Bekendmakingen. De Burgemeester der gemeente Arnhem brengt ter kennisse der belastingschuldigen, dat het van den heer controleur van 's rijks belastingen ontvangen, door den heer Commissaris des Konings goedgekeurde cn vastgestelde kohier der personele belasting voor deze gemeente over de dienst van 1868/9 wijkD, op heden ter invordering is verzonden aan den heer ontvanger dei directe belastingen, en dat een ieder verpligt is zijuen aanslag op den bij de wet bepaalden voet te voldoen. En zal deze door aanplakking ter plaatse hier gebruikelijk worden afgekondigd. Arnhem , 20 julij 1868. De Burgemeester voornoemd, van Pallandt. Burgemeester en Wethouders der gemeente Arnhem, Gezien het Prov. Blad no. 76, houdende mededeeling, dat, zoo voor de legerplaats bij Millingen, als voor najaarsoefeningen, tegen den 15 augustus a. s., zullen worden opgeroepen om vóór of op 22 septemter daaraanvolgende weder met verlof te gaan, de militiens van 1864 der regimenten grenadiers en jagers en infanterie; voorts, zooveel der ligting van 1865, als tot voltalligmaking noodig is, in de eerste plaats zij welke niet strekken voor het blijvend gedeelte; wijders die van de ligtingen van 1864 en 1865 der vesting-artillerie, pontonniers en mineurs, voor zoover zij in der tijd niet strekten voor het blijvend gedeelte; eindelijk, dat ook gehuwden in de oproeping begrepen zullen worden. Brengt het vorenstaande ter kennis van belanghebbenden, — met mededeeling, dat de hoofdelijke oproeping zoo spoedig mogelijk zal volgen. Arnhem, den 19 Julij 1868. De Burgemeester voornoemd , Van Pallandt. --- Binnenland. ARNHEM, 21 Julij. Door Z. M. is benoemd tot ontvanger der indirecte belastingen, in- en uitgaande regtcn en accijnsen te Weert, de lieer J. A. Kessels, thans ontvanger te Cuyk. Z. M. heeft tot rector-magnifieus aan de hoogesehool te Groningen voor het academiejaar 1868—1869 benoemd, den hoogleeraar W. Hecker. Een der duitsche geïllustreerde bladen bevat een portret van den heer Thorbecke en voegt daarbij de volgende biografie die, al zijn ook versche.dene bijzonderheden aan velen niet onbekend, toch wel verdient in haar geheel te worden medegedeeld: „Ofschoon het zeer moeijelijk is — zegt een even scherpzinnig als geleerd 1'ransch schrijver, Charleo de Remusat — de teleurstellingen, welke de ervaring steeds met zich brengt, te verdragen, zonder moedeloos te worden, zijn er toch overtuigingen die zich door niets laten schokken, mannen die alles met onverschrokken blik gadeslaan, vast besloten om zich door niets te laten ontmoedigen, ondanks de ervaring van het oogenblik en, wat er ook geschiede , nooit aan de toekomst te twijfelen. Zij hebben het onwankelaar geloof, dat de maatschappij, wanneer zij aan de beweging van den nieuweren tijd deelneemt, door eene goede gedachte bezield is." Tot deze overtuigingen, tot deze mannen behoort zekerlijk Jan Rudolf Thorbecke, het uitnemende hoofd van de nederlandsche constitutionele partij, de leider en ziel van de tegenwoordige regering, al is het ook dat hij niet aan haar hoofd staat. (1) Niemand meer dan hij is in staat om de groote materiele en intellectuele beweging van onzen tijd te volgen, haar te begrijpen en er nooit aan te twijfelen, dat het nederlandsche volk zoowel de magt als de roeping en den pligt heeft deel te nemen aan de beweging vau den nieuwen tijd. Deze geniale staatsman werd te Zwolle uit oudere, tot den burgerstand behoorende, geboren , die, ofschoon slechts weinig bemiddeld, toch zorg droegen hem eene bijzonder goede opleiding te doen geven. Reeds in zijne vroegste jeugd toonde hij een bijzonderen lust voor de studie van de grieksche en romeinsche oudheden, de wiskunde en bovenal voor de geschiedenis. In den zomer van 1814 verliet hij de lntijnsehe school van zijne geboortestad met den eersten prijs in de eerste klasse (1) In dit opzigt, wij hebben het vroeger reeds gezegd, verschilt de redactie in opvatting met den duit■schen schrijver. en werd aan de hoogesehool ingeschreven. In het begin van 1815 volgde hij den cursus aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam en inzonderheid de collegies der hooglceraren van Lennep, van Swinden en van Reenen. In 1817 behaalde hij te Leiden do eerste groote gouden medaille, die kort tc voren door den koning voor de beantwoording van eene prijsvraag was uitgeloofd. In 1818 zette hij zijne studiën voort aan de akademie te Leiden en verwierf in 1819 nogmaals de gouden medaille. Nadat hij den^,. dficttwsgraad verkregen had ondernam hij , ondersteund door de regering, eene we tenschappelijke reis naar Duitschland. Hij bezocht de voornaamste akademien en maakte zich met de studie der wijsbegeerte vertrouwd, welk in dien tijd aan de duitsche hoogescholen in zoo hooge mate bloeide. Toen hij in 1822 in zijn vaderland terugkeerde , om een akademischen leerstoel te bekleeden, die vroeger voor hem bestemd was, werd hem deze geweigerd,juist op grond van zijne wijsgeerige studiën, omdat uit een kerkelijk opzigt daartegen bezwaren bestonden. Men vreesde de gevaren , die voor de studenten uit de kennis der philosophie van Spinoza, Schelling en Hegel konden voortspruiten. Zelfs de beschermer van Thorbecke, de minister Ealck wien onze staatsman vijf jaren vroeger eene onpartijdige historische studie gewijd had, was niet bij magte de toenmaals bestaande vooroordeelen te trotseren. Thorbecke, die nu in Nederland zonder betrekking was, keerde naar Duitschland terug en begaf zich allereerst naar Giessen, waar hij als privaat-docent een akademischen cursus opende. Later vestigde hij zich te Göttingen, waar bij zijn brief aan professor Eichhorn „over de organische karakters der geschiedenis" uitgaf en optrad als medewerker aan het wetenschappelijk tijdschrift éle „Göttinger Gelehrler Anzeiger. Toen in het najaar van^ 1824 het vooroordeel geweken scheen dat voor hem vroeger in Nederland een hinderpaal was geweest, keerde hij naar zijn vaderland terug en gaf kort daarop zijne „ Bedenkingen aangaande liet Regt en het Natuurlijk Regt" in het licht. In het begin van 1826 werd hij tot professor in de staatswetenschappen aan de hoogesehool te Gent benoemd. Hier hield Thorbecke van 1825 tot 1830 een cursus in de geschiedenis der staatswetenschappen, de staatshuishoudkunde, de statistiek en hare toepassing. De beginselen der regering die toen gehuldigd werden, gaven hem aanleiding om in 1829 zijn vlugschrift over de inrigting van het onderwijs uit te geven. Op het laatst van 1830 zag hij zich gedwongen, door de scheiding van Belgie en Holland, Gent te verlaten. Hij begaf zich naar Leiden, waar hij benoemd werd tot hoogleeraar in de regten. In dezen tijd schreef hij zijne beroemde werken over de verandering van het europesche staten-stelsel (1831) en over de erkenning van de onafhankelijkheid van Belgie. Behalve in het genoemde vak, hield hij te Leiden ook een cursus over de geschiedenis van het romeinsche regt en het handelsregt, over de geschiedenis der constitutien, die van de nederlandsche wetgeving, het administrative regt, de uitlegging van de grondwet van 1815. Door de groote sympathie, welke hem overal ten deel viel, vormde zich een school van jeugdige leerlingen, die voortdurend toenam en die den geest zijner beginselen alom verbreidden en op die wijze zijn arbeid in zekeren zin voltooiden. Zijne werken ondersteunden dien geest en zijne pogingen. Zijne „aanteekeningen op de grondwet," waarvan spoedig een tweede druk het licht zag, stelden de talrijke gebreken en ergerlijke misbruiken aan de kaak, aie sedert 1814 in de regering dezes lands waren ingeslopen. Bij dat werk voegde hij eene „proeve van grondwetsherziening," aanmerkingen die een historisch overzigt van het ontstaan der grondwetten van 1814 en 1815 bevatten en tevens eene opwekking voor de toekomst. Dit werk heeft de publieke opinie geheel wakker geschud, die reeds sedert geruimen tijd, maar altijd te vergeefs, op eene verbetering der constitutionele instellingen aandrong. Des ondanks ontbrak der regering de moed tot doortastende hervormingen, waarvan het gevolg was, dat de weinig beduidende verbeteringen, welke Thorbecke in 1840 met eenige van zijne politieke vrienden in de dubbele kamer voorstelde, verworpen werden. Maar weldra liet de openbare meening aan deze overtuiging regt wedervaren. De volksvertegenwoordiging en de hooge collegien van staat ijverden onverdroten door adressen voor doortastende verbeteringen, en de openbare meening door hare organen. Nogtans stuitte het voorstel tot grondwetsherziening, hetwelk in december 1844 negen leden der tweede kamer voordroegen, ondanks de schitterende verdediging van Thorbecke, op den onverbiddelijken tegenstamfvau ( de partij) die uit beginsel tegen de invoering van alle ! nieuwigheden was. Aan deze partij is ook de nederlaag '# . toe te schrijven, "die het hoofd der negen mannen, Thorbecke, na deze vruchtelooze peging ondervond, toen hij in 1846 door de provinciale staten van Zuid-Holland niet herkozen werd. De duitsche schrijver laat hierop eene schets volgen van de politieke geschiedenis van ons land tot op den tegenwoordigen lijd, eene geschiedenis, diè wij als bekend mogen onderstellen. Hij eindigt zijne biographie aldus: Wij zagen korten tijd geleden, dat het Thorbecke gelukte niet slechts een liberaal kabinet te vormen, maar, wat hij reeds vroeger, in 1862, verlangde, een kabinet, waarin hy zelf geen zitting had. Toen waagde het nog niemand van zijne partij om zonder zijne persoonlijke deelneming in een ministerie op te treden dat hij gevormd had. Thans gelukte het hem den arbeid van zijn gansche leven te voltooijen en er levenskracht aan te schenken. Hij wenschte, dat het onafhankelijk van zijn persoon zou bestaan ; hij benoemde de leden van het ministerie en blijft zelf, hen steunend, lid der kamer. Door het op 15 en 16 dezer alhier gehouden nijverheids-congres werden de volgende besluiten genomen, die in de tweede zitting der op de gelijktijdig gehouden 91e algemeene vergadering der Maatschappij tot bevordering van Nijverheid zijn aangenomen : lo. aan het gemeentebestuur van 's Gravenhage een adres te zenden over het rioolstelsel van den heer Liernur, in verband met het gebiuik der fecale stoffen voor het landbouwbedrijf ; 2o. het hoofdbestuur der maatschappij uit te noodigen aan de vergadering voor te dragen de benoeming eener commissie , belast met het nagaan van de wijze, waarop de verzamelde fecale stoffen ten meesten nutte van den landbouw dienstbaar kunnen worden gemaakt ; 3o. het hoofdbestuur te verzoeken aan de departementen eene aanschrijving te rigten om na te gaan wat er is van de belemmering van den waterstaatstoestand voor den landbouw; 4o. gelijk verzoek tot het hoofdbestuur te rigten, om de bijzondere aandacht der departementen te vestigeij op de vruchtboomenteelt; 5o. eveneens het hoofdbestuur te verzoeken de departementen uit te noodigen in hunnen kring na te gaan , wat voor de turf-industrie is verrigt en welke verbeteringen daarin reeds zijn of kunnen worden gebragt, en verder directeuren te verzoeken uit de hierover in te komen verslagen en te bekomen inlichtingen een geheel te maken en daarover in de volgende algemeene vergadering rapport uit te brengen; 6o. het rigten van een adres tot de regering tot vermindering van briefport; 7o. bij de regering krachtige pogingen aan te wenden tot wering van het misbruik dat gemaakt wordt van den fabrieksarbeid door kinderen; 8o. de benoeming eener commissie tot onderzoek der kwestie van de volksvoeding; 9o, de regering teverzoeken bij de herziening in J 870 der traktaten met Engeland en Frankrijk, de belangen der zeevisscherij ten krachtigste voor te staan. In genoemde tweede zitting werd door den voorzitter mededeeling gedaan voor een bezoelL hem daags te voren gebragt door den commissaris dös konings in Gelderland, die hem verzocht heeft aau Se leden der vergadering zijne hooge ingenomenheid niét en hoogachting voor deze maatschappij te betuigen. Tevens gaf de commissaris des konings zijn innig leedwezen te kennen , dat familie-aangelegenheden hem beletten tegenwoordig te zijn bij het gemeenschappelijk diner van afgevaardigden en leden, waartoe hij was genoodigd. Namens de commissie voor landbouw, werd door den heer J. VV. de Raad rapport uitgebragt. Op voorstel dier commissie is besloten niet meer uit te schrijven de prijsvragen tot het schrijven van een handboek voor de beteeling van nieuw ingedijkte of drooggemaakte polders; en het geven van een antwoord op de vraag: in hoever de katoenkultuuf in oost- en west -indische bezitingen geacht kan worden te zijn in hët belang van Nederland en de koloniën. Voorts is besloten op nieuw uit te loven de tweede gouden medaille der maatschappij en / 100 voor eene naauwkeurige landhuishoudkundige beschrijving van eene provincie van Nederland, of van een genoegzaam belangrijk gedeelte van deze. Ten slotte deelde dé heer de Raad mede, dat een twintigtal afgevaardigden het Invalidengestieht te Bronbeek hebben bezocht; dat zij daar bewonderd hebber, de netheid van de landbouw-inrigting en hem opgedragen hebben hieraan thans openlijk hulde te brengen. Door den heel Sanders van Loo werd raprport uitgebragt van het verhandelde in de afdeelrng voor fabriek- en handwerksnijverheid. Overeenkomstig het door die afdeeling voorgesteld werd besloten prijsvragen uit te schrijven voor de volgende onderwerpen: lo. het schrijven eener kleine cn populaire handleiding, dienstig voor gasgebmikers, inhoudende al datgene, waarvan dc kennis onmisbaar is voor een zuinig gasverbruik; 2o. de inzending van koppelschroeven voor buizen, met opgaaf der eigenschappen, waardoor zij zich gunstig onderscheiden, alsmede van den prijs. De heer A. C. Cramer bragt het rapport uit namens de epmmissie voor koophandel, zeevaart, visscherijen en algemeene zaken. Deze commissie stelde voor een prijsvraaag uit te schrijven tot het geven eener statistieke opgave en beschrijving van alle fabrieken in eenige provincie of belangrijk deel daarvan. Dat voorstel werd verworpen. Op voorstel dezer commissie is besloten op nieuw de gouden medaille der maatschappij uit te loven voor de beste beantwoording der vraag: Wat is tot heden in Nederland gedaan voor de verbetering van arbeiders- en handwerkers-woningen, en in hoever verdienen de verschillende beginselen , in het buitenland toegepast, bij ons navolging?" Eveneens is besloten dat de maatschappij zich tot de bevoegde magt zal wenden om hare aandacht te vestigen op het groote belang om het stroopen van kleine vischjes uit de rivieren , waar men ze gebruikt om er kunstparelmoer van te maken , met kracht tegen te gaan. Tot directeuren zijn benoemd (in plaats van dr. Yrolik te 's Gravenhage) de heeren: dr. L. Mulder te Arnhem; (in plaats van jhr. mr. D. R. Gevers Deynoot) prof. H. 0. van Hall te Groningen; (in plaats van den heer C. Kruseman te Haarlem) dr. E. H. van Baumhauer te Haarlem; (in plaats van den heer Prsvinaire te Haarlem) mr. J. Enschedé te Haarlem. Bij acclamatie werd tot voorzitter der maatschappij herbenoemd prof. A. H. van der Boon Mesch, die in gevoelvolle woorden, blijkbaar diep getroffen, zijne erkentenis betuigde voor dit vereerend bewijs van welwillendheid en achting. De hooggeachte voorzitter herinnerde, dat het dingsdag jl. juist veertig jaren geleden was dat hij op jeugdigen leeftijd bij deze maatschappij was opgetreden. Door Gods goedheid had hij altijd de vergaderingen der maatschappij kunnen bijwonen. Hij achtte het nu niet meer noodig te zeggen, dat hij hartelijk dankbaar was voor het hem thans weder geschonken bewijs van welwillendheid. Hierna was aan de orde het bepalen van de plaats, waar de volgende algemeene vergadering zal worden gehouden. Daartoe waren twee aanbiedingen gedaan, een door het gemeentebestuur en het afdeelingsbestuur van Groningen; en een door het afdeelingsbestuur van Sneek. Voor beide plaatsen werden van verschillende zijden krachtige argumenten aangevoerd , die ten slotte daartoe leidden dat Groningen gekozen werd tot plaats voor de 92e algemeene vergadering. Tot honorair lid werd benoemd de heer C. Happé, oudresident van Borneo en thans lid van den raad van Nederlandsch-Indie. Tot leden der commissie, belast met het onderzoek van het voorstel omtrent de doelmatigheid der uitgave van een almanak van wege de maatschappij, werden benoemd de heeren A. C. Kruseman te Haarlem; A. C. Cramer te Botterdam en A. H. Walter te Amsterdam. Men verzoekt ons te melden, dat de brand, in den avond van den 17den op den huize Sevenaer ontstaan, van weinig of geene beteekenis geweest is. Met behulp eener spuit heeft men het vuur spoedig gebluscht. Schade is niet aangcrigt, door den brand zoo min als door het water tot blusschen gebezigd. Het kleine onweder, dat des middags zich hooren deed, was de oorzaak van den brand niet. * Als een bewijs van den hevigen plasregen, die 11. vrijdag te Boosendaal viel, kan dienen dat een volwassen persoon aldaar, die bezig was een dam bij zijne woning te maken, door het plotseling van de hoogten afkomende water werd omgeworpen en een eind weegs medegevoerd, zoodat hij bijna verdronken was. De bui had veel overeenkomst met eene wolkbreuk. * Brakel, 20 julij. De oogst der aardappelen, het hoofdproduct van verbouw in deze streken, levert niet die gunstige resultaten op, welke men in de lente had te gemoet gezien. Door de aanhoudende en felle droogte verdorren ze, voor zij uitgewassen zijn; blijven klein van stuk en leveren nog niet half zooveel op als het vorige jaar. Yan daar, dat bij uitmuntende kwaliteit, de prijzen stijf blijven. Men verkoopt ze op het oogenblik voor ƒ2.45 tot ƒ2.75 per mud. Da vroege aardappelen zullen slechts een halven oogst opleveren, terwijl de latere soorten, zoo er niet spoedig regen komt, welligt nog erger zullen wezen. Men heeft thans het zonderling verschijnsel, dat het slechtste, dat is laag en kwellig land het vruchtbaarste i3. Met het grasgewas op de hooge uiterwaarden, namelijk de zoogenaamde tweede snede, is het niet beter gesteld dan met de aardappelen. Het havergewas zal ten gevolge der droogte slechts een middelmatigen oogst geven. * Zaturdag 18 dezer, werd aan het Katervcer, onder voorzitterschap van dr. W. J. A. Huberts van Zwolle, de 38e vergadering gehouden van het genootschap van leeraren aan de nederlandsche gymnasiën en hoogere burgerscholen. Na het behandelen van de noodzakelijke huishoudelijke aangelegenheden, waarbij onder anderen bepaald werd dat men zich dit jaar, wegens de algemeenheid der gestelde vragen , in geene sectien zoude verdceleq, vingen na de pauze de discussien over deze vragen aan. Zij handelden grootendeels over de wenschelijkbeid en noodzakelijkheid van eene wettelijke regeling van het hoogcr onderwijs, voornamelijk met het oog op de gymnasia en latijnsche scholen, waarbij natuurlijk het thans ingetrokken , maar bij het opmaken van de punten van beschrijving veel besproken ontwerp van wet niet onaangeroerd kon blijven. Een goede geest kenmerkte de discussien over dit en andere gewigtige vraagpunten, waaraan door de 25 tegenwoordige leden ijverig deel werd genomen. Derenter werd als plaats voor de volgende zaraenkomst en prof. A. J. Vitringa aldaar, met overgroote meerderheid , tot voorzitter der 39ste algemeene vergadering gekozen. De heeren dr. Kreenen , inspecteur van het j lager onderwijs in Overijssel, en de hoogleeraar Vissering werden als honoraire leden benoemd, terwijl vele nieuwe leden tot de vereeniging toetraden. De voorzitter bragt een woord van regtmatige hulde aan de nagedachtenis van wijlen dr. Tiedeman te Tiel, een der oprigters van het genootschap, die zelden eene vergadering oversloeg en de ziel der bijeenkomsten plagt te zijn. Een gezamenlijke maaltijd besloot op aangename en gezellige wijze deze bijeenkomst, welke door velen van de honoraire leden werd bijgewoond. „Men schrijft ons uit Meppel, 20 julij : Hoewel het maken van den spoorweg Heerenveen— Leeuwarden, gelijk men weet, met eigenaardige moeijelijkheden heeft te kampen gehad, vooral ontstaande door den veenaehtigen bodem, vernemen wij met genoegen, dat, volgens officieuse informatien, de exploitatie dier lijn met 15 augustus e. k. verwacht wordt. Harlingen zal alsdan, langs den kortsten weg, aan het spoorwegnet verbonden zijn. Wat de lijn Groningen—Meppel betreft, daaraan wordt tusschen Groningen en Assen met kracht gewerkt. In onze nabijheid blijft alles nog hetzelfde, daar de onteigening van de benoodigde perceelen nog niet afgeloopen is. Vele eigenaars zijn met de aangeboden sommen niet tevreden. De aanhondende droogte werkt hoogst nadeelig op den waterstand der drentsche kanalen. Men heeft den diepgang op de hoofdvaart reeds beperkt tot 3 3 / 4 voet. Weldra zullen de schepen van 50—90 ton niet meer de lading uit de veenderijen kunnen halen en genoodzaakt zijn hier of te Zwartsluis de lading aan te vullen. De toestand van de binnenschipperij is over het geheel nu reeds hoogst ongunstig. * Harlingen, 19 julij. Door het aanstaand vertrek van mejufvrouw van Os naar Barneveld , de betrekking van hoofdonderwijzeres aan de 2e meisjesschool alhier vacant geworden zijnde, heeft gisteren het vergelijkend examen voor gemelde betrekking plaats gehad, afgenomen door den schoolopziener, dr. C. J. de Lussanet de laSablonière. Acht dames dongen naar de betrekking, van welke mejufvrouw E. C. Tak van Zutphen , H. A. J. Bekkers van Geertruidenberg en H. A. Krooneman op de nominatie zijn gesteld , om aan den raad tot eene keuze te worden voorgedragen. * Ooststellingwerf, 19 julij. Het bestuur dezer gemeente heeft bij publicatie ten strengste verboden het aanleggen van vuur in bosschen , velden, veenen of andere gronden door houthakkers, maaijers, hooijers, veenarbeiders of wie dan ook, hetzij voor het koken van water of met welk ander doel, ten einde bij de bestaande droogte geen aanleiding tot brand te veroorzaken. * In eene terp nabij Eraneker, heeft men bij het afgraven, op nagenoeg 5 voet diepte, een kistje gevonden , bevattende ruim 400 kleine zilveren muntjes, benevens andere kleinigheden. De geldstukjes, van zeer oude dagteekening, dragen zeer verschillende wapenmerken. Zondag avond heeft eene jonge dochter van 18 jaren, M. M. genaamd, wonende bij hare ouders in de Molenstraat te 's Hage, die met hare vriendin D. A. uit een rijtuig, dat zich op het Wageveer te Scheveningen bevond , wilde stappen , het ongeluk gehad, haar linker scheenbeen te breken. Haar japon was aan de trede blijven haken, waardoor zij, voorover vallende, het ongeluk bekwam. Nadat der patiënt door den geneesheer J. Spille heelkundige hulp was verleend, is zij door de goede zorg der politie met een rijtuig naar de ouderlijke woning vervoerd. De nieuw-yorker Tribune meldt, dat Chang en Eng, de siamesche tweelingbroeders, besloten hebben zich te onderwerpen .aan eene heelkundige operatie, die hen van elkander moet scheiden. Die tijding moet ongetwijfeld de wetenschappelijke wereld groote belangstelling inboezemen, evenzeer als degenen die zich herinneren welk opzien in 1827 of 1828 in de grootste steden van Europa de verschijning heeft gebaard van deze twee aan elkander gehechte wezens. Met het geld, hetwelk zij verdiend hadden door zich ten toon te stellen, hebben zij zich als aanzienlijke landeigenaars in Noord-Carolina gevestigd en hebben daar twee zusters gehuwd. Ieder hunner is thans vader van negen kinderen. Zij zijn nu 59 jaren oud en juist omdat zij dien gevorderden leeftijd bereikt hebben, willen zij de bedoelde operatie ondergaan, uit vrees dat als , in de tegenwoordige omstandigheden , de een mogt sterven , de ander in hetzelfde lot zal deelen. Het vleezig deel waardoor zij , bij het hart en de longen, vereenigd zijn, heeft 10 a 12 duim in omvang. Er bestaat tusschen de beide broeders eene zóó innige verwantschap, dat dezelfde gewaarwordingen, dezelfde indrukken van het zenuwleven en het vlceschweefsel zich op een en hetzelfde oogenblik van de beide ligchamen meester maken. De bedoelde operatie zullen de siamesche tweelingbroeders te Parijs ondergaan. De Köln. Zeit. deelt een uitvoerig berigt mede van een opligter, een jong mensch , die zich Lyndhurst noemde en beweerde de zoon te zijn van den baronnet van dien naam, gepensioneerd vice-admiraal. Deze persoon is de zoon van behoeftige duitscbe ouders en heeft in zijne jeugd weinig of geene opleiding genoten: hij heeft zich geheel zelf gevormd en het zoover gebragt, dat hij kon romans schrijven, corresponderen, duitsch, engelsch, fransch, italiaansch, spaansch en hollandsch spreken en het engelsch zelfs zoo goed, dat hij zich bij beschaafde Engelschen als een hunner landgenooten kon voordoen. Het tegen hem gevoerde proces wegens het dragen van een valsehen naam heeft de aandacht op hem gevestigd en zal misschien oorzaak zijn, dat hem eene loopbaan wordt opengesteld , waarin hij van zijne buitengewone bekwaamheden op eervoller wijze partij kan trekken. Tentoonstelling van Nederlandsche Nijverheid en Kunst. VI. Het nette, geserreerde van de hoofdzaal der tentoonstelling mist men in de annexe , die zich ten zuiden van het gebouw uitstrekt. Deze schijnt breeder, omdat zij minder gevuld is en de voorwerpen welke zy bevat, meer op zich zelf staan. Regts cn links van den ingang vindt men de persen door den heer G. J. Thieme ingezonden , en wordt de kleine pers door den heer van Egmond ten toon gesteld, waarmede 100 naamkaartjes in de minuut worden gedrukt. Daarnaast wordt de industrie toegepast, die meer en meer in de huisgezinnen eene revolutie te weeg brengt. De heer Koppendraijer heeft hier de naaimachines van Wheeler en Wilson geplaatst, met een waarvan voortdurend wordt gearbeid. Voor vele bezoekers is die arbeid nog een onoplosbaar raadsel; dit getuigt het aanhoudend bezoek , dat de ijverige agent van Wheeler en Wilson voortdurend om zich ziet, en zoo men al, door op de naaimachines te staren, geen juist begrip krijgt van hare inrigting en werking, men ziet en men prijst toch wat er door verkregen is. De machines van genoemdefirma hebben eene europesche vermaardheid gekregen en mogen wij deskundigen gelooven, dan munten zij boven alle anderen uit door hare snelheid en de degelijkheid van het daarmede vervaardigde werk. Deze industrie behoeft wel geene aan beveling; zij zal haar weg wel vinden, want de voorspelling, dat haar bloei-periode weldra voorbij zal zijn en geen huisgezin zich die machines meer zal aan schaffen, schijnt slechts uitgevonden door de naaisters zelve wier bestaan er door wordt bedreigd. Het eenige bezwaar tegen de nog algemeener toepassing is de moeijelijkheid om haar te hanteren, maar het geduld der hollandsche vrouwen zal wel grooter zijn dan de moeijelijkheid. Wanneer men zich van het eentoonig, agiterend getik der naaimachine verwijdert, wordt de aandacht getrokken door den zachten dreun van de zeeppers, die aan de zeep uit de beroemde fabriek van de gebroeders Dobbelmann van Ivijmegen den behagelijken vorm geeft, waarin wij ze op onze toilettafels aantreffen. Deze laatste bewerking is te eenvoudig om er lang bij stil te staan; en men ziet dan ook de meeste bezoekers zich naar het door den heer Glaser te Nijmegen gesneden ruiterbeeld van zeep wenden, dat hier door de heeren Dobbelmann is tentoongesteld en zeer geschikt is om de aandacht te vestigen ^op deze belangrijke industrie. Als knaap betreurden wij het altijd, bij het zien van die zacht gepolijste, fraai gekleurde, welriekende zeep, dat dit voortbrengsel dar nijverheid niet eetbaar was. Voor hem, die er nooit de proef van beeft genomen, ziet toiletzeep cr dan ook zeer smakelijk uit. Thans echter geeft de zeep ons aanleiding tot eene andere opmerking, deze namelijk: dat de wetgever dien tak van nijverheid aan zulke belemmerende bepalingen heeft onderworpen. Wie kennis neemt van het adres der heeren Dobbelmann aan de tweede kamer — wat wij thans op deze plaats niet uitvoerig kunnen bespreken — moet zich verwonderen over de bekrompenheid van den fiscus, die door zijne boeijen elke schrede voorwaarts belet. Bijna elke proefneming is fraude. De industrieel betaalt niet alleen voor hetgeen hij doet, maar wordt beboet wanneer hij de minste wijziging in het proces brengt. De oude gilden waren niet blinder voor de behoeften der nijverheid. In deze annexe is, naar wij meenen , de meest merkwaardige inzending der geheele tentoonstelling, namelijk de werktuigen om bindrotting te splijten en te schaven. Wie die zamenstelling van raderen en buizen ziet, voor het oog weinig bekoorlijk, zou al ligt voorbijgaan, maar de lange rietstaven die er door zijn gespleten en geschaafd en er naast geplaatst zijn, vestigen de aandacht op deze vernuftige uitvinding, die voor de nijverheid van zeer groot gewigt is. Dubbele lof komt den zamensteller daarvan, den heer C. Vermeulen te Amsterdam, toe, omdat hij zonder middelen begonnen is en het geldelijk kapitaal, waarmede hij aanving, ter naauwernood het zijne mogt noemen. Maar zijn wezenlijk kapitaal was zijn vernuft en wij twijfelen niet, of hij zal daarvan evenzeer de vruchten trekken als de industrie. De groote topographische kaart van Nederland, waarvan wij vroeger gewaagden, bedekt hier in haar geheel een der wanden, en , zijn de details minder te waarderen ten gevolge van de hooge plaatsing, de kaart zelve is genoeg bekend en maakt een goed eöect. Ongemerkt zijn wij het zinkwerk voorbijgegaan van de firma Bodenhuis en Cie., waarvan ook deze tentoonstelling zulke uitmuntende proeven oplevert. Het nette en goedkoope fabriekaat dezer hier gevestigde inrigting doet onze stad eer aan. De fraaije schoorsteenmantels van Cool te Sneek, Beltman te Deventer en Gamelkoorn te Arnhem , zijn de beschouwing zeer waard en vormen, voor zooveel zij hier gesteld zijn, een sierlijken wand, die verder bekleed is door de reusachtige tapijten van Heukensfeldt uit Delft, en de koninklijke tapijtfabriek uit Deventer, die beiden, de eerste door zijne imitatie van de Gobelins , laatstgenoemde door fraaije exemplaren van het beroemde Deventer tapijtwerk de tentoonstelling met regt versieren. In het midden dezer zaal is het lederwerk geëxposeerd en daarbij ook de paardentuigen. De smaakvolle tuigen van de heeren Binzer te Arnhem, Bonnes te Groningen , van Diest te Moordrecht, Havekost te Am sterdam , Éavensbergen en Eokker te Arnhem, en anderen moeten in eene stad, waar de liefde voor paarden zoo groot is, te regt de aandacht trekken. Aan wie de jury de onderscheidingen zal toekennen, zal de uitkomst leeren. Dit evenwel zal de bezoeker niet ontkennen , dat het meest de aandacht trekken de stellen van den heer Binzer, wiens arbeid, bij den eersten aanblik , zou doen gelooven dat men buitenlandsch fabriekaat vóór zich had. Een bezoek in zijne werkplaats zou echter het tegendeel aar.toonen en, even als verscheidene andere der genoemde inzendingen de overtuiging geven, dat ook op dit gebied van nijverheid- Nederland gelijken; tred houdt met het buitenland. De sierlijke tropheë, die, aan het uiteinde der zaal, zich in het midden verheft, wordt gevormd door eendertiental haarden, ingezonden door den heer Noppen. Al deze haarden zijn verschillend van vorm , voor een deel ook verschillend van systeem. Niet enkel door fraaiheid munten zij uit, maar ook door practische waarde. Inzonderheid de uitschuivende haarden volgens een geheel nieuw stelsel verdienen zeer de aandachtige beschouwing. Wanneer men een poos bij deze pyramide vertoefd heeft, om aan de inzending alle regt te doen wedervaren, en achteruit treedt om haar op eenigen afstand te bewonderen , wordt plotseling eene telegrasche schel in beweging gebragt, die in verband staat met de kleine verhevenheid, waarop een brandkast is geplaatst. Die brandkast is van denzelfden inzender. De estrade behoort er wel niet toe, maar dient sle chts om het systeem te doen uitkomen waardoor de kast tegen dieven wordt behoed. Wie haar nadert of aanraakt brengt de schel in beweging. Tegen een anderen vijand, waaraan haar naam herinnert, wordt zij even goed en nog beter beveiligd. De kast is dubbel; de binnenkast is slechts zoo weinig mogelijk met de buitenkast in aanraking en de tusschenruimten tusschen die twee bijna zelfstandige deelen wordt ingenomen door platen van eene stof, die men bijna ongeleidend zou kunnen noemen. Die opvulling is niet nieuw; meermalen wordt daarvan gebruik gemaakt en krijt, zand enz tusschen de wanden gevoegd. Door de hitte, schokken, of andere oorzaken hoopt zich echter die stof zamen en wordt het doel gemist. Dit heeft den heer Noppen op het denkbeeld gebragt om van die weinig geleidende stoffen platen te maken, die steeds in haar geheel blijven. Het binnengedeelte is dus volkomen onbereikbaar voor de hitte, welke schokken de kast ook ondergaat. Wanneer de heete dagen voor kalmer temperatuur plaats maken, zal eene proef met deze kasten worden genomen, die, wij twijfelen er niet aan, in hooge mate bevredigen zal. Plaatsgebrek heeft ons tot dusverre belet de volgende bescheiden op te nemen betreffende de onderwijs-kwestie te Rotterdam. I. Missive van den heer minister van binnenlandsche zaken aan den heer commissaris des konings in de provincie Zuid-Holland. „'s Gravenhage, 30 junij 1868. „BIJ mijn optreden ben ik nader bekend geworden met het besluit van den gemeenteraad van Rotterdam, dd. 13 maart jl. waarbij bet geamendeerde voorstel van het raadslid de Bruyn verworpen werd, zoodat van kracht bleef art. 31 der verordening op het burgerlijk armbestuur, op grond van hetwelk in het reglement omtrent het verleenen van onderstand onder anderen de bepaling is opgenomen, dat kinderen uit gezinnen, die onderstand genieten, op stads armenscholen moeten gaan, voor zoover zij daartoe in de termen vallen. „Reeds in de zitting van de tweede kamer der staten-generaal van den llden junij 11. had ik gedegenheid te kennen te geven, te betreuren, dat het bedoelde raadsbesluit genomen was, hetgeen mijns inziens niet bepaald in verband staat met de toepassing van de wet op het lager onderwijs, en dat bij de regering de maatregelen zouden worden in overweging genomen, die er toe zouden kunnen leiden, om geene uitvoering aan dat raadsbesluit te geven. „Weinige dagen later kwamen de inspecteurs van het lager onderwijs tot het houden hunner jaarlijksche bijeenkomst onder mijne leiding bijeen. Daar ik er prijs op stelde, ook hunne zienswijze te kennen omtrent de vraag, of burgerlijke armbesturen bevoegd zijn om aan ouders, die eenigen onderstand ontvangen, als voorwaarde der bedeeling de verpligtirig te stellen, dat zij hunne kinderen moeten laten onderwijzen, en wel uitsluitend op de openbare armenscholen, noodigde ik hen uit, mij daarmede bekend te maken. „Hun antwoord, in hunne vergadering van 22 junij uitgebragt, luidt als volgt: „Naar het oordeel der vergadering geeft de letter der wet op „het lager onderwijs, evenmin als die der armenwet, tot wier „toepassing de gestelde vraag in de eerste plaats schijnt te be„hooren, daarop een bepaald antwoord , hetgeen met het oog „op het onlangs io de gemeente Rotterdam voorgevallene voorzeker te betreuren is." „Naar het eenparig oordeel der vergadering is echter de genoemde voorwaarde niet overeenkomstig met den geest van de wet op het lager onderwijs, noch met dien van de staatsregeling waarvan die wet een uit\loeisel is. „De grondwet immers heeft, met het welbekende doe), dat niemand verpligt wezen zou, voor zijne kinderen van de openbare school gebruik te maken, de vrijheid van onderwijs op de meest ondubbelzinnige wijze gewaarborgd, en de wet van 18J7 heeft het in de grondwet nedsrgelegde beginsel nader ontwikkeld en in toepassing gebragt. „Indien nu geen ingezeten, die niet bedeeld is, zou kunnen gedwongen worden, zijno kinderen naar de openbare school te zenden, dan mag, naar het eenstemmig gevoelen der inspecteurs, ln da omstandigheid, dat iemand tot een burgerlijk armbestuur zijne toevlugt moet nemen, geeri middel gevonden worden, om hem op dit punt van slechter conditie te maken dan zijne meer gegoede burgers, cm hem tot handelingen te dwingen, die tegen zijne gemoedelijke overtuiging indruischen, en waartoe hij anders niet zou kunnen gedrongen worden. En mijns inziens valt het niet te ontkennen, dat onder de arme zoowel als onder de gegoede standen der maatschappij vele ouders gevonden worden, die met het onderwijs, dat op de openbare scholen gegeven wordt, geen vrede hebben. Gemoedsbezwaren houden hen er van terug hunne kinderen aan dat onderwijs te doen deelnemen, en daarvoor behoort men eerbied te hebben , al deelt men er niet in. Geen reden, hoe schijnbaar gewigtig ook , kan wettigen , dat iemand , 't zij arm of rijk, tot handelingen gedwongen worden in strijd met zijn geweten; en dat het onthouden van bedeeling aan hem, die zonder die bedeeling gevaar loopt van gebrok om te komen , inderdaad dwang is, kan , naar het oordeel der vergadering, in redelijkheid niet worden betwist. Op grond van deze laatste opmerking waren enkelen zelfs van oordeel, dat het stellen van de voorwaarde, dat de kinderen ter school moeten gezonden worden, ook al wordt de keuze der school vrijgelaten, niet overeenstemt met den geest onzer wetgeving, die geene schoolpligtigheid kent en haar, blijkens het dienaangaande in de vergadering der staten-generaal voorgevallene, ook niet kennen wil. „Kon de groote meerderheid der Inspecteurs in deze zienswijze niet deelen, en achtte zij, dat art. 24 der armenwet de bevoegdheid geeft, om aan de bedeeling de voorwaarde van schoolgaan der kinderen in 'tulgemeen te verbinden, allen waren zij heter weder over eens, dat het beperken der keuze van de ouders tot de openbare school op den duur niet dan nadeelig voor die school kan werken, omdat bij den aangeboren vrijheidszin van onze natie , eene instelling, tot welker gebruik men gedrongen wordt, onvermijdelijk eindigt met bij velen weerzin te verwekken. „En evenzeer als het afkeuring verdienen zoude, bijaldien de vrije ontwikkeling van het bijzonder onderwijs werd belemmerd, evenzeer ware het te betreuren, indien het openbaar onderwijs, ten gevolge van dusdanige maatregelen, in de openbare achting daalde , en de eerbied voor de overheid , waarvan die maatregelen uitgaan, bij de ingezetenen werd ondermijnd. „Op grond van de bovenstaande beschouwingen Is de vergadering eenparig van oordeel, dat de besproken voorwaarde in het belang van het onderwijs en van de verhouding der ingezetenen tot de overheid niet raadzaam is en niet overeenkomstig met den geest onzer staatsinstellingen. „Het was mij aangenaam, uit deze beschouwingen te bemerken, dat de vergadering der inspecteurs geheel met mijne zienswijze instemde. „Mogt dit mede met XJH.Ed. Gestr. het geval wezen, dan zou ik_ gaarne zien, dat daarvan bleek in een schrijven, hetwelk ik u in allen gevalle verzoeken zal aan het gemeentebestuur van Rotterdam te rigten, om dat bestuur met mijne zienswijze ten deze bekend te maken , onder bijvoeging dat de bepaling, krachtens welke kinderen van bedeelden op stads armenscholen moeten gaan, mij voorkomt in strijd te wezen met de belangen van het onderwijs en met het algemeen belang, en dat ik alzoo gaarne zou zien, dat tot opheffing dier Terpligting kon worden besloten enz. r De minister van binnenlandsjhe zaken, „(get) F ock. „Voor extract conform, n De griffier der prov. staten van Zuid-Holland, „(get.) JüST de la P aisières." II. Missive van den heer commissaris des konings in dt provincie Zuid Holland aan de heer en burgemeester en we houders van Rotterdam. 's Gravenhage, don 2den julij 1868. „Ik heb de eer UEd. hierbij te doen toekomen extract eener missive van den heer minister van binnenlandsche zaken, dd. 30 julij 11., lett. A. 5de afdeel. „Gaarne voldoe ik bij dezen aan 's ministers daarbij ten slotte uitgedrukt verlangen, en zulks uit volle overtuiging van de juistheid der beschouwingen van Zijne Excellentie. Uw voorzitter zal zich wel willen herinneren, dat ik ZEd.G. reeds lang vddrdat de kwestie bij den raad in discussie kwam, bij gelegenheid van een onderhoud, als mijn gevoelen te kennen gaf: dat art. 24 der wet van 28 junij J854 ( Staatsblad no. 100} de vraag kon doen rijzen , of, waar de wet geen schoolpligtigheid wil, eene voorwaarde, die schoolpligtigheid daarstelt, niet moet geacht worden met de wet te strijden ; dat ik de beantwoording dier vraag in het midden latende, al ware het slechts met het oog op het algeneen belang — omdat er schadelijke vrijheden zijn, wier beperking soms zeer wenschelijk is — het zeer onvrijzinnig en bedenkelijk en, zoo niet onwettig, althans in bepaalden strijd met den geest onzer wetten acht, om de vrijheid in de keuze der school, die in het naauwst verband staat met gewetensvrijheid, te beperken of beter gezegd geweld aan te doen ; dat de bedoelde voorwaarde mijns inziens ook strijdt met art. 33 laatste lid der wet van 13 augustus 1857 ( Staatsblad n°. 103), waar de wetgever spreekt van „bevorderen" van het schoolgaan, dat is aanmoedigen , ln de hand werken, maar niet dwang , laat staan gewetensdwang uitoefenen; dat de bewering, als zou hier geen sprake zijn van dwang, omdat de belanghebbende kan weigeren, hiertegen niets afdoet, daar het feit, dat men wil bedeelen, de volstrekte onvermijdelijkheid der bedeeling constateert (21 der wet van 28 junij ]8ö4 ( Staatsblad n°. 110); zoodat het hier geldt eene kwestie van leven of dood, maar geenszins van vrijen wil. »Ik zou er mij dus bijzonder in verheugen, wanneer de Raad uwer gemeente kon besluiten, om uit eigen beweging in te trekken of in bevredigenden zin te wijzigen eene bepaling, die te regt aanstoot geeft, en naar ik vrees, eene voor Rotterdam weinig vleijende vermaardheid heeft verkregen. Daartoe roep ik bij dezen uwe welwillende en invloedrijke medewerking in, terwijl het mij aangenaam zal zijn, den uitslag uwer bemoeijingen ter zake te vernemen. De Commissaris des Konings in de pro incie Zuid-Bolland. (get.) J. L oudok. III. Missive van de heeren burgemeester en wethouders van Rotterdam aa i den gemeenteraad aldaar. Rotterdam, 13 Julij 1868. „ Mijne hoeren I „Van den heer commissaris des Konings in deze provincie hebben wij een schrijven ontvangen, ten geleide van extract eener aan hem gerigte missive van den lieer minister van binnenlandsche zaken, waarin deze zijne zienswijze mededeelt omtrent de bepaling van art. 31 der verordening op het burgerlijk armbestuur, krachtens welke kinderen van bedeelden op stads armenscholen moeten gaan, en die door het niet aannemen van het voorstel van het raadslid, den heer de Bruijn, van kracht is gebleven, met verzoek, die zienswijze aan het gemeentebestuur van Rotterdam bekend te maken, onder bijvoeging, dat die bepaling hem voorkomt, in strijd te wezen met de belangen van het onderwijs en met het algemeen belang; en dat hij alzoo gaarne zou zien, dat tot opheffing dier verpligting kon worden besloten; terwijl de heer commissaris des konings voornoemd, onder voldoening aan dat verlangen, verklaart die zienswijze te deelen en onze medewerking inroept, opdat die bepaling door uwe vergadering ingetrokken of in bevredigenden zin gewijzigd worde. „Daar bij ons geene de minste aanleiding bestaat, om ons aan de door den heer commissaris verlangde medewerking te onttrekken, meenen wij die niet beter te kunnen verleenen dan door de overlegging der boven aangehaalde missives aan uwe vergadering, gelijk wij doen bij deze, waardoor zij geheel in kennis wordt gesteld van de inzigten van het hooger bestuur aangaande de bedoelde zaak, en op deze als van zelf bij vernieuwing hare aandacht wordt gevestigd. „Ten aanzien van de strekking van de bewuste bepaling en de bezwaren, die daartegen in het midden zijn gebragt, meenen wij, dat de uitgebreide behandeling dier zaak en de gevoerde belangrijke beraadslagingen over dat onderwerp u nog genoegzaam in het geheugen zullen liggen, dan dat wij daaromtrent in den breede behoeven uit te weiden. „Uit de bovengemelde missives blijkt ons echter, dat èn de heer minister van binnenlandsche zaken èn de heer commissaris des konings in deze provincie het aangenaam zouden vinden, indien eene verandering van deze bepaling plaats had, terwijl blijkens het ministerieel schrijven de heeren inspecteurs van het lager onderwijs in hunne jaarlijksche bijeenkomst als hun eenpaiig gevoelen hebben uitgesproken, dat die bepaling niet overeenkomstig is met den geest van de wet op het lager onderwij-', noch met dien van de staatsregeling, waarvan de wet een uitvloeisel is. ••Wanneer wij voorts in aanmerking nemen, dat in eene vergadering van de tweede kamer der staten-generaal bij de behandeling der staatsbegrooting op de verklaring van den heer minister van binnenlandsche zaken, dat hij het ten deze genomen besluit betreurde, een harer leden aan die verklaring zijne adhaesie schonk , en die door geen der overige leden werd wedersproken, en wij letten er al verder op hoe de onlangs afgetreden heer minister van binnenlandsche zaken nog kort \66r zijn aftreden eene wijziging der wet op het lager onderwijs heeft ingediend, waarbij o. m. hetzelfde doel, de intrekking of buiten werking stelling der bepaling, werd beoogd, welke ontwerp-wijziging evenwel door zijn ambtsopvolger om andere redenen weder is ingetrokken; en uit dit een en ander ontwaren, hoevele bekwame en deskundige mannen onderling volkomen eenstemmig oordeelen, dat de bepaling in kwestie niet langer onveranderd mag worden behouden, meenen wij uwe vergadering in bedenking te moeten geven, deze zaak nogmaals in overweging te nemen en die op nieuw aan uwe beslissing te moeten onderwerpen. „Voor zoo ver uwe vergadering aan het uitgedrukte verlangen van het hooge bestuur zoude willen voldoen, waartoe wij voor ons, na al het aangevoerde, wel zoaden overhellen te adviseren, gelooven wij u eene wijziging van art. 3t der verordening voor het burgerlijk armbestuur te mogen aanbevelen in den geest van het voorstel, door het raadslid den heer Viruly in de vergadering van den 12/13 Maart 1868 gedaan. Burgemeester en Wethoudere, He L.-Secretaris, De Burgemeester, (get.) C. I'. S ahdes P.Szs. (set.) J. vak V ollehiioveh." ---