BEKENDMAKINGEN. Burgemeester en Wethouders der gemeente Arnhem, Gelezen Prov. Blad N*. 17 van dit jaar, Brengen ter openbare kennis: 1» (jat door heeren Gedeputeerde Staten het tijdstip voor den horjjk der maten en gewigten voor deze gemeente, is bepaald als volgt: van af 3 Maart tot en met 9 April, alle werkdagen , uitgezonderd des Zaturdags , van 9 uur des morgens tot 8 uur des namiddags', te verdoelen als volgt: voor apothekers, goud-, zilversmids- en juweliersgewigt en andere gewigten, bestemd tot fijnere wegingen, op 3, 4 en 5 Maart; voor maten en gewigten in gebruik op de openbare markten, bij den groothandel in granen, tabak enz., de expeditie enz., op 6, 7 en 10 Maart, en verder voor den herijk in het algemeen: Wijk A . . . 11 en 12 Maart. » B ... 13, 14 en 17 » > C ... 18, 19 en 20 » » D .... 21 en 24 » » E . . . 25, 26 en 27 » » F ... 28 en 31 » » 6 ... 1 en 2 April. » H ... 3 en 4 » » I . . . 7 de overige Wijken 8 en 9 April. 2°. dat belanghebbenden ten overvloede in herinnering wordt gebragt, dat het ten herijk aangebodene zorgvuldig moet zijn gereinigd. Arnhem, 10 Februarij 1873. Burgemeester en Wethouders voornoemd, F. Pels Rijcken. Be Secretaris, H. H. VlTRINGA. Burgemeester en Wethouders der gemeente Arnhem, Gezien art. 9 van Z. M. b«sluit van den 17 December 1861, ( Staatsblad n°. 127), Roepen bij deze op alle ingezetenen, die mogten verlangen als Vrijwilligers bij de Militie op te treden , om zich ter Secretarie aan te melden en in het daartoe bestemde register te worden ingeschreven , waartoe dagelijks van des voormiddags 10 ure tot des namiddags 2 ure gelegenheid b.staat. Om Vrijwilliger bij de militie te zijn, moet men ongehuwd of kinderloos weduwnaar en ingezeten wezen, voorts ligchameljjk voor de dienst geschikt, ten minste 1,56 el lang, op den lsten januarij van het jaar der optreding als vrijwilliger, het 20ste jaar ingetred.m zijn en het 35ste jaar niet volbragt hebben, tot op het tijdstip der optreding aan zijne verpligtingen ten aanzien van do militie , zoover die te vervullen waren , voldaan en een goed zedelijk gedrag hebben geleid. Het bezit] van die vereischten, met uitzondering van de ligchamelijke gesteldheid en van de gevorderde lengte, wordt bewezen door een getuigschrift van deu Burgemeester, ter verkrijging waarvan op bovengemelden tijd gelegenheid bestaat. En zal deze worden afgekondigd door aanplakking. Arnhem , 11 februarij 1873. Burgemeester en Wethouders vernoemd: F. Pels Rijcken. De Secretaris, H. H. V itrin6a. --- STAATKUNDIG OVERZIGT. 12 Februarij 1873. De aandacht van het publiek, dat den dagelijkschen gang der staatkundige gebeurtenissen pleegt te volgen , is weder plotseling gevestigd op Madrid. Den 4den december 1870 nam koning Amadeus de kroon van Spanje aan , die reeds zoo velen vóór hem hadden geweigerd, en naauweljjks twee jaren na zijne krooning doet de jeugdige vorst afstand van den troon. Dit feit is van groote staatkundige beteekenis, niet alleen voor het ongelukkige Spanje zelf, maar ook voor gansch Europa ; de vraag: republiek of monarchie ? wordt weder op den voorgrond gedrongen in een der groote Staten van ons werelddeel, en do binnenlandsche verwikkelingen op het schiereiland kunnen zeer gemakkelijk baar invloed doen gevoelen ook buiten de grenzen. Wat is de oorzaak van 'skonings besluit? Naar het heet, een verschil van gevoelen tusschen den koning en zijn raadslieden, in de quaestie der artillerie-officieren. Wij willen met een enkel woord herinneren, wat deze quaestie is: In november van het vorige jaar werd de generaal der artillerie Hildalgo benoemd tot kapitein-generaal der baskische provinciën; deze benoeming lokte een protest uit van de meerderheid der spaansche artillerie-officieren, die zich beklaagden over de veel te spoedige promotie van hun wapenbroeder, wien zij verweten , dat hij in junij 1866 had deelgenomen aan den moord in de kazerne van San-Gil. Hidalgo wist zijn gezag te handhaven en scheen door de Regering te worden gesteund, doch bij eene interpellatie in het? Congres werd zijne zaak slechts zwak verdedigd door den minister van Oorlog, en de generaal begreep dat hij zijn ontslag moest nemen. Het ontslag werd aangenomen , de officieren waren tevreden en alles scheen naar wensch te zijn geregeld. Het ministerie evenwel meende den generaal eenige vergoeding schnldig te zijn, en werkelijk kreeg Hidalgo in het begin dezer maand een van de belangrijkste kommandementen in Katalonie. Aanstonds waren de artillerie-officieren met een nieuw protest gereed, en een groot aantal hunner bood ontslag aan voor het geval de generaal niet werd ontslagen. Ditmaal hield Zorilla den generaal de hand boven het hoofd ; toen de zaak jl. zaturdag in het Congres ter sprake werd gebragt, verklaarde hij, dat hij het ontslag der protesterende officieren zou aannomen en den generaal handhaven op zjjn post; de Cortes gaven hem met groote meerderheid van stemmen een votum van vertrouwen, welk votum maandag daaraanvolgende ook door den Senaat werd uitgebragt. De Regering gaf in beide Kamers de verzekering . dat de koning tegenwoordig was geweest in den ministerraad waar dit besluit was genomen , en dat hij de houding zijner raadsleden volkomen goedkeurde. De artillerie-officieren werden ontslagen ; de meesten hebben reeds hunne batterijen overgegeven en tot nu toe zonder pronunciamento, doch nu ontbreekt het deu regeringstroepen aan artillerie, en dit juist op een oogenblik, waarin de carlistische beweging in de noordelijke provinciën een zóó dreigend karakter had aangenomen, dat eene krachtige onderdrukking van den opstand meer dan ooit wenscheljjk is. Dit alles zijn treurige »spaansche zaken", maar toch mag men vragen, of dit feit, op zich zelf staande, den afstand van den troon regtvaardigt of zelfs verklaart ? Veel waarschijnlijker komt het ons voor , dat het slechts de naaste aanleiding is geweest, dat een lang gekoesterd plan eindelijk tot rijpheid kwam, dat Amadeus uit moedeloosheid over den gang van zaken het besluit nam, om een werkkring te verlaten, waarin hij meent geen nut te kunnen doen. Welke invloeden op den koning hebben gewerkt, weten wij nog niet; evenmin is het bekend welke gevaren hij misschien voorziet, terwijl ze nog voor het publiek verborgen zijn; maar zeker is het te betreuren, dat de jeugdige koning reeds zoo spoedig den moed heeft laten zinken , terwijl hem toch reeds meer dan eenmaal, onder anderen op zijn reis door Spanje en na den moordaanslag te Madrid, is gebleken, dat een groot deel der bevolking sympathio koestert voor zijn persoon en zijn regeringsbeleid. Hoe het zij, de koning staat op zijn besluit. Het Congres heeft zich op voorstel van Figuerola permanont verklaard; het zal met den Senaat het hoogste gezag overnemen, zoodra de akte van afstand zal zijn ingekomen, hetgeen waarschijnlijk reeds hoden geschiedt; het ministerie neemt dan zijn ontslag, en door de Cortes wordt in vereenigde zitting eene wet op het regentschap ontworpen. Tot nu toe is alles rustig te Madrid. Te Versailles wacht alles op het rapport van den heer de Broglie ; "het zal een meesterstuk zijn van geslepenheid en diplomatiek beleid, althans wanneer men den hertog zeiven mag gelooven , die aan Thiers heeft beloofd o zoo fatsoenlijk en o zoo verzoeningsgezind ;te zullen zijn. Hij zal zelfs zijn rapport eerst aan den president ter inzage geven, alvorens het in de Kamer te brengen, en dan zal in de Kamer zijne fluweelen tong al de kleingeestige en verachtelijke intrigues der amphibien van het regter-centrum trachten te bedekken. Alsof de Kamer en de natie blind zouden zijn voor het streven dezer partij; alsof deze zich niet reeds sinds maanden in de kaart had laten kijken en ontvangen zal worden met al het wanti ouwen, dat zij verdient! De uiterste regterzijde is althans riddeljjker dan de hertogen van het centrum ; zij komt er openlijk voor uit, dat zij van geene verzoening wil weten, dat zij niet zal rusten vóórdat elke schijn of schaduw van eene republiek is verdwenen , vóórdat de witte banier der Bourbons door een zwarte bende naar de Tuilerien wordt gedragen. — De fractien der linkerzijde zijn bereid den president te steunen, doch onder voorwaarde, dat hij geene enkele concessie meer zal doen; alleen door het. standpunt te bewaren dat hij in de zitting der commissie den 3den februarij heeft aangenomen, zou hij regt hebben op de medewerking van hen, die aan de toomelooze aanmatiging der revolutionaire partijenter regterzijde van de schouwburgzaal van Versailles paal en perk willen stellen. — De commissie voor de kieswet heeft besloten, dat zij haar ontwerp niet aan de commissie van 30 zal verzenden. De Times bevat eene officieel berigt uit Petersburg, waardoor het gerucht omtrent Rusland in Perzie volkomen wordt bevestigd. Rusland rekent het — waarschijnlijk voor zijne expeditie naar Khiva — noodzakelijk, dat de vallei tusschen de rivieren Attreck en Gurgun, met andere woorden het landschap Dahistan in Perzie, door russische troepen wordt bezet. Zal men te Londen nu nog de oogen gesloten houden, en zeggen dat men geen gevaar ziet? --- Binnenland. ARNHEM, 11 Februarij. * Men schrijft ons uit 's Hage : Zuster Anna, ziet gij de Tweede Kamer nog niet komen, want onze stof is uitgeput ? zoo vroegen een dagblad-redacteur en een oppositielid. Zuster Anna antwoordde, dat zij nog niets zag komen, hetgeen ons geenszins verwonderde. Wat zou de Tweede Kamer doen, als zij thans bijeenkwam ? Toen de Kamer in december uiteenging , meende zij , dat het eindverslag over de regterlijke organisatie spoedig zou komen. De heer van der Linden heeft, als president der commissie van rapporteurs, eerst voor eenige dagen een vergadering gehouden en nu is de commies-griffier Star Numan bezig een lijvig verslag te maken, dat als het gereed is nog door de rapporteurs moet nagezien worden. En wanneer zal de heer van der Linden hen daartoe oproepen ? Het wetsontwerp op het toezigt der spoorwegen is, op verzo«k der Regering, nog niet behandeld. De Kamer wacht nog steeis op de daarin te brengen wijzigingen. Het eindverslag op de pensioen-wet is wel uitgebragt, maar in dat eindverslag is zoo krachtig het onregt aangetoond, dat den ambtenaren wordt aangedaan, dat, volgens parlementaire usantie en beleefdheid, de minister van Finantien eerst een schrifteljjke nota moet inzenden, alvorens da pensioen-wet aan de orde raag worden gesteld. Over de pensioen-wet verwacht men een zeer levendige discussie, die vele dagen zal duren. De traktaten met Belgie zijn nog niet eens bij den Raad van State, evenmin als de spoorwegwet Arnhem-Nijmegen. Niet beter is het gesteld met het wetsontwerp tot herziening van de gebouwde eigendommen, hetwelk de minister van Finantien hoopte dat de Kamer na het reces zou vinden. Dit ontwerp ligt nog aan het ministerie en moet ook nog naar den Raad van State. De Kamer heeft dus nog niets te doen; intus­ schun is het gewoonte, dat zij 6 a 7 weken voor Paschen bijeenkomtzoodat tegen het laatst der maand de bijeenkomst wel zal plaats hebben; ik deuk 25 , 26 of 27 februarij. Men wil dat door den heer Nierstrasz een wetsontwerp zal w«rden ingediend op het bevorderen, ontslaan en penaioneren der zee-officieien. * Men schrijft ons uit het Noorden des Rjjks: Wij hebben een ni-wintertje en dat geeft aanleiding tot gezellige bijeenkomsten, waarin , als zij uitsluitend uit heeren bestaan , dikwijls ook de politiek in ruimeren en engeren zin wordt behandeld. Dat eenigo leden der Tweede Kamer, niet uit tegenzin in parlementaire besognes, niet uit moedeloosheid, liet gevolg van deze of gene teleurstelling, maar uit het besef, dat andere pligten door hun verblijf te 's flage lijden en aan de eischen, door het mandaat van volksvertegenwoordiger hun opgelegd, niet gelijkelijk met eene trouwe vervulling dier pligten kan worden voldaan; dat zulke leden der Kamer wenschen af te treden, heeft hier, hoe de aangevoerde redenen ook te billijken zijn, een onaangenamen indruk gemaakt. Gaarne behoudt men de heeren van Akerlaken en Dumbar in de Kamer. De eerste, een be kwaam en ijverig liberaal, de tweede, een kordaat volksvertegenwoordiger mot een helder verstand, beide mannen op wie men rekenen kan, hebben de achting des volks verdiend en met leedwezen zou men hen zien heengaan. Ook de heer van Voorthuysen, een man van studie, altijd op zijn post en, moge hij soms eenigzins afzwerven, steeds ter goeder trouw, terwijl hij de groote liberale beginselen nooit verzaakte, zal in de Kamer gemist worden door de echt constitutionele partij. Dat de heer Moens er zijne plaats verlaat, is in sommige opzigten een verlies, dat echter eenigzins getemperd wordt door zijne openbaringen, hem in de jongste zitting ter zake van het lager onderwjjs ontsnapt. Of is dit cursive woord niet juist ? Het zou ons leed doen. Zeker is het althans, dat de concessien, door den heer Moens in deze ernstige quaestie gedaan , concessien, welke de heer Heemskerk Az. zich aanstonds tot een begeerlijke prooi trachtte te maken, groote bevreemding bij de liberale partij hebben verwekt, door haar, op zijn minst, hoogst onvoorzigtig worden geacht. (1) Het liberale Friesland zal voor den heer Moens wel een volksvertegenwoordiger zenden die aan de onderwijs-wet van 1857 beter vasthoudt. Dat de heer Westerhoff zijn mandaat zou willen afstaan, is, gelooven wij, nog niet zeker. Mogt hij er toe besluiten, dan dringt hem daartoe alleen eene geschokte gezondheid. Hoe de kiezers in het district Winschoten over den heer Jonckbloet denken, is vrij onzeker. Die de sympathie, hem eens toegedragen, nog dezelfde kracht toeschrijven, hebben een geloof, hetwelk niet ieder bezit. Was bet oordeel van de kiezers gevraagd, eenige dagen na de verwerping van het wetsontwerp tot eene inkomsten-belasting, dan zou do heer Jonckbloet zeker te weten zijn gekomen, dat zijne houding in de geschiedenis van dat ontwerp niet de algemeene goedkeuring in het district Winschoten verwierf. Het zal spoedig blijken of de indruk daardoor toen gemaakt, nog levendig bleef, dan wel of die gewijzigd werd. Volgens sommigen is het ook bij den heer Tonckens, lid der Eerste Kamer uit Drenthe, in overweging om zijne parlementaire loopbaan te sluiten en zijne plaats aan jeugdiger krachten af te staan. (1) Wat de briefschrijver omtrent den heer Moens zegt laten wij geheel voor zijne rekening. Met zekerheid wordt aan 't D. v. Z.-H. medegedeeld , dat het gerucht, volgens hetwelk de heer van Beyma thoe Kingma zich bij de aanstaande periodieke aftreding niet weder verkiesbaar zal stellen voor het lidmaatschap der Tweede Kamer, gegrond is. Een Amerikaan, dr. Elmer Woodruf, heeft weuer eens het vergaan der wereld voorspald. Eene vertaling van zijn profetie en visioen is bij den uitgever Theod. Bom verschenen. Volgens dr. Woodruf zal den 26sten januarij 1889 de oude wereld plaats maken voor eene nieuwe. Op dien dag zal de aarde van de zon worden verwijderd en na 21 dagen zal de nieuwe aarde te voorschijn komen, zoodanig gereinigd , dat het koningrijk dar hemelen kan worden ontvangen. Wie meer van dezen onzin verlangt te vernemen , verwijzen wij naar het genoemde boekje, waaraan ook weder de uitspraak van Boileau zal worden bevestigd, dat er geen zóó groote dwaas is die schrijft, of hij vindt iemand nog dwazer die zijn boek leest. Bij de uitgevers Nijgh en van Ditmar zal eerstdaags het licht zien de Vlinder, bloemlezing uit de wereldpers. De wijze, waarop doel en inhoud van dit weekblad wordt medegedeeld aan het publiek, is wol geschikt, om nog zonder het blad gezien te hebben, velen er voor te winnen, terwijl de prijs van ƒ 5 in het jaar ons zeer gering toeschijnt voor de ruim 400 onderhoudende bladzijden, die de Vlinder belooft' Karl Weisz in Berlijn durft het volgende van het pruissisch onderwijs zeggen. »Een arbeider, een huisknecht, ja in vele streken van het vaderland een straatveger, ze verdienen meer dan de arbeider voor volkswelvaart en volksontwikkeling. Bij het erbarmelijke loon van 50, 100 200 thalers eischt men van een onderwijzer het onderhoud van een huisgezin, lust voor en toewijding aan eene moeijelijke levenstaak. Men wenscht knappe menschen en geeft hun het loon van een nachtwacht!" Niet minder waar is, wat men onlangs zei: dat men in Pruissen «stampvolle klassen in slecht gebouwde scholen door verhongerde onderwijzers laat onderrigten." Zoo is Pruissens toestand van het onderwijs; maar hoe is het in Nederland gesteld ? Wij gelooven weinig beter, want de meeste nederlandsche onderwjjzers hebben niet meer inkomen dan die , in Pruissen en met vele scholen , vooral op het platteland is, het evenzoo gesteld. * Bij vonnis van 11 februarij, zijnjveroordeeld door de Arrondissements-regtbank te Arnhem. P. R., te Arnhem, ter zake van bedriegelijke opligting, door met gebruikmaking van een valsche qualiteit zich gelden te hebben doen ter hand stollen, en zich langs dien weg bedriegelijk van eens anders bezittingen ten deele te hebben meester gemaakt, gev.straf van 3 maanden cellui. G. S., te Deventer, eeuvoudigen diefstal, tot gev.straf van 3 maanden. A. A, S., te Beekbergen, beleediging met woorden en dreigementen van een bedienend beambte in functie, geldboete van ƒ30, of zeven dagen subs. gev.straf. H. D., te Heelde, opzettelijke vorbreking van afsluiting, gev.straf van eene maand en geldboete van f 25 of vijf dagen subs. gev.straf. A. K. en J. J., te Putten, eenvoudigen diefstal in vereeniging met elkander gepleegd, gev.straf van acht dagen ieder. J. de B. te Harderwijk, 1°. eenvoudigen diefstal, 2° diefstal van te veld staand gras, tot gev.straf van drie maanden. J. J. te Putten, eenvoudigen diefstal, tot gev.straf van acht dagen. A. v. d. K. te Harderwijk, moedwillige mishandeling, tot gev.stral van veertien dagen. G. v. d. B. en J. v. d. B., n° 1 te Buurschap Zwartebroek, gem. Barneveld, n° 2 te Hoevelaken, moedwillige mishandeling in vereeniging met elkander gepleegd, tot eene geldboete van ƒ 10 ieder of twee dagen subs. gev.straf. R. B., te Lunteren, 1°. geweldpleging op een bedienend beambte in functie, 2°. beleediging met woorden van een bedienend beambte in luntie, gev.straf van veertien dagen en geldboete van ƒ 10, of twee dagen s*bs. gev.straf. J. en G. E. van P., te Ede, wat beiden betreft 1®. beleediging met woorden van een bedienend beambte in functie, 2°. geweldpleging op een bedienend beambte in functie, door den eersten beklaagde tweemalen gepleegd, gev.straf van eene maand ieder en geldboete van ƒ 10 of twee dagen subs. gev.straf elk. D. van R., te Wageningen, moedwillige mishandeling en verwonding, gev.straf van drie maanden, twee geldboeten ieder van ƒ 10 of twee dagen subs. gev.straf voor elke boete. A. F., te Zevenaar , oenvoudigen diefstal, tot gev.straf van drie weken. J. S. H. H., te Loo, gemeente Duiven, beleediging met woorden en dreigementen van een bedienend beambte in functie, geldboete van f 30 of zeven dagen subs. gev.straf. * De landverhuizingen naar Noord-Amerika of andere overzeescbe bezittingen bedroegen in deze provincie over 1872 : Welgestelde personen 48, mingegoeden 152 , behoeftigen 41, vrouwen 122 , kinderen 420 , dienstboden 3, te zamen 786 personen. De Ned. Industrieel meldt, dat, tot deelneming aan de Weener wereldtentoonstelling , van industriëlen 350 en van artisten 150 inschrijvingen zijn ontvangen. Te Apeldoorn en te Voorst heeft eene commissie uit Gedeputeorde Staten de bezwaren onderzocht, door belanghebbenden geopperd tegen de rigting en het plan voor den Ooster-spoorweg, voor zoover deze door die gemeenten zal loopen. Als een merkwaardigheid wijst men te Vorden den vreemdelingen gaarne op het kasteel, dat meer dan duizend jaren moet bestaan hebben; de muren zijn bijna l 1 / s meter dik. Baron van der Borch, de tegenwoordige eigenaar, laat het gebouw der middeneeuwen weder in orde brengen, en wil het gaan bewonen. {U- B.) Maandag namiddag ontstond te Amsterdam brand in de Tuinstraat, waardoor zes huisgezinnen van al hun have en twee andere van bijna alles beroofd werden. De bovenwoningen van een groot gebouw, waarin 12 gezinnen gehuisvest waren, zijn geheel afgebrand. De brand is zéó plotseling ontstaan, dat bijna niets kon gered worden , behalve sommige meubelen , die uit de vensters geworpen werden. Belangrijke persoonlijke ongelukken zijn niet te betreuren; toch konden zich .de bewoners slechts met moeite redden. Drie kinderen werden door een politie-agent en een ander persoon met een touw *it een bovenverdieping neêrgelaten en gered; een der kinderen had ligte brandwonden bekomen en is naar het gasthuis vervoerd. Toen de beide redders zelf zich uit de brandende kamer wilden verwijderen , vonden zij den trap reeds in vuur en moesten zij hunne redding zoeken , de een over het dak, de ander door uit een venster te springen. Gilukkig heeft voor den laatste zijne zelfopoffering geen ernstiger gevolgen gehad dan een ligte wonde aan het hoofd. Op de kamer, waar de brand ontstaan is , was niemand aanwezig. De man was aan zjjn werk, de vrouw lag ziek in het gasthuis, en de kinderen waren op de school. De nederlandsche palmitine-fabriek heeft hare betalingen gestaakt. Het huis der vermoorde weduwe van der Kouwen in den Haag, dat op eene waarde van / 14.000 wordt getaxeerd, is'geveild voor/7600. Ook de huizen in den omtrek hangen voor een deel te huur. Bewoners zouden nog wel te vinden zijn , maar het groote bezwaar is dienstboden te krijgen voor hen, die in deze buurt zich vestigen. In den Haag is door het italiaansch operagezelschap, onder directie van den heer Geraldini, Lucie de Lammermoor opgevoerd. Het oordeel was, even uls te Rotterdam, zeer ongunstig. Aan de groningsihe hoogeschool is bevorderd tot doctor in de beide regten, de heer J. Rutgers, doctor in de godgeleerdheid, geboren te Groningen, na verdediging van stellingen. * Tilburg, 11 febr. Omtrent de verschillende branden, welke albier op de Wijk Hasselt in den laatsten tijd plaats hadden, en die niet dan aan kwaadwilligheid zijn toe te schrijven, had de justitie uit 's Bosch eenigo verdenking tegen zekere vrouw K... alhier opgevat, en h»t der regtbank ter bekrachtiging van een en ander aangeboden; waarop de regtbank de bekrachtiging geweigerd heeft en haar buiten vervolging gesteld. De officier is echter hiervan in hooger beroep gekomen. In den nacht van vrijdag op zaturdag is tusschen Boxtel en Eindhoven zulk eene massa sneeuw gevallen, dat de aankomst van den eersten spoortrein daardoor zelfs een half uur vertraagd werd; op sommige plaatsen lag de sneeuw een a twee voeten hoog. Aan het rapport van de bij beslnit van 30 october 1872, n°. 5, ingestelde Staatscommissie, »om te onderzoeken welke nadeelen voor Nederland te duchten zijn ten gevolge der maatregelen, die in den laatsten tijd in naburige rijken, in het bijzonder in Duitschland, op het gebied van het muntwezen zijn genomen, en om bij de mededeeling van de uitkomsten van haar onderzoek , zoo noodig, de middelen voor te stellen, die zouden kunnen worden aangewend , om de voor Nederland gevreesde nadeelen te voorkomen ," ontleent het Dagblad het volgende: De commissie treedt in de eerste plaats in een onderzoek der viagen : »Wat is er op het gebied van het muntwezen, gedurende de laatste jaren, in de verschillende Staten van Europa voorgevallen? Welke veranderingen worden op dat gebied voorbertid ?" De beantwoording dier vragen, door een blik in een niet te ver verleden (tot 1847 teruggaande) voorafgegaan, leidt de commissie tot een schets van het tegenwoordige en tot een aanduiding van het hetgeen wij van do toekomst te wachten hebben De commissie komt daarbij tot deze gevolgtrekkingen : De toestand van het oogenblik is bedenkelijk. Nederland kan een zeer moegelijke toekomst tegemoet gaan. De zilver-circulatie hier te lande is reeds nu hoogst aanzienlijk en wordt van dag tot dag grooter. Rekening houdende met een niet onbelangrijken uitvoer naar Nederlandsch-Indie, kan men de hoeveelheid staudaardmunt in het moederland stellen op 125 a 130 millioen gulden. Dat bedrag is echter steeds klimmende door de plaats hebbende aanmuntingen , die thans door tijdelijke behoefte aan zilveren specie noodzakelijk zjjn. In de overtuiging , dat Nederland, in de gegeven omstandigheden , door volharding bij zijn muntstelsel, in groote moeijelijkheden zou kunnen geraken, en doordrongen van de noodzakelijkheid, dat reeds nu met spoed gehandeld worde, daar uitstel gevaarlijk is, acht de commisssie zich verpligt tot het doen van voorstellen, welke naar hare meening tot een bevredigende oplossing kunnen leiden van het dilemma, waarin ons vaderland, geheel buiten zijn wil, door den loop der gebeurtenissen op den huidigen dag verkeert. Het rapport der commissie gaat als volgt voort: »De vraag, die zich in de eerste plaats voordeed en derhalve vooraf moest onderzocht worden , was deze : »Moet Nederland , nu het dooide omstandigheden gedwongen wordt tot wijziging van zijn muntstelsel, thans reeds tot eene geheele verandering besluiten ? Moet het reeds nu zjjn zilveren standaard door den enkelen gouden vervangen?" Die vraag meenen wij ontkennend te moeten beantwoorden. Zoodauig besluit wordt, onzes inziens, nog niet door den loop der gebeurtenissen gevorderd. Het kan noodig worden daartoe over te gaan; misschien zal het onvermijdelijk blijken te zijn. Maarzooals de zaken staan, meenen wij die geheele omkeering op dit oogenblik nog te moeten ontraden. In den toestand, waarin wij op den huidigen dag verkeeren, zijn de volgende gevallen denkbaar: a. Duitschland geeft bij voorraad geen gevolg aan zijn voornemen , om den gouden standaard alleen aan te nemen en blijft bij den dubbelen standaard volharden. Frankrijk en Italië keeren tot den omloop van metalen geld terug. In dat geval zou de wettelijke waardeverhouding van 15.5: 1 op een zeer uitgestrekt veld in Europa van kracht zijn; zij zou de werkelijke verhouding op de handelsmarkt zoodanig beheerschen, dat de prijs der edele metalen eene vroeger ongekende vastheid verkreeg, b. Duitschland voert den enkelen gouden standaard in, en Frankrijk vervangt zijn papier-circulatie door metaal. Dan kan, omdat de dubbele standaard in de latijnsche Unie bestaat, in die Unie zeer veel zilver worden opge nomen. De daling van den zilverprijs, die het gevolg zal zijn van de demonetisatie van het zilver in Duitschland, wordt daardoor tegengegaan , hoewel betwijfeld mag worden, of die invloed voldoende zou zijn. c. Duitschland .voert den enkelen gouden standaard in en in Frankrijk blijft de papier-circulatie bestaan. »Met het oog op die eventualiteiten achten wij het voor het oogenblik noodig, de volgonde maatregelen ten spoedigste te nemen: 1°. Invoering van den dubbelen standaard: het goud naast het zilver , beide tot den rang van standaardmunt verheven met eene waardeverhouding van 15.5 :1. 2°. Beperking van of voorloopig verbod tot verdere aanmunting van zilveren standpenningen. »Doet zich dan het sub a gestelde geval voor, zoo kan Nederland veilig goud en zilver naast elkander in omloop houden, en het verbod van aanmunting van zilver zou weder opgeheven kunnen worden. De omvang van het terrein, waar de dubbele standaard heerscht, zou groot genoeg zijn om ons voor nadeel te behoeden. In het geval, onder b genoemd, is misschien het gebied der wettelijke waardeverhouding tusschen goud en zilver van 15.5: 1 nog groot genoeg om Nederland bij den dubbelen standaard te doen volharden. Wij hebben echter reeds opgemerkt, dat het onzeker is, ot de latijnsche munt-unie in de toekomst daartoe een voldoenden waarborg opleveren zal. In het derde geval, eindelijk, is Nederland onherroepelijk verpligt den enkelen in en de te gouden standaard aan te nemen, des te meer, omdat de mogelijkheid bestaat, dat hij ia de latijnsche munt-unie later uitsluitend zal worde® aangenomen. Het is bekend, dat invloedrijke stemmen in den boezem der Unie sterk daarop aandringen. Doch hiertoe leveren de door ons aanbevolen middelen een geschikten overgang op. Beperkt of schorst men de vervaardiging van zilveren standaardmunt , dan wordt de «pecievoorraad, die gedemonetiseerd zou moeten worden, niet meer op verontrustende wijze vermeerderd. Die voorraad zal dan van lieverlede verminderen door het wegvloeien naar onze oost-indiache bezittingen, en hetgeen hier te lande overbljjft, kan gedeelteljjk op een geschikt oogenblik tegen gouden standpenningen worden verwisseld en gedeeltelijk verwerkt tot grooter pasmunt. Want, wanneer het goud alleen standaardmunt zou zijn, zal eene groote pasmunt ontstaan. Het beho«ft geen breedvoerig betoog, dat wij den onder a geschetsten toestand : »schier overal in Europa dubbelen muntstandaard met dezelfde waardeverhouding tusschen goud en zilver", in het belang van Nederland het liefst verwezenlijkt zagen. In de onzekerheid, waarin men, tea aanzien zoowel der strekking als van hat tijdstip der indiening van de definitive duitsche muntwet verkeert, mag men nog de vooronderstelling wagen, dat ten slotte in Duitschland het stelsel van den dubbelen standaard, met vrije aanmunting van gouden en zilveren standpenningen, zal aangenomen worden. De eindregeling van hot muntwezen zou dan veel gemakkelijker zijn. Duitschland zou zijne zilveren standaardmunt, voor zooveue die volwigtig is, niet behoeven op te ruimen en demonetiseren, en zou de nieuwe gouden munt, welke nu tot een aanzienlijk bedrag in de schatkist en in bankinrigtingen is opgesloten , van lieverlede naast het zilver in omloop kunnen brengen. Ook voor geheel Europa zou de invoering van den dubbelen muntstandaard in Duitschland, onder behoud der waardeverhouding tusschen goud en zilver van 15.5 : 1, evenals in de latijnsche munt-unie , eene groote weldaad zijn , want dat voorbeeld zou dan waarschijnlijk door de overige Staten zonder dralen gevolgd worden. Het voordeel van dien toestand werd reeds hierboven aangewezen. »Maar het is mogelijk, dat de loop der zaken anders wezen zal. Het kan zijn, dat Duitschland aan het verlangen van velen voldoet en den enkelen gouden standaard aanneemt. Dan zal Skandinavie, dat reeds voorbereid is, wel volgen. Engeland bezit reeds goud en in de latijnsche Unie, waar goud en zilver grootendeels door papier met gedwongen koers vervangen zijn, bestaat weinig kans , dat in 'de eerstvolgende jaren de dubbele standaard zijn invloed krachtig zal doen gelden. Een zamenloop van omstandigheden, gelijk onder b. omschreven is, achten wij dan ook geenszins waarschijnlijk, zoodat alsdan niet anders zou overblijven dan c. Nederland in eene niet ver verwijderde toekomst bijna geheel omringd door Staten, waar óf het goud standaardmunt óf het metaal door papier vervangen is. Een toestand , die ons noodzaken zal, om tot den enkelen gouden standaard over te gaan. Uit dien hoofde houden wij het nemen eener beslissing in bovengenoèmden zin, vooreerst als tijdelijken maatregel, volstrekt noodzakelijk, en meenen wij aan den ons door Uwe Majesteit opgedragen last het best te voldoen, door het voorstellen van een daartoe strekkend wetsontwerp , dat wij eerbiedig aan Uwer Majesteits overweging aanbevelen. » Het muntstelsel hier te lande is geregeld door de wet van 26 november 1847 ( Slaatsbl. ) n°. 69.) Die wet zal kunnen behouden blijven, mits daarnaast een tweede wet wordt uitgevaaardigd, die het slaan van gouden standaardpenningen veroorlooft, van den volgenden inhoud: »Wetsontwerp. Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat in alle naburige Staten de enkele gouden standaard of de dubbele muntstandaard is aangenomen of wordt voorbereid en dat daaruit bedenkelijke gevolgen kunnen voortspruiten voor Nederland , waar alleen zilveren standpenningen bij de wet zijn toegelaten. »Zoo is het, enz. »Art. 1. Standpenningen zijn , nevens de zilveren , vermeld in art. 2 der wet 26 november 1847 {Staatsblad n°. 69), de velgende gouden muntstukken : het tienguldenstuk , het vijfguldenstuk. »Art. 2. Het gehalte der gouden standpenningen is 0.900 met eene ruimte van .... boven en beneden dat gehalte. Het gewigt van het tienguldenstuk in 6.774 gram en van het vijfguldenstuk 3.387 gram , beide met eene ruimte van .... boven en beneden dat gewigt. »Art. 3. De beeldenaar van gouden standpenningen is .... »Art. 4. De voorschriften, voorkomende in de artt. 13 en 18, eerste, tweede en derde alinea, 19 , 21 en 22 der wet van den 26 november 1847 ( Staatsblad n°. 69) zijn op de gouden standpenningen toepasselijk. »Art. 5. Er heelt geen aanmunting meer plaats van den enkelen , dubbelen en balven gouden ■Willem, bedoeld bij de artt. 6, 13 en 14 der wet van 26 november 1347 ( Staatsblad n°. 69) en bij art. 5 der wet van 1 mei 1854 ( Staatsblad n°. 75). »Art. 6. Wij behouden ons voor, de aanmunting van standpenningen van een der twee standaardmetalen tijdelijk te beperken of gehee. te schorsen voor den tijd van hoogstens z 03 maanden. ,, »Ons besluit tot beperking of schorsing treed niet in werking dan op den dertigsten dag d ® zijne afkondiging. »Wordt verlenging van den termijn van maanden door de omstandigheden gevorder . dan wordt zij door Ons bevolen. In dit g eva wordt Ons besluit, vergezeld van een °nt w ® r P van wet tot bekrachtiging daarvan, binnen dei ig dagen na zijne dagteekening, aan de Sta e Generaal medegedeeld, of binnen dertig dag na de opening hunner eerstvolgende zit ing < indien zij niet vergaderd zijn op die dagteefcen 8 »Wordt het wetsontwerp door de Statenraai niet aangenomen, dan geldt Ons bes ui ö n met don dag na dian, waarop dat ontwerp is afgekeurd." 0e commissie treedt vervolgens in een breede toelichting der verschillende bepalingen van het wetsontwerp , berustende op dit hoofdbeginsel: volharding bij een zelfstandig muntstelsel, zonder 0 »n enkelen stap te wagen op den weg naar e#n zoogenaamde internationals muntéénheid. Wèl heeft de commissie het belangrijke vraagstuk der universele munt in ernstige overweging genomen en zich begverd om naar een bevredigende oplossing te zoeken en, zoo mogelijk , ook Nederland , bij een eventuele hervorming van zijn muntstelsel, daartoe te doen bijdragen. Doch hare poging is mislukt en op de bezwaren afgestuit, die vooral een klein land ondervindt, wanneer het zich, op hot gebied van het muntwezen , geheel of gedeeltelijk aan een magtigen nabuur heeft aangesloten. Aan het slot van haar rapport vestigt de commissie Zr. Ms. aandacht nog op twee punten : 1°. de circulatie van bankbiljetten hiar te lande; 2®. het muntwezen in Ned.-Indie. Naast de nieuwe gouden munt zal het muntpapier, ingevolge de wet van 26 april 1852 tot een bedrag van slechts 10 millioen gulden uitgegeven , ongestoord kunnen blijven circuleren. Wanneer echter een gouden standaardmunt wordt aangenomen, zal het noodzakelijk zijn art. 2 van bovengenoemde wet te wijzigen en in overeenstemming daarmede den tekst der muntbiljetten te veranderen. Voor onze indische bezittingen zal voorloopig de enkele zilveren standaard van kracht kunnen blijven en dus de wet van ] mei 1854 geen verandering behoeven te ondergaan. Ten slotte betoogt de commissie , dat de wederinvoering van den dubbelen standaard een op dit oogenblik noodzakelijke maatregel is, om den overgang voor te bereiden naar de verwisseling van standaard, welke misschien eenmaal kan blijken overmijdelijk te zijn. Tot de definitive verheffing van het goud tot Nederlands eenig standaardmetaal zal eenjderde muntwet nosdig zijn. Deze zal bovendien de noodige voorschriften moeten bevatten ten aanzien der groote zilveren pasmunt, en ook het sedert jaren aanhangige vraagstuk der bronzen pasmunt kunnen regelen. In afwachting evenwel van hetgeen een nog onzekere toekomst leeren zal, acht de commissie het ongeraden de eindregeling van het muntwezen in Nederland reeds nu in haar geheelen omvang te bespreken. De Staats-commissie bestaat, zooals men weet, uit de heeren mr. P. P. van Bosse, dr. A. Vrolik, mr. W. C. Mees , mr. S. Vissering en jhr. mr. dr. A. D. van Riemsdijk. Achter het verslag zijn gevoegd: bijlage A.: een overzigt der gemiddelde zilverprijzen op de markt te Londen, sedert 1845; bijlage B.: een nota van het lid der commissie mr. S. Vissering, houdende vergelijking tusschen het tientallig en het twaalftallig stelsel bij de aanmunting van gouden standpenningen, met betrekking tot het gerief der circulatie; bijlage C.: nadere bijzonderheden aangaande de muntquaestie in de skandinavische rijken , kenbaar geworden sedert 28 december 1872, dagteekening van het rapport. --- Finantiele Kroniek. Heeft men de jongste beursverandering b|j eene rustige omwenteling vergeleken, welnu, eene week verder, geldt ook vao deze Barbiers satire : nous n'avons plus d'haleine, Que pour trois jours au plus !" Wanneer de ^buitengewone prikkels", die er thans noodig schijnen om het kunstmatig beursleven gaande te honden, uitblijven, komt do afgematheid dadelijk aan het licht. Zoo vrolijk en levendig de beurzen de week oponden, zoo bedaard sluiten zij die, maar met eene bedaardheid zonder verdienste. Het wordt bedaardheid met de jaren, Wat heete drift was in de jeugd. Vraagt men den finantielen organen naar de redenen der telkens terugkeerende apathie, dan verneemt men, vrij algemeen , hetzelfde antwoord. Ook bij eventuele geldrnimte steeds voortdurende onzekerheid omtrent den loop der geldmarkt. B|j het minste gunstige vooruitzigt direct, vooral op de buitenlandsche beurzen, te wild gedreven spel, om geen paniek voor te bereiden, die s 1 echts eene gunstige gelegenheid wacht. En, last not least , eene, niettegenstaande de niet gunstige tijdsomstandigheden, met iederen dag vermeerderde menigte van fondsen, waarvan, algemeen genomen , de qualiteit onderdoet voor de quantiteit. Alzoo, wij hebben het reeds aangestipt, de loop der markt gedurende de jongste week was diminuendo, ofschoon wij niet zouden willen beweren , dat het einde bepaald ongunstig was. Integendeel er bleven nog vele teekenen van fermiteit over, terwijl ook de geldmarkt hare ruimte bewaarde. Na het bovenstaande kunnen wij met een vlugtig overzigt der prijscourant volstaan. De beurs schonk den nationalen fondsen weinig aandacht. Ned.-Ind. en Centraalsporen waren vast. — De obligatie-leening der Exploitatie-maatschappij biedt weinig voordeel aan , te weinig om aandeelhouders of oprigters te nopen gebruik te maken van hun regt van voorkeur. Voor de Maatschappij zou dit echter geene teleurstelling zijn, daar de openstelling slechts voor den vorm geschiedt, daar de Nederlandsche Handelmaatschappij de leeuing genomen heeft, voor zooverre aandeelhouders en oprigters daarop geen aanspraak maken. Het Bijblad zegt aangaande deze aangelegenheid het volgende : »De Regering heeft den lsten januarij 1.1. hare schuld ad ƒ 10,000,000 aan de Handelmaatschappij afgelost. Deze bevond zich daardoor in geene geringe ongelegenheid. De inschuld maakte deel uit van haar reservefonds en de aflossing der schuld verpligtte haar naar eene andere belegging voor dit bedrag om te zien. Aanvankelijk schijnt zij het plan te hebben gekoesterd daarvoor certificaten of inschrijvingen werkelijke schuld in te koopen en dit plan ook ton deele reeds te hebben uitgevoerd, hetgeen de rijzing der werkelijke schuld voor eenige weken sch|jnt te hebben te weeg gebragt. Doch later schijnt de directeur-generaal der Maatschappij tot exploitatie van Staatsspoorwegen baar een ander middel, met andere woorden, zijne 5 pCt. leening te hebben aangeboden. Het behoeft geen betoog, dat de aandeelhouders der Exploitatie-maatschappij hem daarvoor dank behooren te weten. Op geen wijze was de leening voordeeliger te plaatsen. Eene openbare inschrijving ware misschien mislukt, nu ons publiek een hoogeren rentevoet dan 5 pCt. verlangt en zelfs, al ware daarmede genoegen genomen, de pari-koers ware nooit te verkrijgen geweest. Of echter de aandeelhouders der Handelmaatschappij evenzeer reden tot dankbaarheid bezitten, meenen wij te mogen betwijfelen. Indien , zooals waarschijnlijk is, het reservefonds bij het einde van het octrooi in 1874 wordt verdeeld, zal de realisatie van deze 5 pCt. obligatien niet zonder belangrjjke verliezen kunnen plaats vinden. Z|j zijn, hoe solide ook, eene ongeboren vrucht en blijven dit in de brandkast der Handelmaatschappij en deze zal, wanneer z|j tot de realisatie moet overgaan, dit niet kunnen doen zonder de verliezen en onkosten te dragen , die de Exploitatiemaatschappij zoo behendig van hare schouders op die der Handelmaatschappij heeft weten over te dragen." In één adem kunnen wij de meeste europosche soorten, waarin eenige handel van belang was, te zamen nemen. Het zonnetje der beurs bleef sch|jnen op de Metallieken, terwijl de schaduw op de Spanjaarden viel. Bijzonderheden z|jn er van de overigen, zoo goed als niet, te vermelden. — De nieuwe turksche leening blijft men wachten en in blaauwe Grieken heeft men eens weder eene hausse gemanoeuvreerd. Westward , ho! Omtrent de nieuwe 5°/ 0 Amerikanen splitsten zich beurs en pers in twee partijen. De eene, op de weinige deelneming w|jzende, die de nieuwe leening bij het publiek ten deel viel, acht dit verschijnsel gegrond en verwacht dat het publiek , geen 5 pCt. fond3 tegen 98 pCt. willende koopen, zijne attentie zal schenken aan andere hoogere rente gevende waarden. Vooral zouden in dit geval de amerikaansche sporen hiervan profiteren. Een andere meening vertolkt de D. A. Oeconomist , in dezer voege : »Kan men het goedkeuren, wanneer de pers het publiek niet waarschuwt om hunne 1882ers toch niet te verruilen tegen europesche waarden ? Moet de kapitalist oostenrijksche rente nemen, die hem ja 6 pCt. per jaar geeft, maar bij de eerste katastrophe de beste, aanzienlijk in waarde verminderen zal ? Of zal h|j de obligatien nemen eener Regering, die eene leening, vrij van alle belasting, negotieert en er dan direct eene van 16 2 / 3 pCt. oplegt ?" Ofschoon wij erkennen, dat in dezen uitval iets ligt van eene contraministische reclame, valt het toch niet te loochenen , dat de gierigheid der kapitalisten meermalen hunne wijsheid bedriegt. Volgens mededeeling uit Washington heeft de minister van Finantien, Boutwell, de aflossing op 1 jun|j v.an D. 100 millioen 6 pCt. obligatien der Vereenigde Staten (I882ers) aangekondigd. Eerlang zou tot verdere amortisatie worden overgegaan. De amerikaansche spoorwegmarkt was , over het algemeen, kalm en vr|j vast. Spel was er alleen in Erie's. Sedert eenige dagen wordt op de prijscourant genoteerd 7 pCt. Costa Riea. Costa-Rica is een Staatje in Midden-Amerika. Wij weten er weinig van. Wie er iets van weten wil, kan den Ned. Financier van 6 februarij opslaan. Een ingezonden stuk van het jongste Bijilad bestrjjdt het optimistische artikel. Wat de kapitalist betreft, die hongeren mogt naar de costa-ricasche 7 pCt. — si dubitas, abstine / Er zijn uit dien hoek der wereld goedkooper soorten aan de markt! Het geld was op de open markt vrij ruim ; de notering sluit: prolongatie 5 pCt, en disconto 4Vg pCt. 11 Februarij 1878. ---