STATEN-GENERAAL. Jn de zitting der tweede kamer van gisteren is de wet tot regeling van het hooger onderwijl ingekomen. De heer Insinger heeft inlichtingen gevraagd omtrent de geruchten die er in omloop waren met betrekking tot onderhandelingen tusschen de fransche ooster-maatschappij en de maatschappij tot exploitatie van staatsspoorwegen en de weigering van de regering em overeenkomsten deze zaak betreffende goed te keuren. In de tweede plaats vroeg hij inlichtingen omtrent hetgeen over de aansluiting van Amsterdam aan die lijnen gezegd werd. De Minisler antwoordde op de eerste vraag dat de regering geen goedkeuring had verleend en dat zij geheel en volkomen vrij was. Omtrent de tweede vraag zeide de heer Foei dat, a!s er eventueel later zulke contracten mogten werden gesloten, het misschien noodig zal zijn de goedkeuring van de wetgevende magt daarop te vragen. De heer Dullert heeft naar aanleiding van het adres van kerkvoogden van Eist met het gemeentebestuur aldaar , den wensch geuit dat door tusschenkomst der regering de moeijelijkheden uit den weg werden geruimd, die te dezer zaken met verschillende kerkbesturen van Gelderland bestaan. De Minister zal trachten de kwestie in der minne uit den weg te ruimen. Hij hoopt dat de onderhandelingen met dat doel gevoerd tot eene goede uitkomst zullen leiden. Aan den heer van Wassenaer van Catwijck is vergunning verleend tot het rigten van vragen aan den minister van fiaantien belast met de administratie der zaken van de hervormde eeredienst, betrekkelijk het beheer der kerkelijke goederen. De interpellatie van den heer van Sypesteyn, waarvan wij alleen de hoofdtrekken aangaven, luidde ongeveer als volgt: lo. In maart 1867 hebben wij een tractaat met Engeland gesloten tot wederzijdsche ruiling van grondgebied. Ieder verheugde zich daarover en beschouwde dit als eene overwinning, door de diplomatie behaald, daar verschillende ministers, van allerlei rigting , vruchteloos hadden beproefd, zoodanig tractaat tot stand te breDgen. De overgave van het grondgebied had plaats op 1 januarij 1868 , met invoering der regten, die volgens het nieuwe tractaat zouden geheven worden. Nederland had het schip het Metalen Kruis gezonden, ten einde hulp te verleenen, en ook de hulp van het engelsche bestuur kon niet genoeg geroemd worden. Alles was behoorlijk overgenomen en de ruiling was tot stand gebragt. Maar alleen een klein plaatsje in de nahijheid van Elmina, Commenda genaamd, bleef over. Het is een woelziek, onrustig dorp, zeer nabij het hollandsche dorpje Comany, en toen wij de nederlandsche vlag wilden hijschen, werd zij beleedigd , ten gevolge waarvan wij m et versterking terugkwamen. Op 31 januarij hebben wij toen met geweld de vlag geheschen en Commenda in brand geschoten. De gouverneur besloot daarop, Commenda te bezetten, onder medewerking van de bemanning van het Metalen K .ruiS' Toen dat schip op 1 april vertrok, zonder vervangen te worden , heeft de gouverneur besloten, het dorp te verlaten, zonder de nederlandsche vlag terug te halen. Op deze omstandigheid behoort de aandacht gevestigd te worden, dewijl daarin een bewijs van zwakheid te vinden is. Ik werisch den gouverneur niet hard te vallen; ik erken, dat hij in moeijelijke omstandigheden verkeerde; het was na het vertrek van het Metalen Kruis zeer bezwaarlijk, de orde te handhaven, maar ik betreur zeer het verlaten van Commenda. Dit dorp sluit de communicatie af tusschen St. George d'Elmina en onze overige bezittingen; er is geen andere uitweg dan over zee. En wat gebeurt nu? De Elminezen, ten getale van 20,000, oude, getrouwe bondgenooten sedert eeuwen, hebben steeds het prestige der nederlandsche vlag hoog geacht. De herinnering aan de daden onzer voorvaderen, onder de Kuyter, is nog niet uitgewischt. Wij waren ook sedert jaren in goede bondgenootschap met de Ashantijnen, maar de Fantijnen zijn de gezworen vijanden van de Ashantijnen, en de Engelschen zijn in bondgenootschap met de Fantijnen, en zouden gaarne zien, dat wij ons aan die lieden aansloten. De Fantijnen nu, waartoe Commanda behoort, zijn niet 30,000 a 40,000 man Elmina komen belegeren, en maken de communicatie zeer onveilig. Onze aansluiting aan de Fantijnen zou zeer roekeloos zijn geweest. Op 22 december heeft de minister mij verweton , dat ik oude berigten van schijn-deskundigen te berde bragt. Als bewijs, dat die beschuldiging ongegrond is, kan ik niet beter doen dan wat ik op 22 december gezegd heb. Ik zeide toen: „De Fantijnen zijn steeds met een groot leger (30,00o a 40,000 man) rond het dorp St. George d'Elmina gelegerd. De ambtenaren zijn wel veilig in het kasteel, maar de arme ingezetenen van het dorp, buiten hun schuld in den oorlog gewikkeld , kunnen niet in het bosch komen, of mannen, vrouwen en kinderen worden opgevangen en meêdoogenloos vermoord." Dat is nog de werkelijke toestand. Van daar hongersnood, stilstand van den handel en verwikkelingen, ten koste onzer oude bondgenooten. Mijne eerste vraag is alzoo: Kan de minister van koloniën ons eenige mededeelingen doen nopens den toestand der nederlandsche bezittingen op de Kust van Guinea; een toestand, die door velen als hoogst zorgelijk wordt gerekend? 2o. Ik heb een brief ontvangen uit St. George d'Elmina, van 26 februaiij 1869. Zijn de berigten juist, dan heeft daar het volgende plaats gehad. In januarij heeft de neger-regering den gouverneur laten verzoeken om ir. het fort te komen, ten einde een onderhoud of, zoo als men 't noemt, een palabber te houden. Mijn berigtgever deelt mij mede wat in 3 of 4 van die palabber! is voorgevallen. De neger-regering heeft toen allerlei verwijten aan het nederlandsche bestuur gerigt, dat haar a, l'abandon had gelaten. Er zijn zelfs bedreigingen gedaan, dat, indien de nederlandsche regering niet zeer spoedig te hulp kwam, men zich dan tot vreemde mogendheden zou wenden. Bovendien is de meening geuit, dat de nederlandsche regering niet eens in staat was, een oorlogschip te zenden, want dat het Metalen Kruis en de Amstel gehuurd waren van Engeland of van Frankrijk. Do neger-regering heeft vervolgens den bepaalden eisch gedaan, dat twee afgezanten naar Nederland zouden worden gezonden: één door den gouverneur en één door de neger-regering gekozen. De gouverneur heeft daaraan toegegeven. Ik vraag: Is het met de waardigheid der nederlandsche regering bestaanbaar, zulk een eisch in te willigen? Het is geschied; de neger -regering heeft één persoon, de gouverneur insgelijks één persoon aangewezen. De eerste is de heer Emissan, een voornaam koopman en logementhouder te Elmina, een zeer beschaafd man en die zelfo vrouw en kinderen ten pand aan de neger -regering heeft gelaten, a's borg voor het welslagen zijner zending. Onze afgevaardigde is de heer Mijer, kapitein-kommandant der troepen aan de Kust. Hoe is het mogelijk, den kommandant uit eene belegerde vesting herwaarts te zenden en alles aan een luitena' t overtelaten ? Mijne tweede vraag is: Is het juist wat zoowel in particulier» berigten als in dagbladen vermeld is, dat de neger-regering van E mina het bestuur van de Kust als het ware gedwongen heeft, twee afgevaardigden naar het moederland te zenden ? 3o. Op 22 december heb ik aangedrongen op het nemen van afdoende maatregelen. De minister van koloniën heeft toen go" antwoord: „Er kin zijn schijn van minder dan voldoende bel/tnestelline der reeerinï. vrezen is er niet. Door de beide bii deze zaak betrokken ministers wordt zij zeer behartigd. De minister van koloniën gaat daaromtrent te rade met wezenlijke, niet met sehijn-deskundigen. Hij raadpleegt de nieuwste berigten, niet de zoo even voorgelezen oude. De minister hoopt, dat men zal willen vertrouwen op de wezenlijke zorg der regering." Zijn er blijken van die zorg van de regering? Ik geloof die vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Wij zijn nu drie maanden verder en de toestand is belangrijk verergerd. Van tijd tot tijd kwam er een schip en nu is er weer een naar toe; raaar veeltijds was men zonder hulp. Voorts heeft de minister eenige achterladers gezonden en magtiging gegeven tot aanwerving van eenige meerdere manschappen. Maar ik geloof niet, dat dit afdoende middelen zijn. Die, welke ik bedoelde, waren van geheel anderen aard. O. a. heb ik ook op 22 december er op gewezen, dat geene geneeskundige hulp aanwezig was en thans ia die er nog niet. Wèl heb ik vernomen, dat een korporaal van de infanterie als zoodanig zou zijn aangesteld, maar dat is zeker een caniri; dit kan toch niet waar wezen. Mijne derde vraag is dus : Is de regering bedacht op het nemen van afdoende maatregelen, ten einde aan den toestand, die nu reeds zoo lang duurt, een einde te maken ? In antwoord op deze interpellatie heelt de minister van koloniën nagenoeg het volgende gezegd: Het doet mij leed, dat ik op dit oogenblik de vragen van den interpellant niet zeer uitvoerig kan beantwoorden. Eene omstandigheid belet mij dit. Die omstandigheid Is, dat de zaak in handen des konings is gesteld, en de koning nog niet heeft beslist. Eerst indien de koninklijke beslissing er zal zijn, zal de regering niet aarzelen, omstandige mededeelingen over de zaak te doen. Ziedaar het korte antwoord, dat ik op dit oogenblik kan geven op de eerste vraag. En wat de tweede vraag betreft, wil ik alleen dit zeggen, dat er veel van aan is. Wat de derde vraag aangaat, de kamer kan er op rekenen, dat de regering er van overtuigd is, det afdoende, doortastende maatregelen thans noodig zijn geworden. Nadat de heer van Sypesteyn verklaard had, op grond van art. 89 der grondwet, het antwoord van den minister te moeten eerbiedigen, maar vooral op de tweede vraag een ander antwoord verwacht te hebben, is de interpellatie voor afgeloopen verklaard. --- Binnenland. ARNHEM , 18 Maart. Z. M. heeft benoemd bij de dd. schutt. te Arnhem tot kapt. G. C. O. Beelaerts van Emmichoven, thans 1ste lnit. ; tot lsten luit. R. C. Bleckman, G. J. Verburgt en J. J. Wildschut, allen thans 2de luit.; tot 2den luit. H. H. T. Hoijer en H. P. van Alphen, beiden thans schutter. Z. M. heeft den kapt. ter zes H. Kemper met den laatsten april a. s. eerv. ontheven van zijne betrekking van dir. en comm. der marine te Hellevoetsluis, en die betrekk. met 1 mei daaraanvolgende opgedragen aan den kapt. ter zee J. van der Meerscfi; voorts den kapt. ter zee F. A. A. Gregory en Zr. Ms. adj. in buitengew. dienst, den kapt.-luit. ter zee J. F. Koopman, met den laatsten april a. s. eerv. ontheven, eerstgenoemde van het bevel over het wachtschip te Willemsoord en over het kon. instituut voor de marine aldaar, en laatstgemelde vrn het bevel over het raderstoomschip de Valk en hen vervangen respectivelijk door den kapt. ter zee J. P. G. Muller en den kapt.-luit. ter zee N. M. J. Kroef. Z. M. heeft den heer G. Oorthuys op zijn verzoek eervol ontslag verleend als ontv. der dir. bel. en uitg. regten en acc. te Katwijk c. a., behoudens aanspraak op pens. en met dankbetuiging voor de diensten, door hem in die betrekking den lande bewezen, gedurende een tijdvak van ruim 54 jaren. 'sHage, 17 maart. De heer G. F. van Dommelen, eerste officier van gezondheid bij het garnizoen te 's Hage, heeft zijn pensioen aangevraagd. Hij heeft het toezigt op zich genomen over de geneeskundige dienst bij het pauselijk leger, en zal binnen weinige dagen de reis derwaarts aannemen. (N. R. C.J * De uitslag der verkiezing bij herstemming van een lid der provinciale staten , voor het kiesdistrict Putten is als volgt: Uitgcbragt zijn 455 stemmen; daarvan verkregen de heer Vitringa 283 en de. heer Frowein 172. De mail uit Java wordt den 20sten dezer te Marseille verwacht. * Bij vonnis van den 16 maart 1869, zijn veroordeeld of vrijgesproken, door de arrondissements-regtbank alhier. R. D-, te Diepenveen, ter zake van eenvoudigen diefstal, vrijgesproken. H. J. W., te Terwolde, diefstal van hout op hoopen gesteld, veertien dagen gevangenisstraf. A. D., te Apeldoorn, onderscheidene diefstallen door een loonbediende jegens dengenen dien zij diende, twee maanden gevangenisstraf, in een verbeterhuis. E. v. V. en A. v. d. P., te Renswoude, moedwillige wederkeerige mishandeling, n°. 1 ééne maand gevangenisstraf en ƒ 8 geldboete of twee dagen subsidiaire gevangenisstraf, n°. 2 gevangenisstraf van acht dagen. H. R., onder Barneveld, 1° feitelijke en gewelddadige wederstand tegen een bedienend beambte in functie door één persoon zonder wapenen, 2°. geweldpleging op een bedienend beambte in functie welke bloedstorting heeft voortgebragt, zes maanden gevangenisstraf. G. G., te Velp, laster, veertien dagen gevangenisstraf. J. P. , te Arnhem, ééne maand gevangenisstraf. G. P., A. C., T. R,, H. V. en M. O., allen te Arnhem, enkele diefstal van te veld staande veldvruchten in vereeniging van meer dan vier personen, ieder twee dagen gevangenisstraf. T. A., te Harderwijk, 1° openbare schennis der eerbaarheid, 2°. beleediging met woorden van een bevelhebber van de gewapende magt in functie, zes maanden gevangenisstraf en f 25 geldboete of vijf dagen subsidiaire gevangenisstraf. T. H., zonder beroep noch vaste woonplaats, landloopen, daarvan vrijgesproken. Op de vierde algemeene vergadering der vereeniging van leeraren aan inrigtingen van middelbaar onderwijs, die op dingsdag den 30sten maart a. s. te Arnhem zal gehouden worden, zullen de volgende vraagpunten worden behandeld: 1°. Is de vereeniging het met dr. Salverda eens omtrent de wenschelijkhcid, dat de natuurlijke geschiedenis uit het programma der eind-examens worde geschrapt, en op zijn hoogst alleen zal blijven deel uitmaken van de overgangs-examens der scholen zelve. (Aangehouden in de 3de vergadering, 2de sectie.) 2°. Door sommigen wordt de methode voor het onderwijs in het handteekenen, toegelicht in het werkje van Hendrix „le dessin mis a la portee de tous," voortreffelijker genoemd dan die van Dupuis, en andere der meest gebruikelijke methoden. Men vraagt waarin de voortreffelijkheid der leerwijze van Hendrix is gelegen ? De heer d'Arnaud Gerkens zal, volgens de opdragt tem door de voiige vergadering gedaan, over deze methode nader rapport uitbrengen. (Aangehouden in de 3de vergadering, 1ste sectie.) 3°. In hoever moet het onderwijs in de ethnographie deel uitmaken van dat in de aardrijkskunde ? (Van het bestuur, 5 de sectie.) 4°. Kan het onderwijs in de warenkennis aan één docent worden opgedragen of is het wenschelijk dat het gesplitst worde? (Van het departement Delft, Rotterdam en Dordrecht, 2de sectie.) 5°. Hoe moet het onderwijs in de natuurlijke historie over den vijfjarigen cursus eener hoogere burgerschool worden verdeeld ? (Van hetzelfde departement, 2de sectie.) 6°. Moet het onderwijs aan een hoogere burgerschool met driejarigen cursus omvatten de drie eerste jaren van een vijfjarigen cursus ? (Van hetzefde departement, alle sectien.) 7°. Is het hollandsch van de 17de eeuw wenschelijk als factor van het onderwijs in de nederlandsche taal op de derde klasse van een vijfjarigen cursus? (Van dr. van Deventer, 4de sectie.) Z. M. de koning heeft maandag het korps koninklijke scherpschutters van de Veluwe (dat thans geheel van wege Z. M. gekleed en uitgerust is), geïnspecteerd. Het korps heeft onder de bevelen van den kapitein Lafors eenige evolutien uitgevoerd, waarover Z. M. zijne tevredenheid heeft te kennen gegeven. De minister van marine brengt ter kennis van belanghebbenden , dat in de maand mei a. s. bij de directie der marine te Hellevoetsluis een vergelijkend examen zal plaats hebben van jongelingen, die als machinistleerling der 2de klasse wenschen te worden aangenomen. Het getal der als zoodanig te plaatsen jongelingen zal zich tot een en twintig bepalen. Voorwaarden van aanmelding zijn vermeld in de Staats Ct. van 17 dezer. De gemeenteraad te 's Gravenhage heeft aangenomen een voorstel van het lid Du Tour de Bellinchave, dat de raad den commissaris des konings kenbaar make, dat hij genegen is voor rekening der gemeeente een binnenhaven aan te leggen , zoodra met de verbetering van den waterweg van de Maas naar 's Gravenhage een aanvang zal zijn gemaakt, maar van geldelijke subsidie van twee ton voor laatstgenoemd werk afziet. * Onze correspondent te 's Gravenhage deelt ons het volgende mede: Hoe bij een geheel locale zaak, waarop mijne mededeelingen doelden, politieke beginselen kunnen te pas gebragt worden is mij niet regt duidelijk. Als ik u eene pure inventie had opgedischt, gelijk men mijne berigten gelieft te kwalificeren, ten aanzien van een plan tot het oprigten in het centrum der residentie van een concert- en komediegebouw, dan zal het er toch bitter weinig toe doen of ik zuiver liberaal dan wel ultra-conservatief ben in mijne politieke beginselen. Een leugen blijft een leugen. De laatste beslissing van de tweede kamer ten aanzien van het dagbladzegel schijnt een nadeeligen invloed gehad te hebben op het humeur van de redactie van het Dagblad, en heeft haar ter bestrijding van mijne mededeelingen een démenti in de pen doen geven dat grootendeels eene onjuistheid is, welke ik nu ook van mijne ziide wel kon kwalificeren: van het zuiverste conservatieve allooi. De redactie van het Dagblad heeft zich zeer veel moeite gegeven om te kunnen volhouden iets als canard gestempeld te hebben, wat zij evenwel, tamelyk tegenstrijdig, een idee dat wel bestaan had maar dat reeds twee maanden geleden was opgegeven, noemde. Hoe dit zij, ook ik heb mij nader vergewist hoe of werkelijk thans de toestand dezer zaak is. Voor uwe lezers is het van weinig belang al de détails te melden, en daarom zal ik mij nu alleen bepalen tot de mede(Jeeling dat het plan tot het oprigten op de bedoelde plaats te 's Hage van een concert- en komediegebouw volstrekt niet is opgegeven, en zelfs dezer dagen daaromtrent nog op nieuw onderhandelingen zijn aangeknoopt, die binnen korten tijd tot beslissing moeten komen, met den persoon die uitsluitend belast is met de regeling der zaken van den eigenaar der verlangde panden in de Jan Hendrikstraat. In zooverre heb ik mij vergist, of liever had men mij verkeerd ingelicht, dat wel degelijk de kleine woningen nevens de stallen voor dit plan onmisbaar waren, terwijl door den hoogen eisen van de eigenaresse die zaak tot geene definitive beslissing is kunnen komen. Leeuwarden, 16 maart. Gisteren avond is door eenige officieren van het alhier garnizoen houdende 1ste regement infanterie, met welwillende medewerking van mevr. Kleine, in den schouwburg eene tooneelvoorstelling ten voordeele der algemeene armen gegeven. De opgevoerde stukken waren Joan Woutersz., van Schimmel, en Kom hier, van Kerkhoven. Vele ovatien vielen den vertooners ten deel. Aan mevr. Kleine werden bloemruikers toegeworpen en na afloop der voorstelling een fraai cadeau aangeboden. Den 16den maart, 's namiddags om 4 uur is te Parijs het chemisch-magazijn van den heer Fontaine , lid van het instituut, op de plaats der Sorbonne uit elkander gesprongen. Vier menschen werden gedood , waaronder de zoon van Fontaine; het getal gekwetsten is nog onbekend. De geheele plaats der Sorbonne is verwoest. De schade aan waren wordt op 600,000 fres. begroot. Tc Parijs is een gedeelte van de nalatenschap van Rossini verkocht, o. a. 123 snuifdoozen , waaronder maar zes, die meer dan 100 fr. hebben opgebragt. Ook de vermaarde klisteerspuit is te koop aangeboden, maar zij werd door de familie opgehouden voor 276 fr.: het was dan ook wel een waar familiestuk. Joseph Smith, tot de gezindte der kwakers beboerende , komt met een hoed op in het politie bureau te Liverpool. De regterlijke ambtenaar verzoekt hem zijn hoed af te nemen. — Dat doe ik niet; ik ben met mijn hoed op voor het politic bureau te Birmingham gekomen en niemand heeft mij iets daaiover gezegd. — Gij zijt hier niet te Birmingham, maar te Liverpool. Zet den hoed af. — Neen. — Deurwaarder, als die man zijn hoed niet afzet, verwijder hem dan. —. Rank mij niet aan! Ik verbied u mij aan te raken.—. Neem dan uw hoed af. — Dat kan ik niet. — Ga dan heen. — Ik stel voor.... — Ga heen ! —. Het past mij niet mijn hoed af te nemen, maar ik stel voor, dat een policeman mij den hoed afneemt, dan is alles gevonden. De ambtenaar stemde in die schikking toe. Een policeman nam den hoed van den kwaker af en de audientie begon. ---