Gemengde Berichten. Buitenland. Een nieuw-ontdekt zoogdier in 't Kongogebied. — Cenitraal-Afrika, waar men pas in 1900 een dusver onbekend zoogdier, okapi, ontdekte, houdt een nieuwe verrassing in petto. D)r. L. Petit heeft een nieuw soort olifanten gadegeslagen in Ongandi in 't Casaïgebied, hetgeen door den ingenieur Deladrier, die bij het Morësmeer werkzaam was, bevestigd wordt. De olifant leeft in de moerassen tusschen het Leopold Meer en het Tcembameer in 't Lukenyagebied. Le Petit vond een heele haard van waterolifaniten, waarvan hij meldt, dat ze 6 a 8 voet hoog zijn, en langen kop, korten snuit, langen staart hebben. De inheemsche naam in 't Casaïgebied Nagoko na Maiyi, aan 't Moëromeer, Tempo Mayani, of May, wat water- of moerasolifant beteekent. Het Britsch Museum beraamd een plan om een expeditie uit te vindien, die zekerheid over het bestaan van dit dier zal verschaffen. De groote Panama-tentoonstelling. De groote Panama-tentoonstelling, die in 1915 te San Francisco zal gehouden worden, als herinnering aan de opening van het Panama-kanaal, neemt thans vaste vormen aan. Zij zal alle dergelijke tentoonstellingen ver overtreffen. De Amerikaansche autoriteiten hebben alleen voor de tentoonstelling 192 millioen gulden beschikbaar gesteld en de gemeenteraad, van San Francisco stond een som van 240 millioen gulden toe om de stad in overeenstemming met de tentoonstellingsgebouwen te brengen. Daarvoor zal een nieuw stadhuis gebouwd worden en bovendien een opera-gebouw, een bibliotheek en een herinnerings-toren in; het IJncolnpark. Deze toren wordt 2G0 M. hoog. Men is reeds begonnen met een nieuwe havenaam te maken, ook zullen andere verbeteringen in de havens aangebracht worden en de geheele stad wordit van mooie wandelwegen en parken voorzien. De plannen en ontwerpen voor de tentoonstellingsgebouwen zijn gereed en eerdaags zal het bouwen van een machinehal aanbesteed: worden. Gedulrende de eerstvolgende twaalf maanden zal men aan den bouw der 14 hoofdgebouwen wérken. die allen op 25 Juni 1914 gereed moeten zijn. Gas uit turf. — Dr. Frank te Charlattenburg heeft onlangs aan het Congres dei - Vereenigde Neder-Saksische Ingenieurs op Gasgebied het resultaat van de onderzoekingen meegedeeld, die hij met dlr. Caro gedaan heeft omtrent het induatirieele nut van de turf. Volgens deze beide geleerden kan men uit turf, die nog 50 a 55% water bevat, gas verkrijgen. Verder krijgt men dool' deze behandeling 70% stikstof uit turf, in den vorm van ammoniac-sulfaat. Het verkregen, gas uit turf, met 50% water, bevat 36 a 39 brandbare elementen; het warmtevermogen bedraagt 1400 calori per kubieke meter. Bij turf met 65% water, bediraagt het aantal brandbare elementen 28.6%. Verandering van verschillende koolstof vormen in grafiet. — De onlangs gehouden proefnemingen van Arsem hebben aangetoond, dat alle zuivere vormen van koolstof, verwarmd; tot meer dan 3000 gr. een bepaalde dichtheid bereikten, die niet verhoogd wordt door toevoeging van kleine hoeveelheden minerale substanties. Het aldus verkregen eindproduct is, dikwijls grafiet. Zuivere petroleum, cokes, verwarmd zonder toevoeging van minerale stoffen, veranderen in uitstekend grafiet, terwijl de onzuiveire koolstof zelfs bij verwarming met verschillende oxydien, dichter wordt, zander in grafiet te veranderen. Anthraciet wordt door warmte slechts gedeeltelijk in grafiet omgezet. Vaste oliën. — De talrijke natuurlijke vetsubstanties zijn bij normale temperatuur deels vast en deels vloeibaar. De vloeibare bevatten dikwijls onverzadigde koolwaterstoffen en verschillen van de vaste vaak alleen door het aantal atomen waterstof. Zoo onderscheidt zich het vaste stearine-zuur van het vloeibare oleïne-zuur slechts door een grooter gehalte van 6 atomen waterstof in het molecule en bezit juist door haar vaste vorm een grootere handelswaarde. Naar aanleiding van langdurige onderzoekingen van professor Sabatier te Toulouse is men er onlangs in geslaagd deze vloeibare oliën tot vaste stoffen te maken. Zoo kan men de bovengenoemde oliezuren bij 280 tot 300 gr. C. bij aanwezigheid van fijn verdeeld nikkel of palladium door toevoeging van waterstof in vaste stearinezuren veranderen. Deze methode is natuurlijk technisch van groot belang en zij is reeds door verschillende firma's toegepast om op deze manier ricinusolie, minder aangenaam ruikende traan enz. in vasten en reukloozen toestand te brengen. De producten hebben een smeltpunt tot 50 gr. Zij worden ge deeltelijk voor zeepfabricatie, voor een. ander gedeelte bij bereiding van margarine en dergelijken --- De Reehtsbedeeling in Delft gedurende de republiek en den Franschen tijd V. Wie in de Vaderlandsche geschiedenis thuis is, weet dat in 1795 Willem V door de komst der Franschen gedwongen is geworden, ons land te verlaten en dat door de patriotten met behulp hunner buitenlandsche bondgenooten de ,,aloude regeering" is afgeschaft; wie de jaren tusschen 1795 en 1811 goed bestudeerd heeft, weet dat onze regeeringspersonen in dat tijdperk voor een groot deel marionetten waren, waarvan zich de touwtjes in handen van het Fransche bestuur bevonden. De tijd, dat die ,,aloude regeering" in ons lanc bestond, wordt nu bij uitsluiting ,,de republiek" genoemd, al bleef na de „Fransche" revolutie van 1795 een republiek bestaan: de jaren tusschen 1795 en 1813, nog te weinig bestudeerd, worden saamgevat onder den naam ,,Fransche tijd", waarvan dus de eigenlijke Fransche tijd, 1811—1813, slechts een klein onderdeel is. De veranderingen, die in dien tijd de Delftsche rechtsbedeeling onderging, zijn nu te bespreken. Wij hebben gezien, dat hier in Delft naast den Graaf, iater de Staten van Holland, de poorters der stad Delft stonden, ieder met hunne afzonderlijke belangen en rechten, maar dat door de omstandigheden de vroedschap der stad vrijwel alles bedisselde; na 1795 treedt nu het volk op, doch daar het Bataafsche volk nog geen organisatie had, trad in de eerste jaren het geheele volk van Delft op. Maar... het is veel gemakkelijker ,,Jantje" om te doopen in ,,Pietje" dan om het karakter van „Jantje" te veranderen: toen een paar maanden lang de voorloopige toestand, na 21 Januari 1795 ingetreden, bleef voortduren, toen vooral door het gemis aan een rechtscollege de overdracht van onroerend goed niet kon plaats hebben, werd op 9 April van dat jaar het College van Schout en Schepenen maar weer ingesteld, zij het dan onder den titel van Comité van Justitie; de kiezers, door de grondvergaderingen van het volk benoemd, kozen ook de 7 leden van dat college met den schout, die nu toch op gelijken voet van de anderen stond: zoowel het college als de schout waren vertegenwoordigers van de burgers en moesten dus door hen gekozen worden. Maar ook voor het keuren maken werd een bepaald college noodig geacht, en weêr vond men het zoo lastig een nieuw stelsel te vinden, dat men „provisioneel" de Wethouderschap weder invoerde: de li leden uit de municipaliteit, die het comité van algemeen welzijn vormden, vormden met den hoofd schout en het Comité van Justitie het genoemde college. Ook de macht bleef vrijwel dezelfde. Onderwij 1 werd begonnen met het maken van een nieuw reglement. 14 commissarissen werden benoemd dit te ontwerpen, waarop 14 andere het zouden herzien, doch de stof was zoo uitgebreid, de besprekingen ook met het provinciaal bestuur zoo vele, dat eerst 15 Januari 1798 het nieuwe reglement klaar kwam. Hoe het luidde? Men bespare schrijver dezes de opsomming, want juist een week later, 22 Januari, werd de Nationale Vergadering uiteengejaagd, en alhoewel de municipaliteit al het mogelijke deed om „aan te blijven", werd zij toch op 15 Maart door het pas opgetreden Uniebestuur ontbonden en in haar plaats een nieuw ingesteld van 9, waarvan het comité van algemeen welzijn een der 3 onderdeelen vormde. De hoofdschout, nu baljuw, had kort daarop juist de Wethouderen bijeengeroepen, toen 18 Maart een boodschap kwam dit voorloopig niet te doen, en een poos later werd het College van de Weth vervallen verklaard en zijn bevoegdheden verdeeld tusschen het Comité van Justitie, het vroegere College van Schepenen en het comité van algemeen welzijn. Hiermede was de scheiding tusschen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht voltrokken. De verdeeling dier bevoegdheden is in weinige woorden weer te geven: alle bestuurshandelingen gingen over op het comité van algemeen welzijn, alle rechtshandelingen (familierecht, erfscheiding, doodschouw) op Schepenen. Een derde categorie, namelijk datgene wat wij nu politie-maatregelen noemen, ging over op den schout. Slechts enkele uitzonderingen waren op deze regelingen gemaakt. Een der gedachten, die toen de bovenhand hadden, was, dat alleen de Staat vaste regelen mocht stellen: de lagere besturen waren slechts uitvoerende lichamen, die wel op schrift mochten zetten op welke wijze zij hun taak mochten vervullen, en dit aan het volk bekend maken, maar die naar buiten geen dwingende regelen mochten stellen. Het eigenlijke recht tot het maken van keuren verviel dus. Dan: het stadsverbeterhuis en tuchthuis stond in zoo nauwe betrekking tot de rechtspraak, dat de inspectie er over en het benoemen van regenten (wat het tuchthuis betreft) aan-schout en schepenen werd opgedragen. Maar na 1798 kwam er nog een andere verandering tot stand. Was tot nog toe de regeling der Schepenbanken geheel aan de steden overgelaten, met als grondslag de privilegiën, die dikwijls in min of meer belangrijke mate verschilden, na het genoemde jaar wordt die verscheidenheid van regelingen en grondslagen opzij gezet en vervangen door één reglement voor alle Schepenbanken, zij het voorloopig dan ook slechts voor alle Schepenbanken voor geheel Holland. Bij die reglementen werd ook, en dit in overeenstemming met de grondleer van Montesquieu, de betrekking van den schout-baljuw gewijzigd. Zijn voornaamste werk, voorzitter van het College van de Weth te zijn, was door de ontbinding van dat lichaam vervallen, doch ook verder werd zijn macht ingekrompen. Daarentegen bleef dat, wat in het begin zijn voornaamste taak was geweest, het optreden als rechtsvorderaar : hij treedt na 1798 behalve als commissaris van politie op als Openbaar Ministerie. Maar... de bezwaren dezer nieuwe regeling bleven niet uit. Vroeger, toen de pensionaris en de schout beiden een belangrijke rol speelden in de rechtsbedeeling, en in de meeste zaken waarin vonnis geveld moest worden, slechts de keuren moesten geraadpleegd worden, kon het baantje van Schepen gevoegelijk aan leeken worden toevertrouwd; sedert de regeling van 1798 moest men den steun dier beide rechtsgeleerden ontbreken, en dikwijls werd dan ook het advies van bekwame juristen gevraagd, misschien wel ten voordeele van de vonnissen, maar zeker ten koste van de beurs der rechtzoekende. Daar komt nog bij, dat de pijnbank werd afgeschaft, en dus het onderzoek naar het bewijs van strafbare feiten voor de Schepenen, veel lastiger werd; klacht na klacht werd er over gehoord, en wie dezen toestand met den tegenwoordigen vergelijkt, ziet in waarom hier nu slechts door rechtsgeleerden wordt recht gesproken: het is de tegenslag van een vroeger te duur bevonden systeem. Maar zoover zijn wij nog niet. De grondwet van 1801, die aan de lagere besturen grootere vrijheid van handelen gaf, was oorzaak, dat het Departementaal Bestuur van Holland l9 October 1803 een nieuw reglement arresteerde ,, op de inrichting van de Civiele en Crimineele Rechtbank binnen de stad Delft, deszelfs Hoven en Jurisdictie' een reglement dat de Raad der stad Delft had ontworpen. Het Comité van Justitie werd ontbonden, en in zijn plaats 9 Schepenen geïnstalleerd, die door het Departementaal Bestuur uit dubbeltallen was gekozen ; het getal van 9 verving dat van 7. omdat er twee Delfshavensche burgers in zaten; een commissie van vijf Schepenen maakte met vijf raadsleden een voordracht voor hoofdschout op, en 19 December werd dan ook mr. C. van der Goes, schepen, met dit ambt bekleed. Over het algemeen was de staatsregeling van 1801 een terugkeer tot de toestanden vóór 1795, en zoo zien wij in het reglement ,,voor het Gemeentebestuur der stad Delft enz." de Wethouderen terugkeeren, zij het dan ook als onderdeel van het Gemeentebestuur en niet meer als college, samengesteld uit het Stadsbestuur en het Schepencollege. Toch komen de bevoegdheden van de oude en de nieuwe Wethouderen voor een groot deel overeen, zij het dan ook dat er belangrijke verschillen zijn aan te wijzen. Hierover echter een volgende keer. Mr. L. G. N. BOURICIUS. --- OPGAVE DER PERSONEN die zich gedurende de week van 21—26 October in de gemeente gevestigd of deze verlaten hebben. GEVESTIGD: W. Clignett, student, Lange Geer 12, v. Den Haag. Joh. P. C. van Gurtzgen, journalist, Markt 69a, v. Haarlem. L. Dijkgraaf, leerl. ass. posterijen, Molenstraat 19, v. Arnhem. P. M. Knols, student, Koornmarkt 19, n. Maastricht. A. Bajriel, los werkman, Ezelsveld 19, v. Am. stek'dam. W. L. Verschoor, student, Oude Delft 210, v. Den Haag. J. F. van Aalst, student, Binnenwatersloot 2, v. Amsterdam. Th. C. H. Bogaardt, student, Oostsingel 30b, v. Den Haag. Mej. A. W. Bloem, dienstbode, Johanna Wiggelinastraat 14, v. Den Haag. A. J. Klarenborch, agent van politie, Hopsteeg 37, v. Gouda. W. Rijkeboer, student, Oude Delft 8, v. Zaandam. D. Groeneweg, smid, Kerkstraat 1, v. Rotterdam. L. M. Bots, student, Choorstraat 49, v. Kerkradè. H. O. J. H. Bauduin, student, Vrouwjuttenland 18, v. Maastricht. P. A. Lebens, administrateur en assuradeur, Oude Delft 160a, v. Amsterdam G. H. van Senden, scheik. mgenieur. Oude Delft 53, v. Den Haag. E. Maas Geesteranus, student, Oude Delft 128a, v. Amsterdam. F. E. Eijlen, student, Oude Delft 144, v. Utrecht. J. C. Klomp, melkventer, Dirklangendwarsstraat 27, v. iHof van Delft. J. M. Kooy, Oude Delft 99a, v. Den Haag. N. J. Spijkman Oude Delft 145, v. Den Iiaag. Mêj. J. Tromp, dienstbode, Oude Delft 171b, v. Vrijenban. Mej. M. Visser, dienstbode, Havenstraat 4, r. Hoog Blokland 1 . P. M. Constant, Phoenixstraat 15, v. Koudekerke. J. G. Dijkstra, student, Houttuinen 2, v. Amersfoort. H. G. Derx, student, Oude Delft 113, v. Ma,kassalr. A. N. Glazener, student, Oude Delft 35, v. Watergraafsmeer. F. Kraus, kolendrager, Geerweg 101b, v. Den Haag. A. Levie, vleeschhouwer, Oosteinde 125, v. Den Haag. J. Rullens, werkman, Buitenwatersloot 232, v. Hof van Delft. t \y. Bosveld, bloemist, Voorstraat 9b enban. v. VrijJ. Engel, winkeljuffrouw, Hypolitusbuurt v. Zaandam. I Mej. 12/14, ---