosten. Er zijn dan ook ontzaglijke bedragen noodig, om eenige tienduizenden menschen een behoorlijk langen tijd aan arbeid te helpen. Ik kan mij daarom levendig indenken dat een landsregeering een sterke aarzeling moet overwinnen, voordat zij kan besluiten, zulke ongekend hooge credieten aan te vragen. En onze regeering zal er wel niet aan denken, de methode van onze Oosterburen tot oplossing (?) van het werkloozenprobleem na te volgen. Gelukkig heeft ons land nog een goede financieele reputatie en het behoud daarvan is ook een landsbelang van de eerste orde! Waarom zou men de oplossing van dit nijpende vraagstuk niet zoeken in de veel meer voor de hand liggende methode van een rationeele verdeeling van den arbeid? Ik heb in ,,De Maasbode" van 2 October 1936 (Avondblad) het denkbeeld van een vijfmaandsch arbeidshalfj a a r ontwikkeld, en veroorloof mij, daar nog eens op terug te komen. Men gelieve zich eens in te denken, voor welk een zeer groot aantal arbeiders er werk zou vrij komen, indien in een massa bedrijven de werktijd in een half jaar tot vijf maanden zou worden beperkt. Een vluchtige berekening voor de gemeente Culem'oorg met haar vrij groote werkloosheid doet mij veronderstellen, dat deze inkorting van den arbeidsduur een behoefte aan arbeidskrachten zou scheppen, meer dan genoeg om alle werklooze ingezetenen weer in de fabrieken en werkplaatsen terug te brengen. Er is geen reden om aan te nemen, dat het elders anders zou zijn. Het spreekt vanzelf, dat de arbeiders (niet alleen zij, die handenarbeid verrichten) gedurende de maand, waarin zij werkloos zouden zijn, niet aan hun lot zouden kunnen worden overgelaten. De overheid zou door steunmaatregelen hen in de verhouding tot hunne behoeften, over dat tijdperk heen moeten helpen, in alle gevallen waar dit noodig zou blijken. Eveneens zouden er maatregelen noodig zijn om een sterken toevloed van al te jeugdige arbeidskrachten tot de bedrijven tegen te houden; daarvoor zouden verhoudingscijfers kunnen worden vastgesteld. Maar ik zeg het „De Maasbode" na: in deze geheel abnormale omstandigheden moet de regeering beschikken over abnormaal groote bevoegdheden. „Een maand werkloosheid per halfjaar kan (mits in de behoeften der gezinnen op redelijke wijze wordt voorzien) voor het „moreel" van de arbeiders zeker geen bezwaar zijn, integendeel kan het aan hun werkkracht ten goede komen", schreef ik in mijn artikel van 2 October 1936. En ik voeg er aan toe: de solidariteitsgedachte die in deze arbeidsgedachte opgesloten ligt, zou dunkt mij, de zorg van een maand gedwongen werkloosheid dragelijk kunnen maken. Ik sprak hierboven van een werktijd van vijf maanden, gevolgd door een maand nietwerken. Naarmate de arbeidsgelegenheid grooter wordt zou die tijd van werkloosheid uiteraard ingekrompen kunnen worden. Het lijkt mij geen gewaagde profetie, dat de toepassing van deze werkverdeeling, aangevuld met een beperkte werkverschaffing voor menschen die om bijzondere redenen geen plaats in een bedrijf kunnen vinden, zou lijden tot een bijna geheele opheffing van de werkloosheid. Dat de kosten van zoo'n maatregel de huidige lasten van de overheid voor de werkloozenzorg zouden overschrijden, wil er bij mij niet in. Een rationeele arbeidsverdeeling op de wijze, hier door mij in grove trekken aangeduid, is een eerlijk en een eerbaar middel, dat zeer zeker tot het beoogde doel zal leiden.. Waarom zou het dan niet eens geprobeerd kunnen worden, zij het ook voorloopig voor een of meer takken van bedrijf? Het denkbeeld zij der regeering ter overweging aanbevolen. Culemborg April 1938. KEESTRA. --- † DE WERKLOOSHEIDSBESTRIJDING. Uit de als steeds zeer hoogstaande rede, waarmede oud-minister de Geer de algemeene vergadering van de Christelijk—Historische Unie opende, bleek, dat ook hij niet tevreden was met de resultaten van de werkloosheidsbestrijding. Dat is trouwens geen wonder: daarmede kan niemand tevreden zijn, ook de regeering niet en deze is het dan zeker ook allerminst. Méér opvallend was, dat mr. de Geer daarbij uitsprak, dat moeilijkheden van credietopneming niet de verklaring konden geven van de geringe resultaten op het gebied der werkverruiming. De „Nederlander" noemt deze uiting van den oud-minister „belangrijk". De werkloosheid zelf zal op de conferentie te Lunteren worden besproken. Wel constateert het christelijk-historisch hoofdorgaan, dat het „opmerkelijk" was, hoe sterk de kwestie van de werkloosheid bij de vergadering bleek te leven. Het Tweede-Kamerlid Bakker stelde dan ook op de vergadering nog eens nadrukkelijk en onder applaus vast, dat een „geestelijk volkskapitaal" verloren ging, en dat de voedingsbodem voor het nationaal-socialisme werd gereed gemaakt. Naast het defensievraagstuk, aldus deze afgevaardigde, is dat der werkloosheid het belangrijkste. „Het is thans zoo, dat ons Nederlandsche volk niet op de eerste plaats om steun maar om werk vraagt." De regeering zal ongetwijfeld niets nalaten, om aan deze maar al te gewettigde vraag te voldoen. Dat is ontzettend moeilijk, moeilijker dan de gemiddelde man zich ook maar in de verste verte kan voorstellen. Maar met vereende krachten moet het gaan. --- NEDERL. MUNT W üjkj. BESTE SIGAAR Recl. 1977 6 --- UIT DE PERS. „Indonesië (niet meer) los van Holland". De „Volkskrant" schrijft: De communisten hebben de indrukwekkende leus: Indonesië los van Holland nü!" losgelaten. Op hun congres heeft de heer Louis de Visser meegedeeld dat zij in dit vraagstuk van standpunt zijn veranderd en dat nu het Trotzkisme (hier te lande Sneevliet c.s.) voor het verlaten standpunt propaganda maakt. Waaruit men kan zien welke verraders de Trotzkisten zijn! Waarom hebben de communisten hun standpunt gewijzigd? Omdat de onafhankelijkheid van Indonesië een in de kaart spelen zou zijn van den fascistischen vijand. Aanvaard dit gerust en erken dan hoe roekeloos de communisten jarenlang hebben gemanoeuvreerd. Zij hebben verlangd en geijverd voor iets dat, verwezenlijkt, Indië in het grootste gevaar zou hebben gebracht. Nu ze dit ervaren, wenden ze de steven. Maar welk vertrouwen verdient een partij die in letterlijke zin bij de dag leeft en geen oog voor de toekomst heeft? Het is met Indië als met de landsverdediging. Ook deze hebben de communisten (en socialisten) tot de grond willen afbreken. Nu is blijkens een verklaring van voorzitter Beuzemaker de communistische partij bereid „iedere maatregel van deze regering die gericht is op de verdediging van het land te ondersteunen", maar deze heer zegt er niet bij wat men had moeten aanvangen indien communisten en socialisten hun zin hadden gekregen en de weermacht tot de grond ware afgebroken. Daar praten ze liever niet over. --- Dralle --- LETTEREN EN KUNST. Jeanne Bieruma Oosting. Een uitgebreid en belangwekkend grafisch oeuvre. REISSCHETSEN VAN ARTH. STAAL. Jeanne Bieruma Oosting, een landgenoote, die veel in Parijs verblijft, ontplooit een breede werkzaamheid op het gebied van de grafische kunsten en de Rotterdamsche Kunstkring stelt ons in de gelegenheid kennis te maken met de resultaten van haar arbeid. Dit omvangrijke oeuvre strekt zich uit over velerlei technieken: houtsnede, litho, droge-naald, aquatint, vernis mou en zelfs de burijn-gavure wordt door deze ondernemende artieste beoefend. Daarbij is werk in verschillende toepassingen: reeksen in mappen, illustraties, exlibris. De onderwerpen zijn voorts zeer uitzonderlijk. Allereerst de tragische zijde des levens zien we v/eergegeven In beelden van dood, ziekte en krankzinnigheid. En ten slotte nemen de producten van een grillige, schrikaanjagende fantasie met spookverschijningen en hallucinaties een belangrijke plaats in. Het talent van mej. Bieruma Oosting is zeer vruchtbaar. De groote zaal van den Kunstkring hangt vol mfet haar werk en er is nog zooveel in portefeuille aanwezig, dat er nóg wel eens vier zulke wanden mee gevuld zouden kunnen worden. Het geheel geeft aldus den indruk, dat deze kunstenares wel wat al te gemakkelijk produceert. Zij laat zich te spoedig gaan op haar vele en veelsoortige invallen. Dat is vooral bij een talent van deze geaardheid een zeer ongewenscht verschijnsel. Want het is zoo moeilijk niet om, wanneer alle banden met de gekende realiteit verbroken zijn, langs den weg van een gedurfde fantasie een zeker effect te bereiken: te verrassen, te overbluffen en diepzinnig te schijnen. Maar successen van dezen aard hebben met beel­ dende /kunst niet te maken. Als het om de artistièk'e waarde gaat, vragen we ons alleen af hoe dat alles gerealiseerd werd, of het een eigen leven gekregen heeft, of het een zekere macht uitoefent op den toeschouwer, die dan, hoe vreemd de voorstelling ook is, eraan gaat gelooven. Want ook het meest verre visioen en de meest bizarre droom krijgt op de wijze der kunst een realiteit, die wij herkennen. Herkennen is een ander woord voor genieten; het zien van schoonheid is een weer-zien. Onze persoonlijke ervaring is nu, dat het werk van Jeanne Bieruma Oosting maar zeer ten deele overtuigt. Het „wil" veel meer zijn dan het in werkelijkheid is. De als „erg" bedoelde griezelgeschiedenissen uit de series „Rêves et Réalités" en „Visions et Fantómes" brengen volstrekt de beklemming niet teweeg waar ze voorgeven, uit ontstaan te zijn. De schimmen, monsters en skeletten spelen een ietwat ij dele rol. De verbeelding was niet krachtig genoeg om ze met een autonoom leven te bezielen en — laten we het er dadelijk bijvoegen, want het teekent het karakter van het geheel — hinderlijk is heel vaak een zekere armoede aan eenvpudige plastische uitdrukking, een slordigheid van vormgeving, die in geen andere kwaliteiten tegenwicht vindt. Waar Jeanne Bieruma Oosting dichter blijft bij de realiteit, neemt bij haar de uiting niet automatisch in belangrijkheid toe. Hier bedreigen haar weer andere gevaren. Haar zin voor het navrante en lugubere leidt in de „Accents plaintifs" (een zelfmoord e.d.) tot theatrale prenten, die precies het teveel hebben waardoor de tragiek in de drakerigheid omslaat. Dit noodlottige teveel is er ook in de serie „Les Folies". We .hebben nu echter zooveel te licht bevonden, dat het tijd wordt het waardevolle op deze merkwaardige tentoonstelling extra te laten wegen. Vooreerst blijkt Jeanne Bieruma Oosting dan een teekenares met een krachtige en oorspronkelijke visie op het leven der dieren. Haar vermogen toont zij in een onbehagelijke fantasie als de „Cortêge monstrueux" uit de it Visions et, Fantómes", maar ook in meer realistische voorstellingen als in de fijne gravures van een sprinkhaan op een distel, een opgerolde slang en een stilleven van zeer-schelpen. Daartusschen in zijn weer de illustraties bij klassieke fabels te rangschikken, Waarin de dieren wel hun normale verschijning hebben, maar toch van een bijzonder, meer verstandelijk dan instinctief leven , zijn bezield. Een meesterstuk in de uitbeelding van de dieïenwereld is de groote prent „Conté de fée" uit de serie „Rêves et Réalités." Zij stelt voor. den intocht van een vorstelijk paar met muziek voorop en met groot gevolg. Het heele gezelschap bestaat uit gecostumeerde dierfiguren, allemaal zeer geestig geobserveerd en te pas gebracht. Het komt ons voor, dat de kunstenares in deze milde sfeer van het sprookje (men zie ook de „Weensche Win ter-ballade") natuurlijker ademt dan in de wereld van 'nachtmerries en schrikgezichten. Merkwaardig is, dat in dit geval haar teekenwijze ook zooveel expressiever blijkt. Van de groote series is er slechts één, die als geheel werkelijk slaagde. In al deze reeksen komen zeer leege en slappe probeersels voor, maar een uitzondering vormt de cyclus „Les fenêtres a Paris". Het zijn Parijsche stadsgezichten bij avond (vernis mou), verlaten hoekjes en binnenplaatsen met dude huizen, leelijk en eenigszins vervallen. De zwarte donkere gevels worden doorbroken door hel-verlichte vensters, waarachter heel weinig of niets te 7ien is. Maar er gaat een groote suggestie van uit. Dit zijn huizen met een geschiedenis; de ramen getuigen van een geheimzinnig leven, dat zich achter die muren afspeelt. De slaperige, donkere, uitgestorven stad rondom is bewoond: overal is de mensch aanwezig en overal is er het menschelijk drama. Dit thema is met veel variatie behandeld en de herhaling ervan doet geen afbreuk aan de werking van het geheel. Integendeel, telkens weet de kunstenares met een nieuw geval de aandacht op te eischen en vast te houden, telkens neemt zij den toeschouwer op in de vreemde, geladen atmosfeer van de avondlijke stad, zooals zij die zag. Alleen al om dezen cyclus is de tentoonstelling de moeite waard, die overigens een uitgebreid en belangwekkend grafisch oeuvre laat zien, dat nog maar weinig bekend is. Een samenvattend eindoordeel erover te geven is vooralsnog zeer moeilijk. Het wil ons voorkomen, dat bij Jeanne Bieruma Oosting de fantasie niet vruchtbaar genoeg is om er een zoo uitzonderlijk oeuvre mee te voeden. Thans worden er te hooge eischen aan gesteld. Hiervan uitgaande zou men kunnen wenschen, dat de kunstenares zich niet al te ver verwijderde van de realiteit. Maar dan zou zij zich tevens moeten hoeden voor goedkoope effecten" in litteraire en caricaturale richting („Une vie manquée" b.v.). Niet de veelheid van motieven kan behulpzaam zijn het geheim der schoonheid te benaderen, maar slechts de moeizame worseling met het ééne om daar alles uit te halen. Daarvan toont deze tentoonstelling te weinig sporen. Het is wel opmerkelijk, dat de burijn-gravures zoo goed zijn, die uit den aard van de werkwijze langzaamheid en concentratie vereischen. Misschien ligt daarin een aanwijzing. Als we nu ten slotte nog een compliment mogen maken, is het er een aan het adres van.... het publiek. Uit hetgeen er verkocht werd blijkt wel, dat de bezoekers, van den Kunstkring uitnemend weten te kiezen en dat het goede en waardevolle, ook al is het zeer ongewoon, nog wel opgemerkt en gewaardeerd wordt in Rotterdam. • * » Arthur Staal, zoon van den architect, die de Rotterdamsche beurs bouwt, heeft vele duizenden kilometers per motor afgelegd en het is nauwelijks op te sommen waar hij allemaal is geweest. De reis werd ondernomen voor den Prix de Rome en onderweg is ijverig gewerkt. Maar deze teekeningen bezitten maar hoogst zelden iets van de bekoring, die schetsen van reizende architecten zoo dikwijls hebben. De werkelijke toewijding ontbreekt er aan, het zich liefdevol verdiepen in het bouwkunstig gegeven. Knap is dit werk zeer zeker, maar het is de holle, zinledige knapheid van dezen tijd, zonder geest en zonder houding. Arthur Staal moest bij een volgende gelegenheid zijn motor eens thuislaten en probeeren wat te zien.... JAN N. GOOISCHE SCHILDERKUNST. Zaterdagmiddag zal in de Kunstzaal van Hotel Hamdorff te Laren een tentoonstelling worden geopend van nagelaten werken van den in December j.1. overleden Larenschen schilder L .v. d. Tonge. De expositie bevat een tijftigtal doeken en zal tot 10 Mei geopend blijven. In het Raadhuis van Naarden zal jonkvrouw M. de Jonge, Zaterdagmiddag een tentoonstelling openen van haar teekeningen en aquarellen, welke impressies uit het Gooi en Naarden weergeven. VAN ABBE-MUSEUM IN EINDHOVEN De groote belangstelling, welke de Sluyterstentöonstelling in het stedelijk Van Abbemuseum te Eindhoven ondervindt, heeft het noodzakelijk gemaakt, deze expositie een week te verlengen. Zij is dus tot en met 1 Mei a.s. geopend. De tentoonstelling van de Amsterdamsche Federatie van Beeldende Kunstenaars-Vereenigingen, welke van 12 Maart tot 10 April j.1. te Antwerpen werd gehouden, heeft niet minder dan negen duizend bezoekers getrokken. Jeanne Bieruma Oosting. „l'Hotel particii' lier", ƒ'Uit de serie „Les Fenêtres a Paris".} ---