Dit nommer bestaat uit DRIE Bladen en een Bijvoegsel (Kindercourant) Eerste Blad. Gevonden Voorwerpen. Aan het Bureau van Politie zijn iederen werkdag, tusschen 12 en 1 uur, inlichtingen te bekomen omtrent: een n ,Q .we handschoen, een zwarte ceintuur, een portemonnaie met inhoud, eenigen huissleutels; terwijl zijn te bevragen: Verversdijk 174, drie leerboeken; Molsteeg 4a, een schort; Rietveld 86, een kinderportemonnaie met geld; Verlengde Pieterstraat 112, een kip; Zuiderstraat 43, een halsketting met gouden slotje; Excercitieplein 48, een kinderportemonnaie met geld; Tuinstraat 34, een bril; Vrouwjuttenland 15, een poppensportwagen ; Verversdijk 180, een huissleutel; Geerweg 94, een kruiwagen; Paul Krugerstraat 1 b, een bruine portemonnaie met geld; Zuideinde 108, een zilveren armband. --- De Invaliditeitswet. II. (Slot). Om te weten wat een arbeider zal moeten betalen, moet eerst worden vastgesteld, tot welke foootdasse hij behoort. Er warden daarvoor vijf loonklassen ontworpen. In de eerste klasse vallen die arbeiders, die minder dan f'/L 40.— verdienen of geacht worden te vejrdienen, de tweede klasse is voor de arbeiders, die van ƒ240.— tot /4UÜ.— verdienen, de derde loopt voor loonen van ƒ400.— tot ƒ üOO.—> de vierde voor ƒ üOO.— tot ƒ 900.-— en de vijfde klasse is voor arbeiders, die meer dan ƒ 900.— aan loon ontvangen. De Kroon wijst voor iedere gemeente aan, tot welke loonklasse de verschillende groepen van; arbeiders zullen behooren. Er wordt eene premie geheven naarmate van de loonklasse waartoe de arbeider behoort. Voojr de eerste loonklasse bedraagt deze premie 20 ets., voor de tweede 24, voor de derde 32, voor de vierde 40 en voor de vijfde 48 cents per week. Deze premie wordt in den regel betaald door den werkgever, die dan echter de helft van het loon des arbeiders kan afhouden. Er zijn echter bepaalde gevallen waarin de arbeider de premie zelf betaalt. In die gevallen betaalt de werkgever aan den arbeider de helft der gestor-te ptremie. Wie invaliditeitsrente geniet, of wie 70 jaar is, behoeft geen premie meer te betalen. De arbeider dae eene rente van de Ongevallenwet 1901 naar 50% arbeids-ongeschiktheid geniet, kan voor bepaalden tijd van premie-betaling worden vrijgesteld. In een week waarin de arbeider ziek was of geen werk had, behoeft hij ook geen rente tc betalen. Ontvangt hij die week volgens een wettelijke regeling ziekengeld, dan wordt de premie voot hem betaalt. De premie kan op twee wijzen worden betaald: door het plakken van zegels op eene zoogenaamde rentekaart of in geld aan den Raad van Arbeid. Dit woedt voor het gebied van iederen Raad' van Arbeid door de Koningin bepaald. De zegels zijn o.a. te verkrijgen op het postkantoor. Rentekaarten worden voor de arbeiders opgemaakt door der Raad van Arbeid. Verder krijgt ieder verzekerde een renteboekje. Is een rentekaart volgeplakt, dan wordt dat aangeteekend in het renteboekje. De arbeider bewaart zijn eigen rentekaart, maar kan haair aan den werkgever in bewaring geven. Bewaart de arbeider de kaart zelf, dan moet hij haar . voor iedere premiebetaling aanbieden aan den werkgever, opdat deze er de zegels in kan plakken. Moet er in geld worden betaald,' dan draagt de Raadi van Arbeid zorg, voor het plakken der zegels. Gedurende zes maanden na het in werking- treden van art. 30 wordt voor alle verzekerden in zegels betaald. Behalve de medewerking aan de voorbereiding van de uitvoering der wet rusten op de werkgevers de volgende verplichtingen. De premie wordt door den werkgever betaald. Deze verplichting bestaat, behoudens eenige uitzonderingen, voor den werkgever ten opzichte van al zijn arbeiders, doch bij algemeenen maatregel van bestuur, kan hem ook nog de verplichting worden opgelegd om de premie te betalen voor een arbeider, die een ander behulpzaam is bij stukwerk, dat buiten de werkplaats niet onder toezicht van. den wa-kgever wordt verricht. Als uitzondering op den algemeenen regel betaalt de verzekerde zelf zijne premie: lo. als verzekerde en werkgever beiden verklaren, dat de verzekerde zijn loon in geld uitsluitend van derden ontvangt, of bevoegd is zijn loon af-te houden van hetgeen hij ten behoeve van den werkgever van derden ontvangt: 2o. als de verzekerde bevoegd is de verklaring af te leggen, dat hij de verzekering als vervallen beschouwt. . De werkgever moet in geld of door het plakken van rentezegels op eene rentekaart betalen. De Kroon beslist voor het gebied van iederen Raad hoe zal worden betaald. Voor verschillende groepen van verzekerden kan deze beslissing verschillend zijn. Betaalt de werkgever niet binnen den daarvoor gestelden termijn aan den Raad van Arbeid, dan is deze bevoegd het verschuldigde bij dwangbevel, met recht om de gcederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten, in te vorderen. Betaalt een werkgever door het plakken van zegels op eene rentekaart, dan moet onmiddellijk na het opplakken van het zegel door hem de datum worden vermeld. De werkgever van een arbeider, voor wien in geld betaald zal moeten worden, is verplicht binnen drie dagen na aanvang van diens loondienst schriftelijk aangaf te te doen bij den Raad van Arbeid omtrent zeke:^, punten, die nader bij algemeenen maatregel van bestuur zullen worden vastgesteld. Binnen drie dagen na het eindigen van de dienstbetrekking, en van iedere wijziging der dienstbetrekking, die op den verzekeringsplicht, de verplichting tot betalen en het bedrag der premie invloed kan hebben, is de werkgever verplicht hiervan aangifte te doen. Zoolang deze aangifte niet geschied is, blijft de werkgever tot premie-betaling verplicht. De wijze waarop in geld wordt betaald, stelt de Raad van Arbeid onder goedkeuring van den verzekeringsraad vast. De Kroon kan dienaangaande voorschriften geven. De werkgever is niet bevoegd den verzekeringsplicht van een arbeider te betwisten op grond dat deze invalide zou zijn. De werkgever, die niet voldoet aan een hem bij of krachtens deze wet opgelegde verplichting betreffende de premiebetaling voor een arbeider of het dagteekenen van zegels, wordt met eene geldboete van ten hoogste drie gulden voor elke kalenderweek, of gedeelte daarvan waarover hij die verplichting niet is nagekomen, gestraft. --- JOZEF. DOOR BERNARD CANTER. -o— , ,,Zie, ik ben nu een oud man. Mijn betrekking is nederig — corrector op een groote drukkerij en nu mijn oogen slechter worden moet ik blij zijn, dat men nog veel door de vingers ziet. Er zijn zooveel jongeren die zelfs naar mijn ondankbaar postje liunkeren. Het leven is zoo.hard en het hardste en moeielijkste voor degenen, die het zwakste zijn. Men moet hamer of aanbeeld zijn, heeft een Duitsch dichter gezegd. De hamer moet toeslaan, het aanbeeld verdragen, dat het geslagen wordt. Nu, als dat zoo is, dan ben ik levenslang aanbeeld geweest. Maar wie was mijn hamer. Dat ben ik zelf geweest. Mijn eigen hamer. En zoo heb ik mijzelf geslagen, dat ik geheel murw ervan ben geworden. Ik heb een gelukkige jeugd gehad. Een lieve, teedere moeder en een achtenswaardigen vader. Wij vormden een voorbeeldig gezin. Naar de gewoonte in onze familie werd een van de zonen, die er 't meeste roeping toe gevoelde, predikant. De Genesteens Brokhuizen zijn nooit zoo heel veel als theologen op den voorgrond getreden. In onze familie waren het altoos wat schuchtere lieden, die een kleine gemeente verzorgen wilden, maar dat. van ganscher harte met geheele overgave. Iets van patriarchische herders, in den waren zin des woords. Ik was de jongste van de jongens, wij waren met z'n zevenen kinderen en moeder had al dadelijk gezegd, dat ik de predikant zou worden. Want ik was een stil, bescheiden kind, opofferend, vol liefde voor planten en dieren en met een zéér religieus gemoed. Zoo ben ik dan opgegroeid, naarstig mijn plicht doende en levend naar het goede voorbeeld, dat vader en moeder mij gaven. Toen ik naar de universiteit ging was ik negentien jaar oud, maar nog een volkomen onbedorven kind. Ik had nog niet het besef van wat eigenlijk de liefde tusschen man en vrouw is. Met een zekere schuwheid van gemoed had ik altoos gevreesd, daarover te denken, er was in mij iets vasts, iets stroefs, iets onbuigzaams, dat vele leden van onze, uit Friesland afkomstige familie heeft gekenmerkt. Op de academie vond ik eerst moeielijk kameraden. Maar langzamerhand trof ik dan toch mijn gelijken en onze club van zeven theologen was vast besloten later een wereldbeweging op touw te zetten tot afschaffing van de stierengevechten in Spanje. Vier jaar van onzen studietijd brachten wij onze vrije uren door met besprekingen over ons plan en over de wegen, die wij hadden in te slaan. Wij schreven manifesten, artikels, maakten plannen op voor de internationale organisaties, stelden in zeven talen open brieven op aan den Koning van Spanje, de Spaansche Cortes, aan het Spaansche volk, aan het Engelsche volk, aan den President der Vereenigde Staten, aan den Duitschen Keizer. In al dien tijd had voor mij de vrouw niet bestaan. Ja, ik kan verzekeren, dat ik tot mijn 22sten jaardag geen meisje een kus had gegeven of zelfs eens met een meisje had geschertst. Nadat ik mijn examens behoorlijk had gedaan, aanvankelijk als hulpprediker was opgetreden, daarna mijn eerste vaste standplaats in een klein stadje had gekregen, bleef ik in mijn houding volharden. Maar nu begon ik toch behoefte aan den omgang met de zwakkere sekse te gevoelen. Evenwel, mijn positie in de orthodoxe gemeente maakte het mij moeielijk ietwat vrijeren omgang met jonge dames te verkrijgen. Men zag tegen mij op, men respecteerde mij. Ik voelde nu en dan méér dan gewone sympathie voor de jonge meisjes met wie ik door mijn ambt in aanraking kwam, voor diaconessen of voor de oudere zusters van mijn catechisanten of voor de volwassen dochters van mijn oudere collega's en ik waagde ook wel eens nu wat winder stijf en stroef te zijn op gezellige avondjes, waar ik wel mee durfde te doen met pandverbeuren en zoo waar ook eens Zwarte Piet heb meegespeeld, en ik begon mijn verwoeden jeuedstrijd tegen den torréador zelf nu met humor te beschouwen, ja ik ben zelfs de opera Carmen gaan zien en heb de muziek (niet den inhoud!) gewaardeerd, maar zie, wat ik nu zou willen noemen echte liefde, leerde ik niet kennen. En toen is er iets in mijn leven gebeurd, dat ik niet te boven ben kunnen komen. Onder de leden mijner gemeente was een dame van Fransche afkomst, een zeer schoone vrouw, muzikaal, geest ie en zéér weldadig. Ik had haar voor 't eerst op een bazaar leeren kennen, waar zij bijzonder fraaie handwerken verkocht, die zij zelve gemaakt had, ten voordeele van het fonds der zeemans -weduwen. Ik heb toen zelf ook zoo 'n h and wc r kie Rek^ . geborduurde strook, waarop met fijne steekj een was ingeweven: „Volhardt tot het einde en ik zal u den kroon des levens geven." Het was het begin van een kennismaking, welke mij in 't eerste jaar een groote voldoening schonk! Want in haar huis heerschte een beschaafden geest; men deed er veel aan kunst en zijzelve maakte ook gedichten. Haar echtgenoot was een ernstig man, van groote beschaving en strenge principes. Toen na dat eerste jaar vol geluk voor mij — want ik hunkerde altoos naar 't oogenblik waarop ik mij naar hun gastvrije woning kon begeven — na een avond waarop mijn vriendin mij haar nieuwe gedichten had voorgelezen, kwam het mij, naar huis gaande, plotseling voor den geest, dat ik zelf nog altoos niemand vond op wie ik verliefd kon worden. Ik dacht daar de heele week over en toen ik daarna weer bij mijn vriendin was, besloot ik haar deelgenoot te maken van de zonderlinge leegheid van gemoed, die zich ten deze bij mij voordeed. Zij zag mij lang aan en ik haar en zij zeide mij, dat zij mij geen raad kon geven. Het was mij toen alsof zij een vonnis over mij uitsprak en ik voelde mijn lichaam rillen. Eenige maanden later werd ik naar een grootere gemeente beroepen en toen ik daar was, begon ik verlangen te krijgen naar mijn vroegere standplaats. Ik nam mij zelf in 't verhoor, zooals ik dat een ander zou doen en moest toen mijzelf, o schande, bekennen, dat het alleen mijn vriendin was en niet mijn gemeente, die mij zoo van heimweeachtig verlangen vervulde Ik ben toen eenmaal haar gaan bezoeken en daarna heb ik mij gezegd dat ik haar nooit weer mocht zien. Dit heb ik volgehouden. Maar ik heb voor geen andere vrouw meer liefde kunnen gevoelen. De herinnering aan haar vervulde mijn leven. Al wat ik er tegen kon strijden, heb ik volstreden. Ik ben geen streep van den weg van plicht en goede zeden afgeweken. Zelfs heb ik het borduurwerk met de spreuk, hoe toepasselijk deze ook mocht wezen, weggelegd en niet meer terug willen zien. Omdat ik niet huwde, heb ik het predikambt vaarwel moeten zeggen. Ik ben vroeg grijs geworden en was al vóór mijn veertigste jaar een oud man. Want gebroken menschen verouderen snel. Niemand heeft ooit geweten wat mijn leed is geweest. Mijn vader en mijn lieve moeder zijn gestorven, zonder het te kunnen vermoeden. Ik ben langzamerhand als iemand beschouwd, die lichamelijk lijdende was. Voor weinig arbeid was ik geschikt en ben toen corrector geworden en meer gehandhaafd wegens mijn ijver eu plichtsbetrachting dan wel wegens mijn eigenlijke geschiktheid. Want ik heb een neiging gekregen om te soezen. Maar één ding maakt mij gelukkig. Dat ik zoo sterk geweest was om mijzelf trouw te blijven en dat mijn vriendin noch haar echtgenoot ooit zelfs een flauw vermoeden hebben gehad van het zonderlinge, dat mij beroerd had. Nu, voor veertien dagen is mij een bundeltje toegezonden van geschreven gedichten. Het was dichtgelakt en er was een brief bij van den oudsten zoon van die vroeger mijne vriendin was geweest. Zij was gestorven, eenige jaren na haar man en had als laatste beschikking mij dit pakje achtergelaten. Ik heb de gedichten doorgelezen. Zij spreken de smart uit van een vrouw, die gehu\vd is en een fantastischen geliefde heeft, die onbereikbaar is en waar zij naar verlangt. Het zijn zeer droevige verzen en ik begrijp niet, dat een vrouw als zii. die toch zulk een gelukkig leven geleid heeft aan de zijde van haar respectabelen echtgenoot, zulke smartelijke verzen kon maken. Ik ben nu ondanks al mijn leed toch maar gelukkig, dat zij nooit iets heeft kunnen vermoeden, dat ik haar lief heb gehad. Want zij spreekt in haar verzen altoos van „hij, die de duisternisse niet doorgrondt", en „hij. die mijn smart niet kent". Nu, als ik mij verklaard rad, zou zij dit niet hebben kunnen zeggen. Ja, ik ben gelukkig, dat zij mij spoedig heeft kunnen vergeten voor dien fantastischen geliefde, dien zij lieeft gehad. Want ik kan nu mij bevrijd gevoelen. Mijn aandrift was zondig. Maar mijn geweten en mijn leven zijn zuiver gebleven. En al heb ik ook nooit een ander kunnen beminnen, dit mag ik van mijzelf nu met fierheid getuigen, zij heeft mij nooit liefgehad. Nu heb ik haar borduurwerk weder te voorschijn gehaald... het is geheel verschoten, maar toch is het mij als ik van mijn werk opkijk en ik zie er naar of de letters in vlammend, onvergankelijk schrift zijn geschreven. Ik heb volhard... tot het einde! --- Binnenlandsche Berichten. De Belgisch-Nederlandsche commissie. -—Wij lezen in de ,,N. R. Ct.": ,,De dood van den heer Beernaert, die voor België een zeer wezenlijk verlies beteekent, zal ook voor Nederland bedenkelijke gevolgen kunnen hebben. De overleden staatsman was de ziel van de Belgisch-Nederlandsche commissie. Met het afnemen van zijne krachten, reeds sedert geruimen tijd, schijnt de toenemende zwakheid der commissie haast gelijken tred te hebben gehouden. Gaat zij nu ook den weg af, die naar den doodenakker leidt ? Het is uitermate bevreemdend, dat het resultaat van de werkzaamheid der commissie tot dusverre zoo teleurstellend geweest is. Er lag voor haar, zoo dacht ons bij haar optreden, zulk een schoon veld, niet braak, neen! reeds bezaaid. Zij had slechts te oogsten. Tegen de verwachting schijnt de oogst al te doornig geweest te zijn. . Wij willen nu de redenen niet herhalen, waarom men — vrij algemeen, naar wij meenen — beter verwacht had. De opzet van de commissie scheen voortreffelijk. Het doel, dat zij zich stelde, was bescheiden. Alle politiek kon er buiten blijven. Er was stemming in beide landen voor pogingen tot toenadering. Er verluidt naar buiten niet veel van de redenen der mislukking. Men hoort van financieele bezwaren. Er wordt gefluisterd van vrees voor de groote mogendheden, die dit, ons gedoe, liever niet zagren. Mogelijk deed ook het Scheldeforten-voorstel schade. Leden der commissie, later minister ge"orden, schenen dan de wenschen niet meer te 1 vinnen, die zij in de commissie eenmaal mede voorstonden. Het is dringend noodig, dat hieromtrent meer positiefs dan praatjes alleen bekend worde. Het belang van België en Nederland bij een geleidelijke toenadering is te evident — wezenlijk in alle opzichten ! dan dat men hier mag berusten in een ,,non liquet". Men heeft recht te weten, waarom, en precies waarom, het werk van een aantal der eerste mannen uit beide landen in deze richting vruchteloos bleef. Dan valt er te zien, of en wat anderen nog zouden kunnen doen." Plan 1913. — De centrale commissie voor Plan 1913 heeft dezer dagen te Utrecht haar 8ste vergadering gehouden, onder leiding van den vicevoorzitter F. W. C. H. baron van Tuyll van Serooskerken. Besloten werd aan den, minister van financiën te te verzoeken eenige maatregelen te treffen ter verbetering van de douane-formaliteiten. De sub-commissie voor de buitenlandsche reclame deelde mede, dat de artistieke reclameplaat, bestemd voor de buitenlandsche clubs en hotels, verspreidt wordt, dat de nieuwe oplage van het bekende reclame-kalendertje dezer dagen gereed zal zijn en ander reclamemateriaal in bewerking is. De Ned. Automobielclub heeft de toezegging gedaan een nieuwe uitgave te doen maken van de groote reclame-plaat, gewijzigd met het oog op de automobilisten en deze aan zustervereenigingen in het buitenland toe te zullen zenden. Behalve met een Duitschen en een Engelschen schrijver heeft men ook met een Franschen journalist een rondreis door ons land gemaakt, ter verzameling van gegevens voor een boek over ons land cn voor dagblad-artikelen. De sub-commissie voor het verkeer is bezig met het verzamelen van gegevens betreffende de vermoedelijke behoefte aan vervoermiddelen in 1913 en de sub-commissie voor de huisvesting doet een onderzoek naar de bestaande logeergelegenheid : n <'l voornaamste tentoonstellingsplaatsen en tracht een organisatie in het leven te roepen om de vreemdelingen zoo goed mogelijk te huisvesten. Zij poogt hen, die daarvan hun beroep maken, te doordringen van den plicht om te zorgen, dat de vreemdelingen in 1913 voldaan ons land verlaten, daar alleen op deze wijze het vreemdelingenverkeer ook na 1913 van deze geheele beweging de goede gevolgen zal blijven ondervinden. De uitgave van het leesboekje voor de jeugi over het voorkomend behandelen van vreemdelingen is zoo goed als verzekerd, de heer M. J. Brusse te Rotterdam heeft de samenstelling op zich genomen. Medédeeling werd gedaan van den stand van zaken in verschillende plaatsen, waaruit bleek, dat nu reeds verklaard kan worden, dat de verschillende tentoonstellingen tezamen een zeer goed cultuurhistorisch beeld zullen geven van Nederland in 1913. De volgende vergadering werd vastgesteld op 18 November te Utrecht. Debietrecht op tabak. — Het bestuur van de Handelsvereeniging Rotterdam heeft zich met een adres tot de Tweede Kamer gewend, waarin het o.m. zegt, dat het in de onverminderde gestandhouding door den Minister van Financiën van het ontwerp-debietrecht een bedreiging van het belang van den Nederlandschen Middenstand blijft zien, en de Kamer met den meesten aandrang blijft verzoeken deze wet toch niet te willen aannemen. Adr. vestigt in het bijzonder de aandacht op de h. i. allerbedenkelijkste bepaling, waarbij overtredingen worden bedreigd met principale hechtenis, en waardoor dus de mogelijkheid wordt geopend, dat om onwillekeurig verzuim of een vergissing, die in het geheele Nederlandsche wetsstelsel slechts met boeten worden bedreigd, winkeliers voor één of meer dagen naar de gevangenis zullen worden verwezen; dat weliswaar de minister van financiën in zijn beantwoordende memorie op de rechterlijke bevoegdheid heeft gewezen, om in plaats van hechtenis boete op te leggen, doch dat de delinquent in elk geval onderworpen blijft aan het wisselend inzicht van rechterlijke ambtenaren, hetgeen voor den winkelier, die prijs stelt op zijn goeden naam, allerbedenkelijkst moet worden geacht; reden waarom adressante de Kamer met den krachtigsten aandrang verwerping van deze wet blijft verzoeken als hoogst schadelijk, onrechtvaardig en de vrijheid van bedrijf ontnemend aan een groot deel van de handeldrijvende burgerij, doch dat vooral, subsidair, tegen de bedreiging met gevangenisstraf het rechtvaardigheids- en billijkheidsgevoel van de Kamer wordt ingeroepen. Bond van Schoenmakerspatroonsver ee n i g i n g e n. — In de voortgezette vergadering van den Nederlandschen Bond van Schoenmakerspatroonsvereenigingen, is de verhouding tusschen doctoren en schoenmakers langdurig besproken. Inleiders waren de heeren K. Frielink Jr. en Fred. H. Hoek. Als gevolg van de besprekinoen werd de volgende motie aangenomen: De Nederlandsche Bond van Schoenmakerspatroonstereenigingen, in vergadering bijeen te Amsterdam; gehoord de besprekingen betreffende de verhouding tusschen doctoren en schoenmakers bij de behandeling van voetgebreken en in de instelling van een Bondsdiploma; van oordeel, dat een juiste afbakening van de bevoegdheid der schoenmakers wenschelijk is; van oordeel, dat de eischen, te stellen voor het verkrijgen van een Bondsdiploma zullen beïnvloed worden door die afbakening; van oordeel, dat het niet wenschelijk is, dat de bepaling van bevoegdheid der schoenmakers éénzijdig door hen zelve geschiede; draagt het Bondsbestuur op, te trachten in overleg met vertegenwoordigers van de organisatie der doctoren tot een juiste bepaling te komen en de instelling van een Bondsdiploma uit te stellen tot bedoeld overleg tot resultaat zal hebben geleid. Geschenk voor het Vredespaleis. — Het bestuur van de ,,Peace Society" heeft, naar ,,Het Vad." meldt, besloten een marmeren borstbeeld van wijlen Koning Edward aan het Vredespaleis te schenken. Het borstbeeld is het werk van A. Bruce-Joy. De totale kosten zullen 300 pd. bedragen, van welke Sir William Mather reeds 250 pd. heeft toegezegd. T andheelkundig Instituut. — In het voormalige Tehuis voor Vrouwen aan de Oude-" gracht, bij de Smeebrug te Utrecht, ingericht als bijgebouw voor het Tandheelkundig Instituut, zullen 4 November de colleges voor de eerste jaars studenten een aanvang nemen, waardoor voorloopig voorzien is in het gebrek aan plaatsruimte. Papendrecht? — Ter aanvulling van het bericht in ons blad van gisteren over de opgraving van een lijk te Heerjansdam, ontleenen wij aan de ,,D. Ct." nog eenige bijzonderheden: Verleden jaar overleed te Heerjansdam, terwijl hij als drijver bij een jachtpartij fungeerde, de jeugdige Aart Kooiman Jr., zoon van A. Kooiman, bode van Heerjansdam op Dordrecht. Als oorzaak van den dood werd opgegeven zonnesteek. In Aug. van dit jaar namen de geruchten, dat dit de doodsoorzaak niet zou zijn, doch dat de man zou zijn overleden tengevolge van een ongeluk op de jacht, een dusdanigen vorm aan, dat de justitie te Dordrecht een onderzoek instelde. De bemoeiingen der justitie leidden tot geen positief resultaat, terwijl geen termen werden gevonden, de opgraving van het lijk te gelasten. De vorige maand heeft Kdoiman, gelijk wij hebben gemeld, een verzoekschrift gericht aan de rechtbank te Dordrecht, inhoudende het verzoek den heer officier van justitie te bevelen, vervolging in te stellen tegen den heer S., apotheker te Rotterdam, ter zake van het bij ongeluk doodschieten van zijn zoon. Adressant beweerde, dat ook de gemeente-veldwachter van Heerjansdam, thans rijksveldwachter te Dordrecht, v. 't H., bij het ongeval was tegenwoordig geweest, terwijl verder dr. D., voorheen arts te Heerjansdam, thans te Rotterdam, tot het jachtgezelschap behoorde. Een gerechtelijk onderzoek was van dit verzoekschrift het gevolg. De vorige week Vrijdag zijn een 13-tal getuigen in deze zaak door den rechter van instructie te Dordrecht gehoord. Tot de getuigen behooren behalve genoemde personen o.a. de nachtwaker Van L. te Heerjansdam, die eveneens als drijver tijdens de jacht heeft gefungeerd; mevrouw K., die het lijk heeft afgelegd; schipper De J., uit Krimpen a/d. Lek, op grond van wiens uitlatingen de zaak hoofdzakelijk is opgerakeld, en diens zoon, die bij het vervoer van het lijk is tegenwoordig geweest. Kooiman is namelijk op de eendenjacht overleden in de buitengorzen achter den rivierdijk op een rietplaat in de Oude Maar onder Barendrecht. Per roeiboot van schipper De J. is 't lijk door diens zoon naar Heerjansdam vervoerd. Schipper De J. vertelt, dat het lijk verwondingen aan het hoofd vertoonde, welke door een schot zouden zijn veroorzaakt; anderen zeggen, dat het gelaat geschramd was door den val in een met riet begroeide greppel. Met het vervoer van het lijk was nogal eenige tijd gemoeid. Een onderzoek is toen ingesteld door den burgemeester van Heerjansdam, die, aldus verzekert men, o. a. de kleeren van den gestorvene in beslag nam. De lijkschouwing werd verricht door dr. Vermeulen te Barendrecht. Intusschen werd over de zaak veel en velerlei gesproken, vooral ook door schipper De J., die dr. D. zelfs van af zijn schip moet hebben nageroepen. Men sprak van omkooping. moord, vervalsching van verklaringen, enz. Het spoorwegongeluk te Axel. — Voor die Rechtbank te Middelburg werd gisteren behandeld de zaak tegen den stationschef te Axel, wien ten laste was gelegd, dat hij op 5 September: 1912 te Axel als stationschef was belast met de zorg voor de veiligheid 1 van het verkeer door stoomvermogen over een spoorweg en het stationsterrein aldaar, toen een trein in de richting Hulst van het tweede spoor dat stationsterrein zou verlaten en daardoor op het hoofdspoor moest komen, dien trein heeft laten vertrekken, terwijl wissel no. 2 zoodanig lag, dat die trein in plaats van o^ het hoofdspoor op een doadloopend spoor moest loopen en terwijl hij den wisselwachter geen behoorlijke, duidelijke en ondubbelzinnige bevelen had gegeven en die wisselwachter dan ook niet met stellige zekerheid weten kon op welk spoor die vertrekkende trein loopen zou en zonder dat hij had gezorgd, dat de stand van genoemden wissel overeenkomstig artikel 27 van het Algemeen Reglement van den dienst op de spoorwegen, kenbaar was, ten gevolge van welke nalatigheid die trein op het doode spoor is geloopen, de voorste locomotief en die kolenwagen geheel van het spoor af in den grond zijn terecht gekomen en de stoker Charles Sluik op de machine en onder de kolen zoodanig is bekneld geraakt, dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden. In deze zaak waren 11 getuigen gedagvaard, onder wie 3 als deskundigen, namelijk de distryrtsinspecteur der S.S. A. M. Heuff te Breda en de artsen J. C. Blom en P. A. Tens, beiden te Axel. Verschillende getuigen kwamen tot dezelfde conclusie: dat verkeerde wisselistand oorzaak was van het ongeluk Getuige Heuff wees beklaagde als hoofdschuldige aan. Beklaagde ontkende. Het O. M. eischte 14 dagen gevangenisstraf. De verdediger, mr. P. Dieleman, pleitte vrijspraak. Verkoop over het hekje. — Voor de 6e Kamer der Amsterdamsche Rechtbank is gisteren in hooger beroep behandeld de zaak tegen den vischwinkelier W. U. S., Reguliersbreestraat 4, te Amsterdam, door den kantonrechte!- aldaar mr. Kranenburg bij vonnis van 24 Mei j.1. veroordeeld tot ƒ15 boete subs. drie dagen hechtenis, te|r zake dat op 2 April j.1. den winkel 's avonds 10.15 geopend en verlicht was en de straatdeur open stondl; dat in de deuropening een dwarsboom was geplaatst; dat bekl. in den winkel was en in, papier verpakte paling aan een juffrouw verstrekte, die voor de geopende deur op straat stond. Het O.M., mr. Jorissen, de opvattingen van de kantonrechters Kranenburg en Hilterman die juiste achtende, requireerde bevestiging van het vonnis. Mr. Alfr. Levy betoogde bij zijn pleidooi, dat wèl verkoop in den winkel, maar niet het afleveren daarbuiten verboden is, en concludeerde, met een beroep op een vonnis van den plaats vervangen der. kantonrechter, mr. Lioni, tot ontslag van; rechtsvervolging. . Joodsch Tehuis. — Te 's Gravenhage zal wegens de ijverige propaganda van de Christen zendelingen onder de Joden een Joodsch Tehuis worden gesticht ter bestrijding van de zending. Door den trein overreden. — Gisteravond omstreeks halfacht is de machinist J. de Vries, in dienst van de H. IJ. S. M. en wonende in die Speelmanstraat te Rotterdam, op het emplacement van het Maasstation ter hoogte van den overweg aan de Oostmaaslaan bij het oversteken dier rails, gegrepen door den van Amsterdam komenden sneltrein no. 72 der S.S. Spoorwegarbeiders vonden zijn vreeselijk verminkt lijk op de spoorbaan liggen. De gedoode machinist laat 10 kinderen achter. Noodlottige val. — Te Gelselaar is de dochter van den landbouwer R. van den hooizolder gevallen en zoodanig met het hoofd op een fiets terechtgekomen, dat zij aan de gevolgen is overleden. Een krasse maatregel. Door de Rijksveldwacht is aan de banketbakkers te Assen aangezegd, dat zij geen z.g. „rumboonen" meer mogen verkoopen, omdat dit in strijd is met de drankwet. Zooals men weet, zijn in sommige banketbakkersartikelen likeuren aanwezig. Onbehoorlijk reiziger. — Wegens het niet volidoen aan het verzoek van een conducteur dier Spoorwegmaatschappij om zijn voet niet te zetten op het kussen m een wagen tweede klasse van een trein der edectrische spoor Rotterdam—Den Haag had zich gisteren in hooger beroep voor de Haagsche Rechtbank iemand te verantwoorden. Hij was deswege door den kantonrechter vrijgesproken on grond dat het verzoek van den conducteur niet steunde op de wet. Beklaagde gaf op, aan het verzoek van den conducteur niet voldaan te hebben, omdat hij het niet noodig achtte wijl het niet in het belang van de openbare orde vereischt was volgens hem. Substituut^of ficier van justitie, mr. Del Campo gen. Camp, voerde aan, dat bekl. noodeloos den conducteur bemoeilijkte toen dleze deed wat hij meendte te moeten doen in het belang van de openbare orde; maar vorderde intusschen toch bevestiging van het vrijsprekend vonnis des kantonrechters omdat hij dit beschouwde als overeenkomstig de wet. ---