Luchtbescherming Jaarvergadering De algemeene vergadering van da afd. Delft der Ned. Ver. voor Lucht* bescherming wordt op Vrijdag 15 December a.s, des avonds te 8.15 uur, in het Gebouw lr Musica", Voldersgracht 12, gehouden. De agenda luidt: 1. Opening. 2. Voordracht van den heer W. A, Couzy, inspecteur van politie en hoofd van de brandweer te Leiden, overi „Branden, brandweer en luchtbescherming''. De voordracht wordt geïllustreerd met lantaarnplaatjes. 3. Pauze. 4. Huishoudelijke vergadering. a. Jaarverslag van den secretaris. b. Jaarverslag van den penningmeester. c. Verkiezing van 4 nieuwe bestuursleden. Het bestuur is zeer verheugd dat de volgende heeren een candidatuur hebben willen aanvaarden: N. W. van Diemen de Jel, oud-hoofd eener school} M. O. C. Keulen, arts; L. K. v. d. Klis, bouwkundige; mr O. G. Sap, notaris. Eventueeele voorstellen betreffende andere candidaten worden t/m. 13 December a.s. schriftelijk ingewacht bif den secretaris. De sterk uitgebreide werkzaamheden van het bestuur maken het dringencti noodzakelijk dat het bestuur met een aantal functionarissen wordt uitgebreid. Dit te meer, daar de heer D. A v. d. Heyde, wegens zeer drukke werkzaamheden voor den Luchtbeschermingsdienst, zijn bestuursman- ■ daat ter beschikking heeft gesteld. d. Rondvraag. 5. Sluiting. --- ENGELAND EN DE NEUTRALEN De natuurlijke verachting van den strijder voor het publiek, van den kruisridder voor den achterblijvende Dat de neutralen weigeren te erkennen, dat zij alleen bij een Engelsche overwinning gebaat zijn, maakt den Engelschman woedend Van onzen Londenschen correspondent DEN dag voor de oorlog uitbrak sprak ik met een paar Hollandsche vrienden af, dat wij in den vervolge in het publiek nog slechts Engelsch zouden spreken. Dat leek ons een vanzelfsprekende voorzorgsmaatregel om onaangenaamheden met onze oorlogvoerende gascheeren te voorkomen. Hollandsch zou immers door den man in de straat maar al te gemakkelijk als Duitscn kunnen worden misverstaan en ook al zou dit gebeuren, dan was het toc!i maar beter rekening te houden met de natuurlijke xenophobie (vreemdelingenstaat) van een oorlogvoerend lar.cl en zich niet in een vreemde taal te laten hóoren. Zoo dachten wij. Het is heel anders uitgekomen. En wij praten, na een dag met Engelsch geëxperimenteerd te hebben, weer rustig onze moedertaal. De xenophobie, die wij van den oorlog verwachten, is tot nu toe ten eenenmale uitgebleven en wij vreemde eenden in deze bewogen bijt worden nog met precies dezelfde royale vriendelijkheid en genegenheid behandeld als in vredestijd. Dat wil echter niet zeggen, dat onze gastheeren ook altijd even goed te spreken zijn over de houding van de neutrale landen, die wij vertegenwoordigen. Onze populariteit — als ik het zoo noemen mag — is een persoonlijke, niet een nationale. Onze nationale politiek vindt niet altijd de waardeering, die wij persoonlijk van onze gastheeren ondervinden. Zij geeft vaak aanaanleiding tot critiek en zachte verwijten, zij kwetst bij tijd en wijlen de gevoelens van onze Engelsche vrienden en vervult hen met meestal slechts half uitgesproken maar niettemin door ons duidelijk gevoelde grieven. Hoe die grieven ontstaan, waardoor de Engeischman zich vaak door ons teleurgesteld voelt, daarover wil ik hier het een en ander vertellen. Verachting voor „het publiek". De meest voor de hand liggende verklaring voor de gemengde gevoelens waarmee de Engeischman de neutrale volken beschouwt is van psychoiogischen aard. Op den bodem van zijn gemoed en nauwelijks bewust is er de lichte verachting, die elke strijdende, of hij nu op de tennisbaan, in den boksring of op het slagveld strijdt, voor de omstanders voelt. Het is de verachting van den man van de daad, die risico's neemt en zich inspant, voor veilige nietsdoende toeschouwers. D.1 instinctieve gevoel van minachting wordt des te sterker, wanneer de strijder meent voor een moreele zaak, voor God en zijn engelen, het heil der menschheid, beschaving of vrijheid, te strijden. Afzijdigheid bij een strijd van dezen aard voelt hij als een vergrijp. Hij kijkt op de afzijdigen neer zooals de kruisridder neerkijkt op den thuisblijver, of, zooals de frontstrijder neerkijkt op den deserteur. Afzijdigheid komt voor hem gelijk te staan niet geestelijke lafheid, of erger nog, met moreele verdorvenheid. Het „wie niet voor mij is, is tegen mij" komt in het spel. De Engeischman nu is er volstrekt van overtuigd, dat hij voor een hoogere zaak dan zijn eigen huid strijdt, zij het dan ook slechts incidenteel. Hij gelooft — en ik persoonlijk zou hem het recht tot dit geloof niet willen ontkennen — dat hij door de zoo vurig gehoopte overwinning niet allen 2ijn eigen land maar heel Europa van een afschuwelijke bedreiging zal verlossen. Geen wonder dus, dat hij zich vaak a 's een kruisridder gevoelt en daarvan in zijn houding tegenover de neutralen dikwijls tegen wil en dank blijk geeft. Deze gemiddelde Engeischman bezit immers niet de intellectueel® discipline die noodig is om er zich rekenschap van te geven, dat zijn bekeering tot het kruisridderschap van zeer recenten datum is, dat zij samen valt met zijn bekeering tot de overtuiging, dat zijn leven op het spel stond en hem derhalve niet het recht geeft neer te kijken op diegenen, die meenen hun leven op andere wijze te kunnen verdedigen dan door deelname aan den kruistocht. Hij vergeet, dat hij bij eerdere manifestaties van het kwaad, waar tegen hij nu ten strijde is getrokken, zooals in Tsjecho Slowakije of Albanië, dezelfde positie van voorzichtige onzijdigheid innam, die hij nu in zijn hart veroordeelt in de neutralen bij het huidige conflict. Dat is onbillijk, maar het is niettemin volkomen begrijpelijk en vergeefelijk. De mensch heeft nu eenmaal een kort geheugen, vooral voor zijn eigen onvolmaaktheden. Consequenties van neutraliteit. Datzelfde korte geheugen maakt het hem ook zoo moeilijk zich de consequenties van een neutraliteit voor eogen te houden die hij zelf eerst zoo kort geleden heeft opgegeveij. Engeland heeft zich door zijn oorlogsverklaring ten langen leste bevrijd van de noodzaak van diplomatieke voorzichtigheid, het kan eindelijk weer eens aan zijl* opgekropte gevoelens over Duitschland's wandaden lucht geven, het kan zijn hart laten spreken en zeggen wat het denkt en weet van Duitschland's concentratiekampen of van zijn diplomatieke manoeuvres. Het heeft zich om zoo te zeggen een nieuwe gewetensvrijheid en een nieuwe vrijheid van meeningsuiting verworven en dat gevoelt het natuurlijk als een weldadige verlossing. Even vanzelfsprekend gevoelt het zich lichtelijk teleurgesteld, wanneer het ziet dat de boekjes, die het nu over Duitschland kan opendoen, in de neutrale landen met reserve worden ontvangen en niet die graad van openlijke verontwaardiging opwekken die de gepubliceerde feiten schijnen te rechtvaardigen. Nog grooter wordt dan die teleurstelling en gegriefde ergernis wanneer deze landen weigeren de voor de hand liggende keuze te doen tusschen de Duitsche en Ehgelsche interpretaties van gevallen zooals de torpedeering van de Athenia of de ramp van de Simon Bolivar. Engeland — of liever gezegd de gemiddelde Engeischman — want het officieele Engeland mankeert het niet aan begrip voor de consequenties van neutraliteit — vergeet dat neutraliteit tot op zekere hoogte een abdicatie van het Onafhankelijke oordeel en een beperking van de vrije meeningsuiting gebiedt. Zelf verlost zijnde van de noodzaak tot diplomatieke voorzichtigheid geeft het er zich niet altijd rekenschap van dat anderen door de onverkwikkelijke consequenties van een strikt doorgevoerde neutraliteitspolitiek gedwongen worden hun houding tegenover de belligerenten volgens de formule van de kool en de geit te bepalen, hoe weinig toepasselijk die formule ook op de feiten mag zijn. Duitsche of Engelsche overwinning. Wat hem echter misschien nog het meest van alles hindert in het gedrag van de neutralen, is dat zij wéigeren te erkennen, dat zij bij een Duitsche overwinning alles te verliezen en bij een Engelsche alles te winnen hehben. Voor de Engelschen kan daar niet de minste twijfel aan bestaan. Wie bedreigt U, zegt hij. Wie slokt de eene kleine mogenheid na de andere op? Wie droomt van een wereldorde, waarin kleine onafhankelijke staten geen bestaan meer zullen hebben? Wie is den oorlog begonnen? Wie. belijdt den cultus van het geweld? Wie is de vijand van de vrijheid en van al die andere begrippen die U evenals ons. dierbaar zijn? Ik weet het niet, is het officieele neutrale antwoord, geen van beide oorlogvoerenden of allebei. ï?at maakt den Engeischman woedend. Hij vergeet dat deze patente onwaarheid de prijs is die de neutralen voor hun onzijdigheid moeten betalen en het komt bovendien geen oogenblik bij hem op dat het in de oogen van sommige neutralen niet eens een onwaarheid is, dat zij alle groote mogendheden gelijkelijk wantrouwen en Engeland b.v. slechts een graadje minder gevaarlijk achten, dan Duitschland. Het den Engelschmaa duidelijk te maken dat de kleine mogendheden, ondanks Engeland'# goedi gedrag van de_ laatste vijf en twintig jaar, altijd wantrouwend moeten slaan tegenover alle groote mogendheden, Engeland incluis, is een onbegonnen taak. Hij wil niet dan met de grootste moeite inzien, dat wantrouwen tegenover de sterkere mogendheid altijd de eerste le^ensvereischte van de zwakkere mogendheid blijft zoolang de iuternationale samenleving geen ander recht kent, dan het recht vari den sterkste. Het is al weer begrijpelijk genoeg. Want per slot van rekening kan het toch niet ontkend worden dat het moderne Engeland dit recht van den sterkste niet heeft misbruikt ten nadeele van de zwakkeren. Hij heeft wat dat betreft een schoon geweten e» het is derhalve vergeeflijk wanneeT de geestelijke en moreele onzijdigheid in de officieele houding van de kleine neutralen tegenover het huidige ec*iflict hem soms met een lichte bitterheid zou vervullen. (Nadruk verboden). --- Advertentie Ingezonden Mededeelingen. Sptt, rheumaiSek? """Akkertje 1140 5 ---